Posts tonen met het label Chögyam Trungpa. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Chögyam Trungpa. Alle posts tonen

zondag 25 augustus 2024

Zelfloosheid en gelukzaligheid

In het Bardo Thödol kun je lezen over Het Heldere Licht, dat verschijnt op jouw sterfmoment. Maar volgens de Tibetaans-boeddhistische literatuur zou je daar ook een flits van kunnen ervaren bij niezen, flauwvallen, slapen en seksuele gemeenschap. Dat komt, zo vertelt de dalai lama in de vorige blogpost, omdat je sterke zelfgevoel op deze speciale momenten een beetje minder sterk is. In verband met deze bereidheid onszelf te verliezen, noemt zijn gesprekspartner Joyce McDougall slapen en orgasme hier zelfs “veredelde vormen van sterven”.

Maar het omgekeerde kan ook nog. Realisatie van zelfloosheid kan leiden tot ‘orgastische gelukzaligheid’, schrijft Robert Thurman in een voetnoot bij een van de Gebeden voor de tussenstaat in zijn Tibetaanse Dodenboek. (Om precies te zijn, bij een van de verzen van Het gebed om verlossing van de engten van de tussenstaat:)

Als ik in het cyclische bestaan ronddool, voortgedreven door krachtige instincten,
mogen de Heldhaftige Wetenschappers me leiden op het pad van het heldere licht van orgastische wijsheid!
Mag hun beste groep van partner-engelen me in de rug steunen,
me van de gevaarlijke engten van de tussenstaat verlossen
en me naar het volmaakte Boeddhaschap leiden!


Thurman heeft een nogal eigenzinnige en uitbundige manier van vertalen, die ik steeds meer ga waarderen. In zijn voetnoot legt hij eerst uit waarom hij de Sanskrietterm Vidyadhara (letterlijk ‘kennishouder’) in dit geval vertaalt als Heldhaftige Wetenschapper.  De term verwijst naar de wetenschappers van de geest van het oude India en Tibet, zegt hij. Ze dragen geen witte jassen en hun laboratoria bevinden zich in de innerlijke werelden, alleen toegankelijk door het beheersen van de geest en de mentale factoren. Toch zijn ze de wezenlijke wetenschappers van die niet-materialistische beschaving geweest.

Vervolgens over het Tibetaanse lhan skyes (Sanskriet: sahaja), dat letterlijk betekent ‘geproduceerd door verbinding’. Thurman vertaalt het als ‘orgasme’ of (bijvoeglijk) ‘orgastisch’, terwijl het vaker wordt vertaald als ‘aangeboren’ of ‘natuurlijk’. Maar deze termen vindt hij te algemeen, omdat het specifiek verwijst naar die grote gelukzaligheid van het smelten van zelf-gewoonten die uit de realisatie van zelfloosheid voortkomt en die een gelukzaligheid is waarvoor de wereldlijke metafoor de seksuele gelukzaligheid is. De term ‘orgastisch’ mag in eerste instantie dan misschien schokken, ze is een schot in de roos voor deze totale, orgastische gelukzaligheid die het gewone leven en dood volkomen overstijgen door de onvoorstelbare wijsheid van zelfloosheid.

Hier hetzelfde vers nog eens, maar in de vertaling van Chögyam Trungpa:

Wanneer ik gedreven door sterke onbewuste neigingen voortga in samsara,
Op het stralend lichtend pad van de ingeboren wijsheid,
Mogen de vidyadhara-krijgers voor mij uit gaan,
Hun gezellinnen, de schare van dakini’s, achter mij komen;
Helpt mij het gevaarvolle pad van de bardo te gaan,
En leidt mij naar de volmaakte Boeddhastaat.

Robert Thurman vindt de Gebeden ontzettend belangrijk. Volgens hem vormen ze de ruggengraat van het Bardo Thödol, het kernprogramma van het gehele proces. Er wordt doorheen heel het Bardo Thödol regelmatig aan gerefereerd. De verzen worden (als onderdeel van de tekst) gereciteerd voor de overledene in de bardo. Of, beter nog, tijdens leven alvast uit het hoofd geleerd.

Dit gebed (om verlossing van de engten van de tussenstaat) volgt de volgorde van de ervaringen in de tussenstaat van de realiteit (bardo van dharmata), door te bidden dat alle elementen van het gewone bestaan (hier gepersonifieerd als boeddhavormen en wijsheidwezens) veranderen in onderdelen van de bevrijding (transformatie van de vijf vergiften).

 
 
bronnen:
Robert A.F. Thurman
Het Tibetaanse Dodenboek
Altamira-Becht 2006, 2e druk
 
Francesca Fremantle en Chögyam Trungpa
Het Tibetaans Dodenboek
Servire 1991

maandag 14 november 2022

De ontwikkeling van de vijf skandha’s

In het Bardo Thödol heb je de beeldspraak van een kind dat zijn moeder weer ontmoet en herkent. Erg mooi vind ik dat. Het kind is in dit geval de overledene voor wie het Heldere Licht (de Moeder) een ogenblik straalt. Het is zijn kans op bevrijding, het ondeelbaar oplossen in de essentie, de Eenheid. En in feite het einde van een langlopend tragisch misverstand, want die lange reeks pijnlijke reïncarnaties was helemaal niet nodig geweest. Het is het gevolg van een foute mindset van onze verwarde geest, die gelooft in dualiteit, zelf en ego. Wij zien onszelf als een vast en blijvend iets, maar zijn slechts een verzameling neigingen: de vijf skandha’s. 
 
De ontwikkeling daarvan wordt door Chögyam Trungpa Rinpoche in een van zijn boeken* heel mooi uitgelegd. Hij laat zien hoe de open ruimte, intelligentie en eenheid die wij werkelijk zijn, transformeert tot misvattingen en het ontstaan van onwetendheid. Onze ‘dans’ in de open ruimte wordt veel te wild en energiek, waardoor wij zelfbewust worden. De openheid zien we niet langer meer, we hebben alles massief gemaakt. We nemen de ruimte waar als vast en zien onszelf apart van alles. Dit is de eerste skandha, het creëren van Onwetendheid Vorm. Hierover ging een vorige blogpost.
 

De eerste skandha heeft drie stadia. In zijn boek maakt Trungpa de vergelijking met een woestijn, een volledig open vlakte (de open ruimte die wij zijn), waar een van de zandkorrels ineens gaat rondkijken en tot de foute conclusie komt dat hij iets aparts is. Het begin van dualiteit, de ‘geboorte van onwetendheid’, stadium één.

Het tweede stadium van Onwetendheid Vorm wordt ‘van binnen geboren onwetendheid’ genoemd. Je staat apart, een individuele zandkorrel, en dat is altijd al zo geweest. Denk je. Zelfbewust ben je, maar niet erg op je gemak. Daarom probeer je een schuilplaats voor jezelf te creëren. Je bent verward en staat alleen. Je ziet jezelf los van het elementaire landschap van ruimte en openheid.

Het derde stadium heet ‘zichzelf-observerende onwetendheid’. Je loert zo’n beetje naar jezelf, als een ding buiten jezelf, en dit leidt tot een eerste besef van ‘het andere’. Je gaat je nu bezig houden met een zogenaamde ‘buiten’-wereld, en begint de wereld van vormen te creëren. En in plaats van gewoon te zien wat is, reageer je alleen nog maar op je projecties. Er is helemaal geen situatie van ‘laten zijn’, je negeert voortdurend wat je bent. Dit is onwetendheid.

De tweede skandha is Gevoel, het verdedigingsmechanisme dat wordt opgezet om onze onwetendheid te beschermen. We beginnen ons naar buiten te richten en de kwaliteiten van ‘het andere’ te voelen. Hierdoor stellen we onszelf gerust dat we bestaan, want als ik dat daar kan voelen, dan moet ik hier wel zijn.

De derde skandha, Waarneming-Impuls, moet ego nog wat steviger in het zadel helpen. We raken gefascineerd door onze eigen schepping, die we geleidelijk gaan verkennen. En per situatie vormen we ons een oordeel, voor of tegen of onverschillig. Dit zijn de drie soorten impulsen: haat, verlangen, domheid.

De vierde skandha is Begrip. Je gaat de dingen benoemen en in categorieën indelen. Etiketjes plakken.

Bij de vijfde skandha, Bewustzijn, vindt een samensmelting plaats. Intuïtieve intelligentie (tweede skandha), energie (derde) en intellectualisering (vierde) worden gecombineerd om gedachten en emoties voort te brengen. Op dit niveau vinden we, naast oncontroleerbare en onlogische patronen van ronddwalende gedachten, ook de Zes Rijken.

Dit is het volledige beeld van ego. Als we overlijden vallen alle bestanddelen van ons lichaam en onze geest uiteen en lossen op. Alles wat de verlichte geest tijdens het leven heeft verduisterd valt weg en er is niets meer dat onze ware natuur verhult.

 

*Bron: 
Spiritueel materialisme doorsnijden 
Chögyam Trungpa 
Servire, tweede druk 1999

dinsdag 25 oktober 2022

Het ontstaan van zelf-bewustzijn en dualiteit

Reïncarnatie lijkt een eindeloze keten opeenvolgende wedergeboorten te zijn. Er is continuïteit van bewustzijn, maar hoe is dat dan ontstaan? Dat was het onderwerp van een vorige blogpost. De oorsprong van bewustzijn is een bijzondere energie, het Heldere Licht, dat ook een ogenblik straalt op het moment van sterven. Een krachtige gelegenheid tot bevrijding, want als je dit Heldere Licht herkent, zul je er (weer) ondeelbaar mee verenigd worden.

Maar helaas, waarschijnlijk zul je opnieuw afglijden naar een volgende wedergeboorte. Want op dit uiterst belangrijke moment, als de oorspronkelijke grond van onze absolute natuur zich openbaart, zullen de meesten van ons het zuivere heldere licht van de realiteit (dharmata) niet herkennen. Onze verwarde geest namelijk, is geneigd zichzelf te zien als een vast en blijvend iets, terwijl hij toch alleen maar bestaat uit een verzameling neigingen: de Vijf Skandha’s (opeenhopingen). Wij zien niet wat we werkelijk zijn, wij leven in een vergissing. In plaats van de open ruimte en vrijheid, de elementaire grond, onze meest fundamentele staat van geest, was er een imaginaire ontwikkeling, het geloof in een ‘zelf’ of ‘ego’.

Hoe kon dit gebeuren? Hier begeven wij ons op nogal vaag terrein, maar in een van zijn boeken* legt Chögyam Trungpa de ontwikkeling van de Vijf Skandha’s heel mooi uit. Je ziet het bijna voor je. Hij vergelijkt de open ruimte met een ruime hal waar genoeg plaats is om te dansen. Er is geen enkel gevaar dat je er dingen omverloopt of ergens over struikelt, het is een volledig open ruimte. En (heel mooi) wij zijn die ruimte, we zijn er één mee. En ook met de daaraan verbonden Vidya, dat is oorspronkelijke intelligentie. Het is precisie en scherpte, scherpte verbonden met ruimte, scherpte met de mogelijkheid er dingen in te plaatsen en te wisselen.
 
 
Maar als we dat de hele tijd al waren, waar kwam de verwarring dan vandaan? Waar is de ruimte gebleven, wat is er gebeurd? In feite niets, zegt Trungpa, we zijn alleen veel te actief geworden in die ruimte. Die is zo wijds, dat inspireert ons om er in rond te dansen. Uiteindelijk zelfs een beetje te wild, we begonnen meer rond te tollen dan nodig was om de ruimte te laten uitkomen. Op dat moment werden we zelf-bewust, bewust dat ‘ik’ aan het dansen ben in de ruimte. En dan is de ruimte niet langer ruimte, want die wordt vast. Vaste ruimtelijkheid, die wij beleven als iets tastbaars, een vast apart ding. We zijn er niet langer één mee. Het is nu de ruimte en ik, ik dans in deze ruimte. Dat is de eerste ervaring van dualiteit. Dualiteit betekent hier ‘de ruimte en ik’, niet langer volledig één zijn met de ruimte. Hier ontstaat ‘vorm’, ‘het andere’.

Dan volgt er een soort pauze, een plotselinge stilstand. Chögyam Trungpa noemt het bewusteloosheid, in de zin dat we vergeten wat we aan het doen zijn. We draaien ons om en ‘ontdekken’ de vaste ruimte (die we nota bene zelf gecreëerd hebben) of we hem voor het eerst zien. We worden er door overweldigd en raken er in verloren. Er valt een gat (bewusteloosheid). En als we dan plotseling weer wakker worden, negeren we volledig de vloeiende luchtigheid van de ruimte. We weigeren haar openheid te zien. We zijn er niet tevreden mee alleen in de ruimte te dansen, maar we willen een partner hebben. De ruimte is onze partner, vinden wij. Wij willen haar bezitten en vastmaken. Vidya is statisch geworden. De verregaande intelligentie is veranderd in het waarnemen van vaste ruimte. En dat heet avidya, a-vidya, dus on-intelligentie oftewel ‘onwetendheid’. Dit is het hoogte punt van de Eerste Skandha, het creëren van Onwetendheid Vorm.

In een volgende blogpost meer over de Vijf Skandha’s.

 

*Bron: 
Spiritueel materialisme doorsnijden 
Chögyam Trungpa 
Servire, tweede druk 1999
 

zondag 6 juni 2021

De dood in het leven van alledag

Bron afb. sigmund.nl
 
Onzekerheid, onduidelijkheid en veranderingen, ik houd er óók niet van en probeer het zoveel mogelijk te vermijden. Maar je moet je leven ook weer niet kapot-regelen, alles zo strak organiseren dat alle leven(digheid) eruit geperst wordt.

In een van haar boeken noemt de Amerikaanse boeddhistisch leraar Pema Chödrön (of eigenlijk haar leraar Chögyam Trungpa) dit ‘de dood in het leven van alledag’. Zij bedoelt hiermee alle ervaringen die we niet willen. Ons slechte huwelijk, die onbevredigende baan, alle vormen van teleurstelling en dingen die niet lukken. En alles wat maar voortdurend verandert. Het zijn de zaken die wij proberen te ontwijken en te ontkennen. We weren alles af wat naar problemen neigt.We hebben het prima voor elkaar, denken we, en willen dat vooral zo houden. Een goed leven en alles klopt. We mediteren en sporten genoeg, en eten gezond. Alles op een rijtje, het is klaar, er mag niets veranderen. We zijn gelukkig, dit is leven.

Maar in feite is dit een dood. Hier stroomt geen frisse lucht en energie meer door. Er is geen ruimte om dingen binnen te laten die alles ontregelen. Door de ervaring te beheersen of zelfs af te wijzen, wordt het moment vermoord. De dood, dat is vast willen houden aan wat je hebt, en ervoor zorgen dat iedere beleving jou bevestigt en het gevoel van perfectie geeft. Natuurlijk gaan we hierin falen, want vroeg of laat komt er een ervaring die we niet kunnen beheersen. Er gebeurt totaal onverwacht iets ongemakkelijks, of echt heel naars. De essentie van het leven is de uitdaging, soms zoet, soms bitter. Elk moment als helemaal nieuw en fris ervaren, volkomen bewust zijn.

Al onze bezorgdheid en teleurstellingen zijn geworteld in onze angst voor de dood. Die angst is, op de achtergrond, altijd aanwezig. Het afweren van de dood is onze voornaamste motivatie. Ontkennen dat het natuurlijk is dat de tijd verstrijkt en dingen veranderen. Oud worden, ziek worden, datgene verliezen waar we van houden. Als we aan de dood herinnerd worden raken we in paniek.

In het boeddhisme is er de leer over de krachten van Mara. Hierin wordt de aard van hindernissen beschreven, en de manier waarop mensen meestal in de war raken en proberen te ontlopen wat er gebeurt. Mara wordt geassocieerd met dood, wedergeboorte en verlangen. Hij is datgene wat de mensen in samsara houdt, hun bevrijding blokkeert. De optelsom van al het kwade (negatief karma), vergelijkbaar met de duivel.

De nacht waarin Boeddha verlicht zou worden, zat hij onder een boom. Daar werd hij aangevallen door de krachten van Mara. Boeddha werd bestookt met pijlen, maar die veranderden van wapens in bloemen. Misschien wordt hiermee bedoeld dat de dingen die we gewoonlijk als hindernissen zien, niet werkelijk onze vijanden zijn, maar eerder onze vrienden. Manieren waarop de wereld en onze hele ervaring ons laten zien waar we vastzitten. Precies die feiten waar wij voor vluchten horen er óók bij, en kunnen ons juist vooruit helpen. Beleef het huidige moment ten volle, hoop niet langer op alternatieven, maar probeer serieus op je gemak te zijn met onzekerheid en paniek en met alle dingen die niet lukken. Weglopen voor de indringendheid van onze ervaring is als het ware de dood prefereren boven het leven. Ervaar je emoties, in plaats van ze te gebruiken om jezelf onwetend te houden. Geef de hoop op dat je ooit volmaakt zal worden.

Er zijn vier (metaforische) vormen van mara. De beschrijving ervan laat ons vier manieren zien waarop we, net als Boeddha, schijnbaar worden aangevallen. En hoe we proberen te ontlopen wat er gebeurt. Alle mara’s wijzen de weg naar een volledig bewuste en levende staat, die bereikt wordt door los te laten. Mara nummer vier is Mrtyu-mara, of Yama-mara, Mara als dood. Waarschijnlijk ontstaan alle mara’s uit doodsangst, maar toch vooral de Yama-mara. Het is angst voor de dood, die eigenlijk dus angst voor het leven is.

 

 
Voornaamste bron en inspiratie: 
Pema Chödrön 
Als je wereld instort 
Ten Have, 2008

dinsdag 16 maart 2021

Manifesteren

De wereld van de dualiteit is een kneedbare droom, en na de dood wordt dat nog wat makkelijker omdat de materiële bindingen zijn weggevallen. Voor de overledene in de laatste fase van de bardo van wording, komt er een moment dat hij een wedergeboorte zal moeten accepteren. Er zit niets anders op, hij heeft er kennelijk niets van begrepen. De instructies van het Bardo Thödol helpen hem hier een geschikte moederschoot te kiezen. Met gepaste intentie en de juiste inzet, en flink wat verbeeldingskracht en concentratie, is er veel mogelijk. Hij kan zijn wat hij maar wil! Of hij er nu in gelooft of niet.

Ik moest hier aan denken toen ik in een (toch serieuze) krant een artikel las over manifesteren, een hippe methode om zelf je ideale leven te creëren. Door je doelen duidelijk uit te denken, te formuleren en te visualiseren, zou je ze ook daadwerkelijk en snel kunnen bereiken. Op spirituele (vage) wijze: je zendt je intenties uit naar het universum en krijgt dat vervolgens terug.

Het lijkt wat op de boodschap van The Secret, een internationale bestseller uit 2006. Geluk en succes zou je zelf kunnen scheppen door middel van je gedachten. Het is vooral belangrijk de juiste wens te formuleren. Dat is een prettig idee. Zelf heb ik toch ook wel minstens een of twee sterke situaties meegemaakt, waarin ‘het hele universum samenspande’ om mij een zet in de goede richting te geven. Wensvervulling of orde? Hier viel alles precies op z’n plek.

Mensen hebben behoefte aan zingeving, en een behoefte om te geloven dat ze hun leven kunnen beheersen. In 1984 was er de zelfhulpbestseller Je kunt je leven helen van Louise Hay, met de positieve invloed van gedachten als thema. Onze ervaringen zijn de uiterlijke gevolgen van onze innerlijke gedachten, en die kies je zelf. Alles wat er buiten je gebeurt is een weerspiegeling van je innerlijk denken, jij hebt de controle.

En dat is ook het geval als je het driestappenplan van manifesteren volgt: 1. intentie (wat wil je bereiken), 2. doen of dit doel al bereikt is (om te voelen hoe dat is), 3. actie ondernemen. Of het ook werkt? Daar is geen enkel wetenschappelijk bewijs van bekend. Maar manifesteren kan wel degelijk effect hebben natuurlijk, want er gebeurt weer eens wat. En kansen zullen niet toenemen, maar wel sneller opgemerkt worden.

Boeddhistisch leraar Chögyam Trungpa (1939-1987) zou het waarschijnlijk niet gewaardeerd hebben. Allemaal afleiding van het NU, en we hebben toch al zo de neiging in de toekomst te leven. Door onze verwachting een ideaal doel te zullen realiseren, verkleurt onze kijk op het leven. Daardoor missen we de voordelen van het heden, wij zijn totaal in de ban van het geïdealiseerde doel. Typisch ego: toekomst- en resultaatgericht denken, met een wensdroom die zo nodig in de praktijk gebracht moet worden. Door dit doel te visualiseren en daar heel hard naar toe te werken, word je ongevoelig voor het moment van nu, je verblijft in de toekomst.*
 

 

*Chögyam Trungpa 
  Spiritueel materialisme doorsnijden 
  Servire 1999, tweede druk

zondag 24 januari 2021

De tekenen des doods

Van de stervende/overledene in de bardo van het ogenblik voor de dood, wordt wel enige parate kennis verwacht. Het is heel handig als hij al kennis heeft genomen van een bepaalde tekst (genoemd in de Bardo Thödol) waarin, naast een opsomming van de ‘tekenen des doods’, een overzicht wordt gegeven van voortekenen, interpretaties van dromen, het sterven en medische inzichten.

Het is zeer belangrijk dat de stervende de tekenen herkent. De eerste echte bardo-ervaring namelijk is een gevoel van twijfel en onzekerheid. Ben ik nu eigenlijk stervende of niet? Verlies ik hier het contact met de tastbare wereld? Ga ik hier over naar een onwerkelijke wereld? Je raakt de vaste grond onder je voeten kwijt, en je vraagt je af of je projecties (en jijzelf) eigenlijk wel echt bestaan.

Deze innerlijke strijd ontstaat, omdat de door jou tot nu toe als ‘werkelijk’ ervaren wereld gebaseerd is op onjuiste waarneming. De dingen zijn anders dan de criteria die je verstand je doorgaf. Dualisme werd door jou gezien en beleefd als (schijn)eenheid, daardoor ervaar je nu een enorme onvoldaanheid en onzekerheid. De tastbare logische toestand lost op, en je vraagt je af: is dit nu verlichting of krankzinnigheid? Een overgangsmoment waarop je de wereld van dualiteit kunt verlaten, en ingaan in de vage leegte, de wollige, mistige wereld van de dood.

Als de stervende er nog toe in staat is, kan hij met zichzelf werken door middel van eerder ontvangen instructies. En anders moet een leraar of vriend hardop en duidelijk (en in de juiste volgorde!) de opeenvolging van de tekenen des doods voorlezen. De ervaring van de dood wordt beschreven in termen van de verschillende elementen van je lichaam, naar steeds diepere lagen afdalend:

1. Lichamelijk voel je je zwaar - het element aarde lost op in water. 
2. De circulatie begint te stagneren - water lost op in vuur. 
3. Elk gevoel van warmte en groei begint te verdwijnen -vuur lost op in lucht (wind). 
4. Je verliest het laatste gevoel van contact met de stoffelijke wereld - lucht lost op in ruimte (bewustzijn). 
5. Er is een gevoel van een inwendige helderheid, een innerlijke gloed, als alles volledig naar binnen gekeerd is - het bewustzijn lost op (in helderheid) in het centrale energiekanaal.

Chögyam Trungpa legt uit: Allereerst verlies je het fysiek contact (aarde), je verzekert jezelf ervan dat je geest nog steeds functioneert (water). Dan twijfelt de geest of hij nog wel op de juiste manier functioneert, er stagneert iets in zijn circulatie. Je test je emoties, liefde en haat (vuur). Maar zelfs dit lost langzaam maar zeker op in lucht, en er ontstaat een vage ervaring van openheid. Je kunt je niet meer concentreren op liefde, of proberen je iemand herinneren van wie je houdt. Alles lijkt van binnen hol te zijn.

In de vertaling van Robert Thurman neemt de stervende achtereenvolgens waar: 
1. luchtspiegeling, 2. rook, 3. vuurvliegjes, 4. kaarsvlam, 5. door maanlicht overgoten hemel.

Op dit moment moet de overledene (zacht in zijn oor) aan zijn spirituele motivatie herinnerd worden. “Laat je gedachten niet dwalen” . Thurman vervolgt zijn vertaling met de laatste tekenen:

6. Door zonlicht verlichte hemel: het teken dat helderheid in straling oplost. 
7. Donkere lucht: het teken dat de straling in het bijna-bereikt oplost. 
8. Dageraadschemering:  het teken dat het bijna-bereikt in het heldere licht oplost.

Maar Trungpa geeft hier toch de mooiste beschrijving van het sterfmoment en de ontmoeting met het heldere licht: “De volgende ervaring is de helderheid. Je bent bereid op te geven, want je kunt niet langer tegenstribbelen, een soort zorgeloosheid doet zich op dat ogenblik voor. Het is alsof pijn en genot tegelijk plaatsvinden, alsof een keiharde douche van ijskoud en kokend water tegelijk over je lichaam wordt uitgestort. Een intense ervaring, heel krachtig en vol, de ervaring van eenheid waar pijn en genot hetzelfde zijn. De dualistische worsteling van trachten iets te zijn, wordt volledig in de war gebracht door de twee uiterste krachten van hoop op verlichting en de vrees om krankzinnig te worden. Deze twee zijn zo hevig dat dit een zekere ontspanning toelaat. Wanneer je dan niet langer worstelt, doet de helderheid zich op natuurlijke wijze voor.”
 
 

Bronnen:  
Francesca Fremantle en Chögyam Trungpa  
Het Tibetaans Dodenboek  
Servire, 1991 
 
Robert A.F. Thurman  
Het Tibetaanse Dodenboek  
Altamira-Becht,  2006 
 
Ilse Dorren  
Tocht door twee werelden; Gids voor het Tibetaanse Dodenboek  
Mirananda, 1985

donderdag 4 juni 2020

Yidam

Yidams spelen een belangrijke rol in de instructies van het Bardo Thödol. Ze begeleiden de overledene door de gevaarvolle bardo. Hij moet de yidams dus vooral herkennen en volledig vertrouwen. In benarde situaties moet hij ze aanroepen en smeken om hulp.

Yidam is een Tibetaans woord, meestal vertaald als beschermgod, niet te verwarren met dharmapala’s*. Chögyam Trungpa laat het in zijn versie onveranderd staan, maar in de vertaling van Robert Thurman komt het woord yidam niet voor. Hij noemt het consequent “je archetypische boeddhavorm”.

Het begrip yidam zoals dat in het Tibetaans boeddhisme gebruikt wordt, verschilt nogal met de Indiase variant uit het hindoeïsme: ishtadevata (gekozen godheid). Het is namelijk niet een wezen buiten ons dat als een persoonlijke beschermer of helper optreedt, de betekenis van yidam is mentaal en volledig binnen ons bedoeld. Het is de uitdrukking van ons eigen fundamentele wezen, voorgesteld als een goddelijke vorm om mee in contact te treden, en om het geheel van ontwikkelingsmogelijkheden tot uitdrukking te brengen.

In sommige rituelen wordt een yidam beschouwd als een onafhankelijk wezen, maar in andere gevallen kiest de beoefenaar (of zijn goeroe) een ‘speciale’ godheid, die zijn ingeboren verlichte natuur voorstelt. ‘Zijn’ yidam past bij zijn karakter en kwaliteiten en de beoefening die hij praktiseert. Het is zijn meditatieboeddha en rolmodel voor de verlichting waar hij naar verlangt.

Het Bardo Thödol geeft (via de achterblijvers) instructies aan de overledene, die passen bij zijn niveau van ontwikkeling. Als hij zich bijvoorbeeld bezighield met visualisatiebeoefening, krijgt hij hardop de tekst (sadhana) voorgelezen die de visualisatie en verering van zijn godheid beschrijft. Dat moet hem aan zijn yidam herinneren.

“Mediteer over je yidam en laat je niet afleiden! Concentreer je sterk op je yidam! Visualiseer hem als een verschijning zonder eigen substantie, zonder realiteit, zoals de maan in het water. Visualiseer hem dus niet alsof hij stoffelijk is!”


Maar meestal zal de overledene iemand zijn die in het Bardo Thödol “een gewone mens” genoemd wordt. Daar zijn er heel veel van. Een niet-beoefenaar, iemand die (nog) geen specifieke yidam gekozen heeft. Maar dat geeft niet, hij kan dan altijd nog mediteren op Avalokiteshvara, de Boeddha van Mededogen. Die is overal goed voor, passend voor iedereen.

En Robert Thurman ziet het zelfs nog breder. In zijn vertaling legt hij uit dat het allemaal niet zo ingewikkeld hoeft te zijn. Eigenlijk is alles prima wat de ziel zich veilig laat voelen, en geïntegreerd in de genadevolle aanwezigheid van het heilige. Elk symbool, elke personificatie en elk archetype van mededogen en heiligheid kan hier volstaan. De ziel heeft het nodig om niet bang te zijn voor hallucinaties of verrassende gebeurtenissen, en om zich naar positieve bestemmingen voort te bewegen. En de grote redder naar keuze dient hier als een icoon voor het richten van de aandacht, om zo de ziel ontvankelijk te maken voor het actieve mededogen van dat wezen zelf.

En op zijn manier heeft “de gewone mens” toch ook al een routine van visualisatie en transformatie opgebouwd. Als levende maakte hij deel uit van een bepaalde cultuur of religie, en was daardoor langdurig met een specifieke god, redder of profeet bekend, waardoor dat wezen vanzelf voor hem een archetypische godheid is geworden. En als hij niet religieus was, is hij toch minstens wel bekend met een speciale politieke leider of een andere bekendheid, of een nationaal symbool, die zo voor hem in een archetype is veranderd.


*Een macht of godheid die het boeddhisme beschermt en hindernissen voor je wegneemt op het pad naar de verlichting. Het kunnen boeddha’s of bodhisattva’s zijn, maar ook machten uit een voor-boeddhistisch tijdperk. Bekende dharmapala’s zijn Mahakala en Yamantaka.



Bronnen:
Francesca Fremantle en Chögyam Trungpa
Het Tibetaans Dodenboek
Servire, 1991

Robert A.F. Thurman
Het Tibetaanse Dodenboek
Altamira-Becht,  2006