Posts tonen met het label dromen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dromen. Alle posts tonen

woensdag 12 augustus 2026

Troostdromen


In de Engelse New Scientist stond laatst een kort artikel van Alice Klein over geruststellende dromen, die vaak zouden voorkomen bij terminale patiënten. Prettige en levendige dromen en visioenen met overleden geliefden, wachtende familieleden, huisdieren en allerlei symbolen. Een bron van troost en opluchting voor de zieken die een spoedig levenseinde onder ogen moeten zien. Hun angst voor de dood vermindert en er zijn gevoelens van innerlijke vrede. Het helpt de mensen om de dood te accepteren, zeggen de onderzoekers van een recente (?) Italiaanse studie.

Deze intense dromen in een ongewisse periode lijken mij toch vooral veroorzaakt en gekleurd te worden door wat mensen doorgaans verwachten of hopen, wat betreft overgang en hiernamaals. In een eerdere blogpost zagen we al dat dit (net als bij bijna-doodervaringen) ook nog cultureel bepaald kan zijn. In India bijvoorbeeld zijn het vaker religieuze figuren die de ontvangst aan gene zijde voor hun rekening nemen. En misschien is het zelfs mogelijk dat in tijden van crisis de menselijke geest zelfbeschermend ingrijpt en verlammende doodsangst probeert te dempen met allerlei kalmerende kunstgrepen.

Toch is het niet zo dat al deze eind-van-het-leven dromen en visioenen kalm en vredig verlopen. Ongeveer tien procent is behoorlijk verontrustend. Eén van de ondervraagde patiënten kreeg te maken met een monster met haar moeders gezicht, dat haar meesleepte. Bij bijna-doodervaringen schijnt ongeveer 20 procent angstwekkend te zijn. Meer symbolisch zijn de dromen met deuren, trappen of licht. Een persoon beschrijft een barrevoetse klim naar een open deur gevuld met wit licht.

Alice Klein noemt in haar artikel ook nog een soortgelijk onderzoek van de Amerikaan Christopher Kerr, die al jaren met dit onderwerp bezig is en er regelmatig over publiceert. Hij zegt het vooral interessant te vinden dat het niet willekeurig is wie er naar je toekomt, maar dat het altijd de mensen zijn die echt van je hielden en je beschermden. Omgekeerd kan ook nog. Er is een voorbeeld van een vrouw van 70 met visioenen van haar doodgeboren eerste kind. Zij bewoog daarbij haar armen of ze een baby wiegde. Het verlies vond ze te moeilijk om over te praten, maar zijn bovennatuurlijke terugkeer bracht haar uiteindelijk troost.

De frequentie van de dromen en visioenen neemt toe naarmate de dood nadert want “dying is progressive sleep”, zegt Kerr. Sterven is een geleidelijk slaapproces. Met progressive sleep wordt hier een geleidelijk, dieper wordend slaap- of bewustzijnsverlagingproces bedoelt. Kernidee hierbij is dat mensen meestal niet sterven in een wakkere of helder bewuste toestand, maar geleidelijk wegglijden in diepe slaap en rust waarin het leven losgelaten wordt. Volgens Kerr worden de dromen levendiger en opvallender omdat de mensen voortdurend in en uit slaap zijn.

Het levenseinde heeft vaak een droevig en afschrikwekkend imago omdat er "diep ingebakken in onze overleving een instinctieve reactie op dreiging zit”. Dat de gedachte aan de dood ons kennelijk banger maakt dan de dood zelf, zagen we al in een eerdere blogpost. Maar de laatste weken van een terminale ziekte kunnen rijk zijn in liefde en betekenis, en mensen “komen onvermijdelijk tot iets van accepteren”, zegt Kerr. “Eén van de meest opvallende dingen is de afwezigheid van angst”. 

 

Bron:
Alice Klein
New Scientist
april 2026

dinsdag 19 mei 2026

Geen verplichtingen meer

Maarten ’t Hart en de dood (1-2)

Ik droomde een keer dat ik bij de wastafel in mijn badkamer stond. Er lag water onder vanwege een lekkende sifon. Dat was flink balen (ik heb een lange geschiedenis met lekkages), maar ineens besefte ik dat dit misschien een droom was. Om dat te testen bukte ik om even mijn handen door het water te halen, want dat kun je in een droom niet voelen, dacht ik. Maar helaas, kletsnat natuurlijk. Wat een opluchting toen ik wakker werd!

Toch schijnen er wel dingen te zijn die je in een droom niet kunt doen. Klokkijken bijvoorbeeld, of lezen. Maarten ’t Hart (1944) beweert iets anders. In zijn ‘persoonlijke kroniek 1999’ (Een deerne in lokkend postuur) herinnert hij zich een ‘ongewoon heldere droom’ uit 1971 waarin hij de krant las, en daarbij zijn eigen overlijdensadvertentie tegenkwam. Hij prentte zich de datum scherp in: 14 april 1987. Lange tijd heeft hij gedacht dat de droom zou uitkomen, maar die angst (?) is inmiddels (1999) door de tijd ingehaald. Toch betwijfelt Maarten nog steeds of hij het jaar 2000 wel zal halen, want gelet op zijn enorme roekeloosheid in het verkeer is het ‘een groot wonder dat hij nog steeds leeft’.

Is hier (onbewust) sprake van een doodswens? In hetzelfde boek lees ik bij 17 september een indringende passage, getiteld Thanatos (de god van de zachte dood). Hier beschrijft Maarten hoe hij vanuit de woonkamer van zijn zus het balkon oploopt. Ze woont hoog in een flat met een schitterend uitzicht. Het is zonnig warm met een goudkleurig en betoverend septemberlicht. Hij staat daar en kijkt naar beneden en voelt zich sprakeloos gelukkig. Diep onder hem ligt een zonovergoten groen grasveld. Hij herinnert zich psalmteksten en denkt aan het heelal, mysterieus maar doelloos.

Terwijl hij zich dicht tegen de balkonrand aandrukt lijkt het haast alsof het grasveld zich aanbiedt. Zwevend op de vleugels van de wind zou hij er vredig op kunnen neerdalen. Hij moet alleen even op die rand klauteren. De wind suist, achter hem de stemmen uit de kamer, en naarmate de seconden verstrijken lijkt het steeds aanlokkelijker om te springen. Aan al zijn problemen zou in één klap een einde komen. Hij somt ze voor ons op. Geen ondraaglijk lijden zo te zien, maar irritante ongemakken en werkdruk en allerlei verplichtingen. Dan ziet hij op het grasveld een meisje met een hondje en denkt dan aan zijn eigen hondje Roef. Het kost hem nog wel de grootste moeite om zich weer los te maken van die balkonrand, want ‘wat kan het opeens geweldig aantrekkelijk lijken om dood te zijn!’ 

Is dit verhaal geïnspireerd door het werk van T.F. Powys (1875-1953)? Maarten ’t Hart zou een bewonderaar zijn van deze merkwaardige Engelse schrijver, maar dat heb ik nergens concreet kunnen vinden. Bij Powys is de dood een list van de natuur om je je leven afhandig te maken, maar tegelijk de enige uitweg uit de misère.

 
bron afb: knipsel Parool

 
bron:
Maarten ’t Hart
Een deerne in lokkend postuur
Persoonlijke kroniek 1999
De Arbeiderspers, 2000

maandag 24 november 2025

Frida Kahlo: De Droom


Deze week zijn er twee schilderijen voor een recordprijs verkocht. Een werk van Gustav Klimt en een ‘zelfportret’, getiteld De Droom (Het Bed), van Frida Kahlo. Dit laatste schilderij, gemaakt in 1940, heeft mijn bijzondere belangstelling vanwege de surrealistische verbeelding van (o.a.) de thema’s slaap, droom en dood.

Kahlo maakte in de jaren dertig en veertig vaker een zelfportret, geïnspireerd door bijvoorbeeld een ingrijpende gebeurtenis uit haar leven. Na een bijna fataal ongeluk had zij lange perioden van chronische pijn en moest vaak noodgedwongen het bed houden.

Op het schilderij zien we Frida Kahlo slapend in een soort houten hemelbed, zwevend in de wolken, die haar dromen zouden symboliseren (of anders misschien de hemel). Zij ligt onder een gouden deken, verstrikt in ranken en bladeren. ‘Het leven’, wellicht.

Meest opvallend is het skelet dat bovenop het bed ligt. Dat is wakker en omwikkeld met explosieven. Het kan elk moment fout gaan. De dood is een realiteit en onvermijdelijk. Het skelet houdt een boeket vast, waaronder springstof. Verraad dus, een Judas. In Mexico worden tijdens Pasen skeletten van papier-maché (Judas) verbrand, om zo het vernietigen van alle negatieve energieën uit te beelden. Kahlo verwerkte, naast o.a. surrealistische elementen en Katholiek symbolisme, ook Mexicaanse volkskunst in haar schilderijen. In deze cultuur leven de doden en de levenden in harmonie naast elkaar en feesten soms zelfs samen.

Naar het schijnt sliep Frida Kahlo in een hemelbed naast een skelet van papier-maché. De dunne lijn tussen slaap en dood hield haar voortdurend bezig. Zij was ook bang om te sterven in haar slaap.

vrijdag 14 maart 2025

Met Jack op de Grand Staircase

De hemel van... Rose Dawson

(De hemel van... Afl. 28)

Vorige week zag ik (voor het eerst!) de film Titanic (1997). Die kent iedereen natuurlijk allang, dus ik doe hier niet moeilijk over spoilers. Aan het eind van de film gaat de stokoude hoofdpersoon dood, of slaapt en droomt, dat wordt aan de kijker overgelaten. Niet dat het veel verschilt, maar volgens mij overlijdt ze en belandt vervolgens in haar ideale hemel. Twee dingen vind ik daarbij opvallend, daarover straks meer.

Hoofdpersoon van de film is Rose Dawson, later Rose Calvert, maar in 1895 geboren als Rose DeWitt Bukater. In 1912 keert zij met de Titanic terug naar Amerika. Haar rijke maar onuitstaanbare verloofde is ook aan boord, en hij schenkt haar een extreem kostbaar juweel met een blauwe diamant ‘the Heart of the Ocean’, maar helaas is de romantiek ver te zoeken. Tijdens de reis worden Rose (gespeeld door Kate Winslet) en derde klasse passagier Jack Dawson, een arme jonge kunstenaar, verliefd op elkaar. Samen beleven ze van alles, zowel voor als tijdens de scheepsramp, die Rose wel overleeft maar Jack niet.

Als Rose uiteindelijk in New York arriveert, gaat ze verder onder de naam Dawson (Jacks achternaam). Zo ontwijkt ze waarschijnlijk ook haar ex verloofde en haar moeder. Haar verdere leven doet ze allerlei avontuurlijke dingen die ze Jack beloofd had te doen, en ze wordt actrice en een bekend society figuur. (Dit alles komt niet in de film voor.) Ene Mr. Calvert wordt genoemd als Rose Dawson’s echtgenoot. Daar weten we verder niets van, behalve dat hij overleden is. Als kijker kun je herleiden dat ze samen minstens twee kinderen hebben, en een kleindochter Lizzy Calvert. Rose heeft Mr. Calvert nooit verteld over Jack Dawson, op wie ze haar hele leven verliefd was. Maar het lijkt erop (gezien de foto’s en de manier waarop ze over hem spreekt) dat Rose ook van haar man Mr. Calvert hield, ze was met hem getrouwd tot zijn overlijden.

De film maakt een sprong naar 1996, 84 jaar na het zinken, als schatjagers op zoek gaan naar de beroemde blauwe diamant. Zonder succes. Rose Calvert meldt zich, en als 100 jarige surviver wordt ze op het onderzoeksschip uitgenodigd. (Deze oude Rose wordt gespeeld door Gloria Stuart, in 2010 overleden als 100 jarige.) Oude Rose vertelt haar verhaal aan de bemanning en haar kleindochter Lizzy. Als ze weer alleen is gooit ze het blauwe juweel (ja zij had hem al die tijd) in de oceaan en gaat naar bed voor de nacht. De camera glijdt langs een aantal uitgestalde fotolijstjes, als een soort samenvatting van haar leven. Rose ligt stil in bed. Ze keert terug, als geest of in een droom, naar de Titanic in de glorietijd. Gangen door, richting het A deck, linksaf en een steward opent uitnodigend de deur. Ze wordt verwacht. We zien de Grand Staircase, veel hout en glamour , waar ze ooit met Jack afsprak, en ook nu staat hij daar op haar te wachten. Rose heeft weer haar jeugdige verschijning, en de trap wordt omringt door mensen die omgekomen zijn en haar nu begroeten. Iedereen is er en ziet er mooi uit, glimlachjes en knikjes. Bovenaan de trap omhelzen Rose en Jack elkaar onder applaus.

Heel mooi allemaal, maar waar is Mr. Calvert? Rose beleeft een hereniging met Jack, haar grote liefde. En niet met de man met wie ze waarschijnlijk jarenlang getrouwd is geweest. Een gelukkig huwelijk, met kinderen en kleinkinderen. Veel mensen verwachten na hun dood een weerzien met familie en of geliefden. Dat kan dus ingewikkeld worden, althans naar aardse maatstaven. In de bijbel wordt een paar keer op dit vraagstuk ingegaan.

Welbeschouwd is dit natuurlijk niet de hemel, maar de hemel van Rose. Het is haar momentje op haar ideale plek. Zij heeft het gecreëerd, de anderen zijn niet meer dan figuranten. Wat te denken van die steward bijvoorbeeld? Gaat die nu echt na zijn dood nog eens tot in eeuwigheid de knecht uithangen? In de hemel van een ander? Die heeft natuurlijk zijn eigen hemel gecreëerd, net als de rest van de overledenen. “Wij zijn goden die rondlopen in onze eigen schepping.” 
 

donderdag 27 februari 2025

Als goden in hun schepping

Tony Parsons wordt vaak gelinkt aan de neo-advaita. Er zijn een paar boeken van hem in het Nederlands verschenen. Zijn boodschap in een korte flaptekst: “Er is geen ‘jij’ of ‘ik’, er is geen zoeker, geen verlichting en geen goeroe. Er is geen beter of slechter, er is geen pad en er valt niets te bereiken. Alles wat verschijnt is bron. Alles wat zich schijnbaar manifesteert – de wereld, het levensverhaal, de hypnotische droom van afgescheidenheid, de zoektocht naar huis – is het ene verschijnend als twee, het niets verschijnend als alles, het absolute verschijnend als het specifieke. Er is geen afgescheiden intelligentie die een bestemming weeft en er is nergens ook maar enige mogelijkheid om te kiezen. Er gebeurt helemaal niets, maar dit, zoals het is, nodigt de ogenschijnlijke zoeker uit om dat wat er al is opnieuw te ontdekken… de altijd aanwezige, onveroorzaakte, onveranderlijke onpersoonlijke stilte van waaruit onvoorwaardelijke liefde overvloeit en feestviert. Het is een wondermooi mysterie.”

De boeken zijn geschreven in dialoogvorm. Het zijn vragen uit de zaal en Parsons reacties daarop, tijdens spreekbeurten bijvoorbeeld in Amsterdam of  Berlijn.
Bijvoorbeeld deze: “Hoe komt het dat we allemaal betrokken zijn bij dezelfde droom?” In zijn antwoord zegt Parsons dat we niet dezelfde droom hebben, dat is het wonderbaarlijke, elke verschijningsvorm beschouwt ‘de muur’ als zijn unieke muur. Niemand anders in dit schijnbare bestaan ziet die muur zoals jij hem ziet. Die specifieke muur is jouw uitnodiging. Het is niet in woorden uit te leggen, meent Parsons. Wij zijn goden die rondlopen in onze eigen schepping, gelovend dat we afgescheiden mensen zijn. En als er een gevoel van afscheiding is, is er meteen ook tijdsbesef, een beweging ergens naar toe. Als je denkt dat wat je zoekt daar is, ontwijk je wat is. Je vermijdt het, want dit kan het toch zeker niet zijn? Alleen maar dit? Zo zit dat spel in elkaar.


Goden die hun eigen wereld scheppen dus. Onwillekeurig denk ik aan de overledene in de godenwereld, een van de zes bestaansrijken genoemd in het Bardo Thödol. Op het sterfmoment heeft hij de kans gehad de eenheid te herkennen, maar is daar op de een of andere manier niet in geslaagd. En nu is hij in de bardo van dharmata beland, waar de absolute energie van het heldere licht uiteenvalt en de dualiteit haar intrede doet. De zes bestaanwerelden zijn verschenen en de overledene heeft zich laten verlokken tot een wedergeboorte in de godenwereld. Niet geheel onprettig natuurlijk, maar toch weer gevangen in de kringloop van samsara.

Parsons metafoor, wij als goden in een eigen schepping, laat zien dat de valkuilen in leven en dood eigenlijk steeds dezelfde zijn. In plaats van in te zetten op het herkennen van de eenheid, creëren we onze eigen schijnwereld vol oppervlakkige afleiding. Uit gemakzucht, uit gewoonte, voor de gezelligheid. Maar vooral voor de illusie van veiligheid.

 
 
bron:
Tony Parsons
Niemand daar; Dialogen
Samsara Uitgeverij, 2004

zondag 10 maart 2024

Tulku's

In de documentaire Unmistaken Child (2008) speurt Tenzin Gopa, met behulp van wat vage aanwijzingen, jarenlang naar de reïncarnatie van zijn overleden meester. Uiteindelijk heeft hij succes en zijn ‘vondst’ wordt ook erkend door de dalai lama. Persoonlijk ben ik niet helemaal overtuigd, maar ik zou het graag willen geloven allemaal.

In 1994 was er Living Buddha van Clemens Kuby, met een soortgelijke zoektocht, namelijk naar de 17e Karmapa. In het boek bij deze film staan interessante  interviews met de dalai lama, waarin hij meer vertelt over de tradities en methoden bij het vinden van een tulku (iemand die vrijwillig geboren wordt). Zo zijn er bepaalde meditaties, waarbij in de vlam van een boterlamp gekeken wordt. Richting en kleur van de vlam kunnen dan een indicatie geven. Of soms is er na het overlijden een brief waarin staat: Ik word in die en die plaats geboren en de ouders heten zus en zo. Ervaren lama’s of mensen die gevorderd zijn in meditatie hebben vaak visioenen die aanwijzingen geven over een reïncarnatie. In het geval van de Karmapa had de dalai lama juist rond die tijd een droom gehad over de plaats en streek waar die geboren was. Er zijn ook mensen, vooral kleine kinderen, die duidelijke uitspraken doen over vorige levens. Dat is een heel belangrijke aanwijzing. Als de nieuwe fysieke structuur nog heel jong of zwak is, werkt de invloed van het vorige leven nog sterk door. In die tijd is het gemakkelijker je ervaringen uit het vorige leven te herinneren. Op grond daarvan worden bepaalde tests gedaan met voorwerpen van toen.

bron afb: still
 
Kuby denkt dat er velen zullen zijn die bijvoorbeeld de echtheid van zo’n brief in twijfel trekken, en menen dat iemand gewoon naar voren wordt geschoven en opgeleid. Zelfs veel boeddhisten denken dat. Maar volgens de dalai lama is dat dan eerder een politieke en persoonlijke kwestie. Het komt inderdaad wel eens voor dat de erkenning van een tulku gebeurt uit wereldse berekening of verlangen naar maatschappelijke status, zonder dat de geestelijke capaciteiten aanwezig zijn. De titel tulku wordt dan misbruikt als statussymbool om het aanzien en de erfenis van een gestorven meester binnen te halen.

Normaal gesproken krijgt de dalai lama informatie en ondervraagt vervolgens de betrokkenen en de kandidaat. Hij doet onderzoek, waarbij er rationele overwegingen zijn, maar ook methoden met meer intuïtie. Hij vraagt eventueel anderen die ervaring hebben om hulp, inclusief een orakel. Als de aanwijzingen positief zijn, is zijn conclusie dat de keuze in orde is. Kuby vraagt of dat orakel een waarheid kan verkondigen die boven geboorte en dood uitgaat? Volgens de dalai lama is dat mogelijk, als het een betrouwbaar en echt orakel is. En ook de geesten, maar dat hangt van hun spirituele ontwikkeling af. Geesten zijn als menselijke wezens, vele zijn spiritueel hoog ontwikkeld, andere niet. Vele hebben een diepe kennis, andere minder.

Ook onder tulku’s bestaan verschillen wat hun geestelijke capaciteiten betreft. Behalve degenen die uit vrije wil (weer) een lichaam aannemen, zijn er ook die zo’n hoog stadium van ontwikkeling hebben bereikt, dat ze niet slechts één enkele levensvorm kunnen kiezen, maar tegelijkertijd meerdere verschijningsvormen (emanaties) kunnen aannemen. Soms zijn er meerdere kandidaten, of meerdere incarnaties, bijvoorbeeld vijf. Die worden de manifestatie van het lichaam, van de spraak, van de geest, van de kwaliteit en van de activiteit genoemd. Er kunnen dus verschillende vormen van manifestatie bestaan. Dat hangt van het individu af, van de incarnatie. Natuurlijk kan er officieel maar één erkend worden. Er kan iets zijn dat ze verbindt, maar soms is hun relatie tot elkaar toch niet positief, al komen ze uit dezelfde bron voort. Dat kan ook gebeuren. Misschien is er dan een diepere, geheimzinnige betekenis, de dalai lama heeft geen idee. Soms ook brengt de dood van de ene emanatie ook de dood van de andere teweeg. Een tulku die volgens de Tibetaanse traditie herkend is, hoeft ook niet altijd de voortzetting van dezelfde persoon te zijn. Het kan bijvoorbeeld ook een vriend van een gestorven meester zijn, die de capaciteiten heeft om diens werk voort te zetten, en als reïncarnatie van de meester deze taak overneemt. Hij neemt dan het lichaam aan dat als de reïncarnatie van de meester wordt erkend.

De belangrijkste taak van een incarnatie is het werk van de voorganger voort te zetten, en alle verplichtingen te vervullen die zijn voorganger is aangegaan. Opvoeding en training zijn belangrijk, er moet voldoende tijd en gelegenheid zijn voor studie en meditatie, onderricht, initiaties en retraite. 



 
Bron:
Living Buddha
Clemens Kuby en Ulli Olvedi
Osho  Publikaties, 1995

donderdag 11 mei 2023

Duncan Trussell en Tenzin Wangyal Rinpoche

The Duncan Trussell Family Hour (DTFH) is een prettig gestoorde podcastserie, met vaak interessante interviews. Op 5 november vorig jaar bijvoorbeeld was Tenzin Wangyal Rinpoche er te gast. Zijn bijzondere boek over droomyoga, De werkelijkheid van slapen en dromen, kwam HIER en HIER al eens ter sprake. Met zijn onderricht benadrukt Tenzin Wangyal de overeenkomsten tussen slapen/dromen en sterven/bardo’s, en hoe je die kunt gebruiken als voorbereiding op de bardo ervaringen tijdens en na het sterfmoment.
 

In de podcast vertelt Tenzin Wangyal Rinpoche terloops dat zijn boek onlangs opnieuw is uitgebracht, in een herziene versie. Helaas vraagt presentator Duncan Trussell hem niet wat er dan aan veranderd is. Verder is het een interessant en soms grappig interview, dat het belang van droomyoga weer eens onder de aandacht  brengt. En natuurlijk doet Trussell dat op zijn eigen (ontregelende) wijze. Het gesprek lijkt vaak alle kanten op te gaan, maar door zijn enorme interesse en gedrevenheid komt er meestal toch iets zinnigs uitrollen. Hij vertelt Tenzin Wangyal dat hij in zijn jonge jaren behoorlijk gefascineerd was door het bekende boek van Robert Monroe over astrale projecties. Duncan ondernam allerlei pogingen om zelf tot een uittreding te komen, wat uiteindelijk ook lukte (onder invloed van drugs, dat wel). Helaas waren het voor hem zeer onprettige ervaringen. In een latere fase van zijn leven vergeleek hij de beschreven gebeurtenissen in Monroe’s boek met lucide dromen.

Het ‘droomonderricht’ van Tenzin Wangyal Rinpoche is overigens niet iets nieuws van deze tijd, er is bijvoorbeeld al sprake van in de inspiratiebeden, die deel uitmaken van de verzameling termateksten die verbonden zijn met de Bardo Thödol. De inspiratiebeden zijn geen gebeden tot een godheid (buiten ons) gericht, maar een manier om de geest te zuiveren en te richten en te inspireren. Lees bijvoorbeeld de goede voornemens maar eens in het tweede vers van De basisverzen van de zes bardo’s (hier in de vertaling* van Robert Thurman):

Nu de tussenstaat van de droom voor mij daagt,
zal ik het als een lijk in onwetendheid slapen opgeven,
en met herinnering zonder te zijn afgeleid de ervaring van de realiteit binnengaan.
Mezelf bewust van het dromen, zal ik de veranderingen als het heldere licht genieten.
Terwijl ik niet zonder herinnering slaap als een dier,
zal ik de beoefening koesteren van het mengen van slaap en realisaties!

Daar is toch geen woord Frans bij.

 

 
*Robert A.F. Thurman
  Het Tibetaanse Dodenboek
  Altamira-Becht, tweede druk 2006

donderdag 16 maart 2023

Janwillem van de Wetering: Death for Dummies

Janwillem van de Wetering (1931-2008) was een veelzijdig man. Misschien ken je hem (nog) van zijn politieromans of zenboeken. In 2021 verscheen een biografie door Marjan Beijering. In het slothoofdstuk  vertelt ze hoe Van de Wetering in zijn laatste jaren heeft gewerkt aan een boek over sterven en de dood: Death for Dummies (later Dying for Dummies). Dat boek zou ik natuurlijk heel graag willen lezen, maar helaas is het niet afgemaakt of gepubliceerd. Misschien was dat ook helemaal niet Janwillems bedoeling, en schreef hij het gewoon voor zichzelf (zoals ik dit blog voor mijzelf maak). 
 
 
Waarschijnlijk begon Van de Wetering rond 2003 na te denken over Death for Dummies. In die periode werd hij veel met ziekte en dood in zijn omgeving geconfronteerd, en ook hijzelf werd ernstig ziek. Alle vragen over zingeving werden extra actueel door de ervaring dat (ook) zijn leven eindig was. Hij moest de dood nu serieus onder ogen zien. Zou hij na zijn overlijden inderdaad terechtkomen in een andere sfeer? Wat als hij terug moest keren naar de aarde? Hij wilde weten wat er na zijn dood zou gebeuren. Er is nog flink gelachen om de titel. Dat was zijn manier om met de dood (een favoriet onderwerp) om te gaan. Vrienden zeggen nu: 'Hij scheen een idee te hebben over wat er zou gebeuren als hij daar eenmaal zou zijn'. Maar misschien toch niet. In het  interview To Infinity and Beyond (2004), uitgezonden door de BOS, heeft Van de Wetering namelijk zo zijn twijfels: “Ik zit nu in het laatste vakje. Ik heb altijd gedacht er komt nog van alles. Of het nu leuker wordt of niet leuker, het is in ieder geval geheel anders. Een heel ander soort ervaring.” En zijn eerste reactie op de dood: “Hé leuk! Reizen! Wie weet wat er allemaal gaat gebeuren” (hij hoopt trompet te spelen), zwakt hij af met: “Maakt me toch een beetje bibberig. Je stapt wel ergens in waar je geen verstand van hebt. Het lijkt me enig, maar je weet het nooit”. Ondanks de laconieke houding, was hij wel degelijk bang. Met Death for Dummies probeerde hij zijn angst in woorden te vatten, een soort handleiding 'hoe te sterven', geïnspireerd op het grafschrift van Marcel Duchamp (‘Trouwens, het zijn altijd de anderen die sterven’). Toen hij in 2006 en 2007 nog zieker werd, sloeg de paniek toe. Zijn vertrouwensman in die tijd was een ex-priester.
 

Tussen januari 2007 en juli 2008 werd er intensief gewerkt aan Death for Dummies en Dying for Dummies. Een niet zo heel dik boek (samen nog geen 40.000 woorden) maar waarschijnlijk heeft Janwillem er veel over nagedacht en lang aan gewerkt. In beide versies (geschreven in het Engels) onderzoekt hij zijn leven vanuit het perspectief van de naderende dood. Het lijkt alsof de stukken geschreven zijn als een stroom van gedachten en herinneringen. De eerste versie, Death for Dummies, was gebaseerd op citaten en verhalen die Van de Wetering hoorde door ontmoetingen met mensen. Die waren voor hem belangrijker dan geschriften. Religie vond hij vaak iets dat mensen (kennelijk) nodig hebben om met moeilijke dingen om te kunnen gaan. Tijdens een spiritistische seance vroeger bij hem thuis, was ooit de geest van een Delftse medestudent verschenen in de vorm van een engel, ‘want dat beeld herkennen de mensen’. Er zijn veel verwijzingen naar sjamanistische wijsheden en de native Americans, maar de oosterse boeken leerden hem niets over de dood.

Het tweede manuscript, Dying for Dummies, is veel uitgebreider en ingedeeld zoals de bardo’s. Het eerste stadium beschrijft het leven en vormt het grootste deel van het verhaal. In Zuivere Leegte (2000) verbindt Van de Wetering de bardo-ervaringen met de sadgoeroe. De lessen van zijn zenmeester Oda Sesso blijken waardevol: alle gebeurtenissen in een mensenleven zijn dromen, en de overgang naar de dood is dat ook. Maar je moet ook weer niet luchtig doen over de dood. Als jonge zenstudent overwoog Van de Wetering zelfmoord, omdat hij wilde weten wat erna zou komen. Hij was niet bang voor de dood, dacht hij, maar Oda Sesso leerde hem inzien dat hij er wel degelijk bang voor was. En dat was helemaal niet erg, zelfs de Dalai Lama gaf toe dat hij bang was voor de dood. Een open, nieuwsgierige houding is de beste manier om doodsangst tegemoet te treden. Verandering hoort nu eenmaal bij het leven; geboorte en dood zijn een voortdurende beweging. Stilstaan is geen optie. Hoewel Van de Wetering afstand had genomen van het boeddhisme, staat de Hartsoetra centraal in zijn verhaal: niets bestaat op zichzelf en alles wat we waarnemen is een product van onze geest.
 
Het manuscript van Dying for Dummies eindigt abrupt. Op 4 juli 2008 is Janwillem van de Wetering overleden. Hij heeft niet tot het einde toe willen wachten op de dood. Na zijn laatste dagen in een ziekenhuisbed, luisterend naar jazz cd’s, afscheid, morfine, weggegleden in zijn slaap. In de Volkskrant stond een mooi afscheidsgedicht, een dag na zijn dood geschreven door zijn vriend Leo Vroman.

[fragment] 
 
'nu je nog maar een beetje 
dood bent vraag ik mij levend af: 
Ben je al tevreden? Weet je 
nu meer dan je eergisteren wist?'
 

 

Voornaamste bron: 
Marjan Beijering 
Op zoek naar het ongerijmde; 
Leven en werk van Janwillem van de Wetering 
Asoka, 2021

maandag 23 mei 2022

Boerenstoïcisme

Gaan overleden kinderen rechtstreeks naar de hemel? Hebben ze een speciale status in een eventueel hiernamaals? Worden ze daar alsnog ouder? Er zijn veel mensen die zich dit soort dingen afvragen, zoals we al zagen in de vorige blogpost. Ook in de literatuur kom je dergelijke onderwerpen regelmatig tegen. Zoals redelijk recent nog bij George Saunders met Lincoln in de bardo (2017), maar bijvoorbeeld ook al in de Russische klassieker De gebroeders Karamazov (1880), de laatste roman van Fjodor Dostojevski. In een van de eerste hoofdstukken lezen we hoe een wanhopige boerenvrouw wordt getroost door een wat oudere priestermonnik. Zij rouwt om het verlies van haar zoontje van twee, en om haar andere drie kinderen die al eerder waren overleden. 

De monnik vertelt haar dat alle kleintjes in de hemel zijn, en ondeugend van alles doen wat niemand anders zou durven voor Gods troon. Ze spreken hem aan en stellen brutale vragen. Waarom hij hun eerst het leven schenkt bijvoorbeeld, en dat dan heel snel weer afneemt. God geeft ze daarom vlug de rang van engel. Het vrouwtje moet dus niet huilen, maar juist blij zijn. Haar jongetje is nu bij God in het engelenkoor, en hij kijkt vanuit de hemel naar haar en hij maakt God opmerkzaam op haar tranen. Zij moet zijn zaligheid dus niet verstoren, hij is immers in leven? De ziel leeft eeuwig, en al is het kind niet bij haar thuis, hij bevindt zich onzichtbaar aan haar zijde en zorgt ervoor dat ze zoete dromen krijgt.


Waarschijnlijk troost Dostojevski hier vooral ook zichzelf. Want net als deze eenvoudige vrouw, rouwt ook hij om een verloren zoon. Aleksej (Aljosja), zijn favoriet, was kort ervoor overleden. Een heel droevige periode voor Dostojevski, die uiteindelijk naar een klooster reisde voor troost en goede raad, die hij vervolgens verwerkt heeft in deze roman (die eigenlijk over kinderen en kindertijd had moeten gaan). Dostojevski hunkerde naar geloof, maar hij kon niet accepteren dat de dood van kleine kinderen deel uitmaakte van het goddelijk plan. Heel zijn leven, en in al zijn werk worstelde hij met de vraag: hoe kun je in God geloven wanneer de door hem geschapen wereld zo vol lijden is? Hoe kon God een land als Rusland gemaakt hebben?

Het fragment met de getrooste vrouw voert ons mee naar de kern van het Russische (boeren)geloof. Boeren en andere lijfeigenen waren juist door dat lijden beter in staat om met de dood om te gaan. Zij waren er (schijnbaar) niet bang voor, de dood zou immers een bevrijding betekenen. In het hiernamaals (het ‘koninkrijk van vrijheid’) zouden ze beloond worden voor al het lijden, en hun voorouders terugzien. Een eenvoudig geloof stelde hen in staat de dood recht in de ogen te kijken, en ook een stervende veel beter te helpen dan bijvoorbeeld een priester. Deze onbevreesde houding van de boer ten opzichte van de dood kom je vaak tegen in de 19e eeuwse Russische literatuur, schrijvers zoals Dostojevski benijdden hen, maar vonden er ook bemoediging in. Dat ‘de zielen van kleine kinderen regelrecht naar de hemel gaan’ moet voor hem een bijzonder troostrijke gedachte zijn geweest.

Maar anderen zagen deze berusting, dit boerenfatalisme, meer als een vorm van noodzakelijke mentale zelfverdediging. De dood was zo’n dagelijks onderdeel van het boerenleven (de helft van alle kinderen overleed voor het vijfde levensjaar), dat hij zich wel moest harden om met het verdriet om te gaan. Geen emoties tonen, ‘een mond minder te voeden’, en zelfs infanticide als het zo uitkwam.

 
 
 
Voornaamste bron: 
Natasja’s dans 
Rainbow 2022 
Orlando Figes

vrijdag 8 januari 2021

Poppenkast kijken

De hemel van… Esther Gerritsen
 
(De hemel van… Afl.15)

Schrijver Esther Gerritsen (1972) werd in het VPRO programma Nooit meer slapen geïnterviewd door Pieter van der Wielen. Vorig jaar verscheen haar roman De terugkeer, een coldcaseverhaal over de macht van herinneringen. De gedachte dat de gestorvenen doorleven na de dood, speelt in dit boek een belangrijke rol.

Gerrit, de depressieve vader van de hoofdpersoon, zou zelfmoord gepleegd hebben. Maar is dat wel zo? Zijn dochter Jennie vraagt zich jaren later van alles af over zijn dood. Gerrit heeft de antwoorden op haar vragen, maar niemand hoort de doden. Hij kijkt vanuit het hiernamaals toe op het leven van zijn dierbaren, opgelucht en onthecht. Hij maakt geen deel meer uit van het gedoe, hij is eindelijk gelukkig. 
 
Het plaatje dat Esther Gerritsen heeft van een eventueel hiernamaals, is sterk beïnvloed door haar katholieke opvoeding. Als klein meisje was dat heel kinderlijk. Bij het avondgebedje werd iedereen in de hemel de groeten gedaan, opa, de geit, het konijn. Aan religie heeft ze een tijdje niks gedaan, maar is het later toch weer actief gaan beleven. Hoewel Esther het eigenlijk onzin vindt, houdt ze er stiekem aan vast. Ze gaat nu regelmatig naar de kerk, maar doet dat tegenover vrienden af als “research” voor haar boeken. 
 
Gerritsen droomt vaak van mensen die ze ooit gekend heeft, maar nu overleden zijn. Die komen soms jarenlang terug, en het worden er steeds meer naarmate ze ouder wordt. Naar een mogelijk naleven verlangt ze niet persé, maar is vooral erg nieuwsgierig. Daarom hoopt ze niet te sterven in haar slaap, want dan gaat dat misschien ongemerkt, hoewel ze vermoedt dat zoiets in je slaap of droom ook wel doorkomt. Maar natuurlijk kan het ook zo zijn dat het licht uitgaat, en klaar. 
 
Maar het is wel erg leuk natuurlijk om er in te geloven dat er hierna iets anders komt. Je kunt net zoveel rare hemels verzinnen als je wilt, waarom niet? Bijvoorbeeld een hemel waarin je iedereen terugziet, of een waarin je terugkeert als heel iemand anders, of een hemel waarin je verlost bent van je nare eigenschappen, of een waarin je eindelijk alles helder ziet. Misschien zelfs een hemel met de ultieme verlossing. Dat is een fijne fantasie! Eigenlijk is geloven ook voor een deel dat je je fantasie serieus neemt. Vooral het katholieke geloof is leuk, zoveel vreemde verhalen bij elkaar. 
 
Iedereen heeft (of krijgt) waarschijnlijk zijn eigen hiernamaals, dat hij naar eigen inzicht en hartenlust kan inrichten (of aantreffen). De helft krijgt dus een ongevraagd hiernamaals. Vader Gerrit in haar boek bijvoorbeeld, is enigszins gefrustreerd. Hij is een atheïst in de hemel, God is de gastheer. In de hemel zijn er diverse afdelingen. Op zijn afdeling kan Gerrit de mensen alleen zien, als ze aan hem denken. Dan praat hij tegen ze, maar ze horen hem niet. Hij kijkt toe vanuit het hiernamaals, zoals kinderen naar poppenkast kijken en Jan Klaassen iets toeroepen. Kijk uit!
 
 
Link: 
Het interview met Pieter van der Wielen vind je HIER.

zaterdag 5 september 2020

Bardo van wording: oordeel

Het is lijden en afzien voor de overledene in de bardo van wording. Eigen schuld, zegt het Bardo Thödol, want joúw karma. Mediteren op het Grote Zegel kun je kennelijk niet, en als je op dit punt ook nog eens verzuimt om te mediteren over je yidam of te bidden tot de drie juwelen, dan kun je Yama weer verwachten. De Heer van de Dood komt je oordelen. Al je goede daden worden met witte kiezelstenen uitgeteld, en alle slechte daden met zwarte kiezelstenen. Dat geeft veel spanning en zorgen en daarom lieg je: ik heb niet gezondigd! Tevergeefs, want Yama ziet in de spiegel van je karma al je zonden en verdiensten duidelijk verschijnen.

De dode beleeft Yama als een afzonderlijk wezen, maar in feite is hij het zelf die zich een spiegel voorhoudt. Een onbarmhartig moment met een genadeloze analyse. Om wanhopig van te worden. Je eigen onafgewerkte karma vertoont zich hier als een angstwekkend wezen, als een vlaag verwarrende gedachten, als agressie van binnenuit en van anderen. Het is een hel die je zelf geschapen hebt en waar je doorheen moet. Het stormt op je los en elke zonde, elke daad tégen de eenheid, keert zich nu tegen je.


Yama zal je aan een touw om je nek voortslepen, je hoofd afhakken, je hart en je ingewanden uitrukken, je hersenen oplikken, je bloed drinken, je vlees eten en aan je botten knagen. Gelukkig kun je niet doodgaan, dat ben je al, dus je zult toch steeds herstellen. Maar telkens opnieuw in stukken gehakt worden veroorzaakt wel ontzettend veel pijn. Lieg dus maar niet tegen Yama, en wees niet bang! En ook niet paniekerig als de witte steentjes geteld worden. Alles wat je nu waarneemt komt voort uit je eigen verwarde projecties. Je moet beseffen dat er niets anders bestaat dan je eigen hallucinaties. Herken ze op dit ogenblik allemaal als de bardo! Je hebt een mentaal lichaam, in feite is het de leegte zelf. Yama is ook een vorm van leegte. Leegte kan leegte niet schaden.

Dat is een prettige en diepzinnige geruststelling op het niveau van de niet-dualistische realiteit. Hier is vorm of materie leegte, en leegte vorm of materie. En alle dingen zijn wat ze zijn, enkel en alleen omdat jouw geoefende verbeelding ze als zodanig waarneemt. Alle ervaringen zijn als een droom, niet substantieel, en daarom kan een bevrijde persoon zijn omgeving en ervaringen gemakkelijk een nieuwe vorm geven. Doe dit ook nu al! Droom bewust, beoefen droomyoga. Als je bewust droomt, kun je de droom een nieuwe vorm van een betere situatie geven.

Het Bardo Thödol vervolgt hier (speciaal voor hen die niet weten hoe ze over het Grote Zegel moeten mediteren) met een korte extra instructie over het wezen en de ondeelbaarheid van leegte en helderheid. Het is een gedetailleerde uitleg over de trikaya, waaraan (door dharmakaya te splitsen) nog een vierde lichaam van boeddhaschap is toegevoegd: svabhavikakaya.

Kortom, alweer een uiterst moeilijke instructie in de verst gevorderde vorm van begrijpen en meditatie. Wat heeft dat op dit punt, voor deze angstige overledene voor zin? Het Bardo Thödol is echter van mening dat er altijd positieve kansen zijn, omdat het bewustzijn in de bardo zo radicaal wispelturig en veranderlijk is. De dode kan hier eventueel zomaar rechtstreeks naar de uiteindelijke feitelijkheid van zijn eigen realiteit omschakelen. Een spontane bevrijding! Dus: “twijfel niet en herken het. Je zult zeker een boeddha worden in de perfectie van de vier lichamen (kaya’s). Wees niet afgeleid! Dit is het punt waar boeddha’s en gewone wezens zich scheiden. Nu is het moment aangebroken dat wordt beschreven als ‘in één ogenblik volkomen vervreemd, in één ogenblik volmaakt verlicht’”.



Bronnen:
Francesca Fremantle en Chögyam Trungpa
Het Tibetaans Dodenboek
Servire, 1991

Robert A.F. Thurman
Het Tibetaanse Dodenboek
Altamira-Becht,  2006

Ilse Dorren
Tocht door twee werelden; Gids voor het Tibetaanse Dodenboek      
Mirananda, 1985