Posts tonen met het label Nagarjuna. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nagarjuna. Alle posts tonen

vrijdag 17 juli 2026

A Living Community of NOWs

Liquid Days (1 van 4)

Eigenlijk wil ik de Grondregels… van Nagarjuna weer eens op pakken, maar een artikel in de Engelse New Scientist van maart jl. is te mooi om hier geen voorrang te krijgen. En het stuk sluit ook nog prima aan bij onderwerpen als oorzaak en gevolg en leegte.

In een van de vorige blogposts verbeeldde ik me een onmetelijk pointillistisch schilderij, een oneindige oceaan van ruimte, gevuld met losse stippen vlak naast elkaar, die samensmelten in het oog van de kijker. Een illusie van ontelbare kleine elementen, dharma’s. Het artikel In the eyes of the beholder van Jo Marchant suggereert iets soortgelijks, namelijk een dynamische tapestry, hier een aan elkaar genaaide kosmos van in elkaar grijpende perspectieven en ervaringen, een “living community of NOWs”!

Marchant wordt gefascineerd door de vraag wat NU, het heden, eigenlijk is. Het is alles, zegt ze, en het enige dat je ooit kunt ervaren of weten. Zelfs je herinneringen en plannen kun je NU pas ervaren. En toch is het gebruikelijke standpunt in de natuurkunde dat NU niet eens bestaat. In Einsteins relativiteitstheorie zijn alle tijdspunten gelijk. Elke gebeurtenis kan al worden gedaan of nog plaatsvinden, vanuit verschillende gezichtspunten. Er is geen ‘kosmische ontplooiing’ waardoor de werkelijkheid tot stand komt. Dat geeft wel een probleem: als NU een illusie zou zijn, kunnen we op dat moment niet ingrijpen om de toekomst te beïnvloeden, omdat alle gebeurtenissen en tijden al bestaan. Alles ligt al vast.

Vervolgens komt Marchant met een klassiek gedachten experiment (jaren 70) van natuurkundige John Wheeler, met een soort omkering van de normale volgorde van de tijd, waarbij onze keuzes niet alleen het heden beïnvloeden, maar ook het verleden. Voor Wheeler was de les van de kwantum mechanica dat onze realiteit niet los van ons bestaat. We kunnen een deeltje niet ‘vastpinnen’ totdat we er naar kijken, want het gaat hier niet om definitieve dingen, maar om potentieel. Door de vraag te kiezen, bepalen we wat voor soort antwoord we krijgen. Dus, zegt Wheeler, als een fenomeen niet bestaat totdat we het bekijken en beoordelen, dan moet wat aan ons verschijnt niet alleen het heden zijn, maar ook het verleden.

Ons hele universum, dichtbij en ver, verleden en toekomst, wordt NU, van moment tot moment en voortdurend tot stand gebracht door de antwoorden op vragen die we stellen. Als we andere vragen zouden stellen, of in een andere volgorde, zouden we een ander resultaat krijgen. De deeltjes die we waarnemen zijn afgeleid van ‘informatie’ die wijzelf helpen creëren. “Informatie als een nieuwe vloeistof in de wereld”.

Hoewel deze nieuwe richting dadelijk een grote vlucht nam, was Christopher Fuchs (een voormalig student van Wheeler) niet tevreden. Hij vond namelijk dat het belangrijkste punt van Wheeler hier gemist werd: dat er geen antwoord is totdat we de vraag stellen. Fuchs had zo zijn eigen interpretatie van kwantumfysica: QBism. Hij vroeg zich af wat het voor de realiteit betekent als je zegt dat het resultaat van een meting onlosmakelijk verbonden is met de meting zelf?

Wordt vervolgd.

 
 
bron:
Jo Marchant
New Scientist
21 maart 2026

vrijdag 12 juni 2026

Mind the Gap

Nagarjuna 12
 
Vier soorten oorzaken noemt Nagarjuna in de vorige blogpost.
De meest interessante daarvan vind ik de ‘precedente oorzaak’, dat is (volgens vertaler Erik Hoogcarspel) “het verdwijnen van de vorige gedachte of bewustzijnsmoment dat het ontstaan van het volgende veroorzaakt”. Misschien is “gelegenheid biedt tot” hier een betere omschrijving?

Nagarjuna spreekt van dharma’s (fenomenen), in dit geval alles wat zich in het bewustzijn manifesteert. Voorstellingen, verschijnselen en dus gedachten. Die zijn héél vluchtig. Ze verschijnen en verdwijnen continu, een gedachte is al bezig te verdwijnen als hij net is verschenen. We kunnen middels een gedachte ook niet een volgende gedachte sturen of juist voorkomen. Want een gedachte veroorzaakt niet de daaropvolgende gedachte, die komt namelijk vanzelf door (bij wijze van spreken) de “zuigende werking” van de verdwijnende voorgaande gedachte. Prachtig en beeldend geformuleerd!


Volgens de Sarvastivadins kun je door het vasthouden van een aanwezige gedachte het beste concentratie bereiken. Ik denk nu aan Sogyal Rinpoche. Bij hem las ik eerder dat je in meditatie je gedachtenstroom vertraagt, waardoor ‘de opening’ steeds duidelijker wordt. Gedachten nemen wij als ononderbroken waar, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is. Ontdek dat er na elke gedachte een ruimte is, zegt Sogyal. Als de ene gedachte verdwenen is, en de volgende nog niet verschenen, is er altijd een pauze, een opening waarin de pure natuur van de geest (Rigpa) zich openbaart.

Een ruimte, een pauze, een opening. Een bardo dus!
In de eerste instantie denk je dan misschien aan de tussenfasen na de dood, maar bardo ervaringen doen zich ook tijdens ons leven continu voor. Volgens Sogyal zijn ze een fundamenteel deel van onze psychologische structuur. Het leven is niets anders is dan een onophoudelijke schommeling van geboorte, dood en overgang. Maar meestal letten wij niet op de bardo’s en openingen en overgangen, maar gaat onze geest van de ene zogenaamde ‘vaste’ situatie naar de volgende. Eigenlijk is elk moment van onze ervaring een bardo, want elke gedachte en elk gevoel komen op uit de essentie van de geest, en lossen daar weer in op.

Precies op momenten van grote veranderingen en sterke overgangen krijgt de ware, oorspronkelijke natuur van onze geest (“die is als de hemel”, zegt Sogyal Rinpoche) een kans zich te openbaren. Ik denk dan natuurlijk onmiddellijk aan het sterfmoment, Chikai bardo! Waarschijnlijk de belangrijkste ‘gap’ in een mensenleven. De lichamelijke dood, het ene moment leef ‘je’ nog, het andere ben je ‘dood’. Daartussenin een onderbreking, hoe kort ook. Het heldere licht doet zich voor. Een zeer krachtige kans op bevrijding. Herken de ruimte en de eenheid, en de illusie van je ‘zelf’ of ‘ego’.

Ruimte tussen dharma’s klinkt wel prettiger dan opening, pauze of onderbreking. Minder lineair ook. Al die losse momenten, de ontelbare kleine elementen, dharma’s, verenigd in een eeuwige en oneindige oceaan van ‘ruimte’. Als in een onmetelijk pointillistisch schilderij. Losse stippen vlak naast elkaar, maar het oog van de kijker laat ze samensmelten. Een illusie.

Wordt vervolgd.

 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
 
Sogyal Rinpoche
Dagend inzicht
Servire, 1995

dinsdag 9 juni 2026

Vier oorzaken

Nagarjuna 11

Sarvastivada, genoemd in de vorige blogpost, is een vroege boeddhistische school met interessante denkbeelden, op zich al genoeg voor een hele reeks blogposts. Misschien later? Als ik het goed begrepen heb zijn ze als verre voorloper ook van invloed geweest op het Tibetaans boeddhisme.

In het commentaar bij vers 3 van Nagarjuna’s Grondregels… brengt vertaler Erik Hoogcarspel naar voren dat de Sarvastivadins een dualistisch wereldbeeld hebben. Geest en materie zijn volledig verschillend en materie kan niet iets geestelijks veroorzaken. Maar omdat het wel duidelijk is dat de dingen om ons heen invloed hebben op onze geest, en dat dus niet met ‘gewone oorzakelijkheid’ verklaard kan worden, moeten er alternatieven bestaan, nieuwe oorzakelijkheid.

Hoogcarspel komt met het voorbeeld van letters in een boek. In feite zijn dat maar inktvlekjes, maar ze betekenen iets en kunnen daarom van veel invloed zijn op de geest van ons als lezers. Denk maar eens aan een belastingaanslag. Opvallend dat de vertaler hier met ‘letters’ komt aanzetten. Die vormen woorden, en daar heeft Sarvastivada iets mee. Fysieke en mentale onderwerpen bestaan niet werkelijk, las ik ergens, maar zijn opgebouwd uit dharma’s. Maar woorden, dat is een ander geval. Die zijn zelf dharma’s en bestaan dus wel. Er zijn drie soorten: (zelfstandig naam)woord, zin en geluid.


Er zijn vier soorten oorzaak, zegt Nagarjuna in vers 3. En géén vijfde, voegt hij daar nog aan toe. Waarom? Misschien speciaal voor de Sarvastivadins waar hij zich speciaal tot richt. Deze vier worden veelal aanvaard door allerlei boeddhistische stromingen:
 
1 de (effectieve) oorzaak
2 de objectoorzaak
3 de precedente oorzaak
4 de dominante oorzaak.

Hoogcarspel licht ze toe. Nummer 1 kennen we uit het dagelijks leven, ‘de gewone oorzaak’ zeg maar. Nummer 2, 3 en 4 zijn typisch boeddhistisch, bedoeld om (de gebeurtenissen binnen) ons bewustzijn te verklaren.

Objectoorzaken zijn de dingen zoals ze ons bij het waarnemen verschijnen, uitwendige oorzaken die ons bewustzijn bepalen en samen met de oorzaken binnen onze geest bepalen wat we denken.

De dominante oorzaak heet letterlijk ‘de hoogste heer’ – een verschijnsel dat overheerst heeft meer invloed op ons bewustzijn dan alle anderen. Twee soorten zijn er, objectief en subjectief. Hoogcarspel’s voorbeelden: 1. het is mooi weer, maar jij hebt griep en 2. het is mooi weer, maar er is een hond (waar jij een hekel aan hebt).

De precedente oorzaak bewaar ik voor de volgende blogpost.

 
 
bron:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

zaterdag 6 juni 2026

Dharma’s

Nagarjuna 10 
 
De ‘werkelijkheid’ bestaat uit een aaneenschakeling van losse momenten.
Alle dharma's (fenomenen) bestaan tegelijk in het verleden, heden en de toekomst. De essentie van de werkelijkheid is permanent, zelfs als verschijnselen veranderen. Dat is de mening van de Sarvastivadins, een boeddhistische stroming waar Nagarjuna zich speciaal tot richt. In de vorige blogpost kwamen ze ter sprake.

Die drie genoemde dharmas bestaan op één manier tegelijk, maar het zijn geen identieke kopieën, ze verschillen per tijdspositie. Alles bestaat maar héél even (momentariteit) en verandert continu, alles ontstaat en vergaat onmiddellijk. Er is geen blijvende essentie of continuïteit tussen verleden, heden en toekomst. Een dharma volgt wel direct uit de voorgaande dharma, maar volgens het principe van afhankelijk ontstaan. Dus gebeurtenissen voorafgaand aan de dharma ‘van nu’ hebben geen invloed meer, en er wordt ook niet vooruitgelopen op hiernavolgende gebeurtenissen.

Deze uitgangspunten leveren wel problemen op. Bijvoorbeeld karma zou niet kunnen bestaan. En je eigen emoties observeren kan ook niet. Observatie en emotie spelen zich beiden in je eigen hoofd af en kunnen niet tegelijkertijd plaatsvinden. Daar werd het volgende op gevonden. Naast de dharma ‘van nu’ (het heden) bestaan er ook dharma’s uit het niet-heden, dus verleden en toekomst (andere scholen namelijk verwierpen dat). En dat maakt dan weer oorzakelijke samenhang en karmische verantwoording mogelijk. Een handeling in het verleden (een dharma) blijft “aanwezig” als opgeslagen karmisch potentieel. En een toekomstig potentieel kan al een bepaalde stemming of opvatting veroorzaken (zijn schaduw vooruit werpen!).

Een interessant, maar ook merkwaardig en ingewikkeld verhaal. Er wordt wel een soort tijdlijn geïntroduceerd, maar verleden – heden – toekomst beïnvloeden elkaar niet. Geen oorzaak en gevolg hier. Toch zijn er eventuele karmische gevolgen. En de toekomst, ligt die vast?


Helaas besteedt Eric Hoogcarspel in zijn inleiding niet veel aandacht aan de Sarvastivadins. Misschien komt dat later nog? Bij vers 3 vermeldt hij dat ze een dualistisch wereldbeeld hebben, waarin geest en materie absoluut verschillend zijn. En daarom kan materie niet iets geestelijks veroorzaken. Dat vind ik interessant, want zegt Spinoza dat ook niet? De ‘attributen’ materie en geest, waarmee de enige substantie (God) zich uitdrukt in eindeloos veel ‘modi’, gaan parallel aan elkaar, maar kunnen elkaar niet beïnvloeden. Het zijn twee kanten van dezelfde zaak (God), één en dezelfde substantie, maar dan vanuit verschillende standpunten gezien (dus hier géén dualiteit!). Gods denken is gelijk aan zijn handelen, alles wat op gebied van de materie gebeurt heeft z’n parallel op het gebied van de geest (en omgekeerd).
 
 
 
 
Bronnen:
diversen op internet
 
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk
 
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

dinsdag 2 juni 2026

Sarvastivada

Nagarjuna 9

Verder met Nagarjuna’s Grondregels…, vers 3 van hoofdstuk 1.

Nagarjuna stelt dat er geen onafhankelijke oorzaken en gevolgen bestaan, en dat ‘de dingen’ hun zelfbestaan niet uit hun oorzaak halen. Ook de rest van het hoofdstuk gaat voornamelijk over wel of niet oorzaak en gevolg. Ik heb daar inmiddels veel over nagedacht en ook wel gediscussieerd, maar blijf er toch wat moeite mee houden. En ook voorzichtig, denk aan de woorden van Padmasambhava: “Hoewel mijn Zicht zo ruim is als de hemel, zijn mijn handelen en mijn eerbied voor oorzaak en gevolg zo fijn als meel”.

Kan het zijn dat deze stijl van uitleg mij niet ligt? Het eindeloos filosofisch geredeneer. Of is het hier juist de bedoeling dat je ‘woordenmoe’ en murw van langdurig overpeinzen een inzicht krijgt? Je vastgeroeste logische denkpatroon doorbroken, op een koan-achtige wijze? Intuïtief kan ik mij best een Nu voorstellen, of Leegte waarbij alles in een constante transitie verkeert, in samenhang met alles. Zodanig in beweging dat er nooit een ‘vast’ etiket opgeplakt kan worden.


Hoe verder? In zijn commentaar bij de tekst noemt vertaler Erik Hoogcarspel zijdelings een boeddhistische stroming waar Nagarjuna zich speciaal tot richt. Waarom doet Nagarjuna dat? Iets meer uitleg daarover zou zijn tekst wellicht wat begrijpelijker en minder abrupt maken. Op internet vind ik meer informatie over deze Sarvastivadins. Heel in het kort: een invloedrijke vroege boeddhistische school die gelooft dat alle dharma's (fenomenen) bestaan in het verleden, heden en de toekomst. De essentie van de werkelijkheid is permanent, zelfs als verschijnselen veranderen.

De Sarvastivadins gaan er van uit dat de dagelijks waarneembare wereld niet werkelijk bestaat, maar is opgebouwd uit ontelbare kleine elementen (dharma’s). Alleen deze dharma’s bestaan echt en dan ook nog maar voor héél even. Het is momentariteit, de voortdurende vergankelijkheid en verandering van alle verschijnselen. Ze ontstaan, veranderen direct en vergaan weer, wat leidt tot de filosofie van 'afhankelijk ontstaan'. De zogenaamde werkelijkheid bestaat uit een aaneenschakeling van losse momenten.

 
 
Bronnen:
diversen op internet 
 
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

vrijdag 29 mei 2026

Shaping chairs

bron afbn: bbc news

Op BBC news las ik een artikel over Alice en Gavin Munro, een stel uit Derbyshire. Zij laten bomen groeien in de vorm van een stoel, een proces dat meestal zes tot negen jaar duurt. Daarna moet het hout nog een jaar drogen. De Munro’s zijn inmiddels 20 jaar aan het experimenteren.
 

Grappig dit! Vooral omdat “een stoel” in de toelichting door de vertaler van Nagarjuna’s Grondregels… genoemd wordt als het voorbeeld van een substantie met vaste eigenschappen. “Een stoel is wat hij is”. Substanties worden geacht zelfstandig, onveranderlijk en onafhankelijk te zijn, maar Nagarjuna toont telkens aan dat dit onhoudbaar is. De dingen zijn alleen maar wat ze zijn in onze ogen! Een stoel is voor ons een stoel, maar niet voor een vogel.

En nog leuker, uitgerekend een boom wordt in het boeddhisme vaak gebruikt als voorbeeld om ‘afhankelijk ontstaan’ te illustreren, de onderlinge samenhang en interconnectie. Niets bestaat op zichzelf, alles is verbonden.

 
 
bronnen:
BBC.com, 18 mei 2026 
 
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

woensdag 13 mei 2026

Nagarjuna en Spinoza

Nagarjuna 8

Vervolg van de vorige blogpost. Via hoofdstuk 1 van Nagarjuna’s Grondregels… en de inleiding van vertaler Erik Hoogcarspel ben ik op een zijpad met Spinoza beland. Dat was niet direct de bedoeling, maar ik heb er wel veel aan gehad. Tegelijkertijd bezig zijn met Nagarjuna en Spinoza bleek prettig en leerzaam, maar nu wil ik wil me weer hoofdzakelijk op Nagarjuna en ‘leegte’ concentreren. Voor de volledigheid kijk ik nog één keer kort naar de overeenkomsten en verschillen tussen beide filosofen (althans voor zover ik denk het begrepen te hebben).


Overeenkomsten.
Nagarjuna en Spinoza hebben allebei radicale standpunten. Beiden weerleggen een onafhankelijke bestaan van dingen, maar benadrukken een onderling verbonden werkelijkheid. Geen dualiteit hier en geen ‘ego’.
 
Tegenstellingen.
Nagarjuna ontkent elke zelfstandige ‘substantie’, terwijl Spinoza stelt dat er één substantie (God) is, die in alles zit. Bij Nagarjuna geen onafhankelijke oorzaken en gevolgen. En volgens Spinoza komt alles voor uit enorme reeksen oorzaken, in gang gezet door God, de allesomvattende substantie, en alle dingen (modi) zijn daarvan afkomstig. Bij Nagarjuna leegte (van zelfbestaan), geen substantie bij wat dan ook.

En eigenlijk hebben beide heren een ander doel (of lijkt dat maar zo?). Nagarjuna wil verlossing uit lijden bereiken (voor ons allemaal), en Spinoza wil begrip van de werkelijkheid. Nagarjuna ziet kans op bevrijding door wijsheid (prajna), want die kan leiden tot het inzien van leegte. Spinoza vindt vrijheid in het besef dat de wereld (de natuur) noodzakelijk is.


Tja, de eventuele ‘waarheid’ zal wel ergens in het ‘midden’ liggen. Of niet natuurlijk. Iedere vorm van logisch of conceptueel denken is uiteindelijk onhoudbaar, zegt Nagarjuna toch zelf. Het zijn slechts hulpmiddelen om je gehechtheid los te laten. Volgens Sogyal Rinpoche lijkt de logische geest wel interessant, maar is het de kiem van verwarring en versluiering. Je kan zomaar geobsedeerd raken door je eigen theorieën, en volledig missen waar het om gaat. En bij een Tony Parsons moet je volstrekt niet proberen ‘het’ te begrijpen, want dan wordt het helemaal niks.

Desalniettemin, wordt vervolgd.

zondag 10 mei 2026

Taal

Nagarjuna 7

Vervolg van de vorige blogpost, waarin de voorzichtige conclusie getrokken werd dat vertaler Hoogcarspel’s substanties (in dit geval) hetzelfde zijn als Spinoza’s modi, waarvan zowel Nagarjuna als Spinoza lijken te beweren dat zij niet uit zichzelf bestaan. Maar bedoelen zij ook hetzelfde? Volgens Spinoza bestaat alleen God (Substantie), die eindeloos veel tijdelijke verschijningsvormen (modi) veroorzaakt, die allemaal van elkaar afhankelijk zijn.

Nagarjuna zegt dat alle dingen ontstaan in wederzijdse afhankelijkheid. En hij gaat nog veel verder, want volgens hem bestaan al die dingen eigenlijk niet eens. Hij toont aan dat die zogenaamde ‘zelfstandigheden’ (Hoogcarspel: ‘substanties’) onhoudbaar zijn. De dingen zijn duidelijk alleen maar wat ze zijn in onze ogen. Het is een kwestie van taal eigenlijk, en taal is geen afbeelding van de werkelijkheid, maar een benoemen ‘bij wijze van spreken’. Conventies, gewoonten, afspraken, de zogenaamde werkelijkheid is het speelveld van de taal, en daarom leeg van substantie/ zelfbestaan. Wat de taal noemt bestaat niet, maar is een inbeelding. Het belangrijkste obstakel voor inzicht is het geloof dat woorden naar op zich bestaande dingen verwijzen. (Zelfs de term ‘leegte’ is in sommige commentaren tot een nieuw soort substantie geworden!)
 

We moeten ons losmaken van de taal. Dat lijkt onmogelijk want er zijn altijd gedachten bijvoorbeeld, maar Nagarjuna verwijst naar momenten van diepe innerlijke vrede, waarin de dingen zijn opgehouden te bestaan. Maak de zaak eens wat transparanter door het lezen van (zijn) geschriften, denk er over na. Hopelijk leidt dat dan tot transcendente wijsheid: een totale omslag van jouw manier van denken, en waarbij je niet langer het spel van de wereld voor absoluut aanneemt. Uiterlijk zal er weinig veranderen, maar je ziet het als een spel en investeert niet meer. De begeerte naar zijn of niet zijn is weg, de illusie van de wereld, het idee dat je iets kunt gewinnen of verliezen is doorbroken. Meer esthetisch plezier, minder bezig zijn met nut en voordeel. Een heel andere manier van leven.

Wordt vervolgd.

 
 
bron:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

dinsdag 5 mei 2026

Modi

Nagarjuna 6

Vervolg van de vorige blogpost. Via Nagarjuna ben ik dus bij Spinoza terechtgekomen. Erik Hoogcarspel gebruikt in zijn vertaling van Nagarjuna’s Grondregels… regelmatig het woord ‘substantie’, maar op een andere manier dan Spinoza.

In de vorige blogpost zagen we dat er volgens Spinoza maar één (‘super’)substantie is, namelijk God. Die is oneindig, er kan dus geen andere substantie naast bestaan. Enkel God bestaat. En aangezien er maar één Substantie bestaat, is God de uiteindelijke oorzaak van alle bestaanswijzen. Alle dingen die niet zichzelf veroorzaken worden door God verklaard of veroorzaakt. Ze bestaan, zegt Spinoza, ‘in God’. Margot Brouwer geeft in haar boek een mooi rijtje voorbeelden: “planten, dieren, mensen, jijzelf, zon, maan, sterren, de natuurwetten en zelfs het universum”. En Jan Knol doet hetzelfde in zijn boek: “stenen, tijgers, kleuren, gassen, politiek, vakbonden en mensen en eindeloos zo voort”. Zoals we al zagen in de vorige blogpost worden al deze dingen modi genoemd.

De substantie, zegt Jan Knol, drukt zich via de attributen materie en geest uit in eindeloos veel modi (verschijningsvormen). Eindige, tijdelijke openbaringen van het eeuwige universum (God), waarin alles bestaat, verrijst en weer ondergaat. Wij beschouwen al die dingen als opzichzelfstaand, maar dat is dus fout. Zij zijn “in iets anders”, namelijk in de attributen van de ene substantie, en kunnen (en moeten) alleen van daaruit begrepen worden. Alles hangt van iets anders af, niets is zijn eigen oorzaak, of bestaat uit eigen kracht. Alles en iedereen is van elkaar afhankelijk. Modi hebben altijd hun oorzaak in iets wat op zijn beurt zijn oorzaak heeft in iets wat op zijn beurt ook weer zijn oorzaak heeft in iets en eindeloos zo voort. Maar uiteindelijk komt je dan uit bij God, de oorzaak die zonder oorzaak is, de oorzaak van alles. Alleen God is zijn eigen oorzaak en van niets afhankelijk om te kunnen bestaan en begrepen te kunnen worden.
 
 
Terug naar Nagarjuna en zijn Grondregels… en de inleiding door vertaler Erik Hoogcarspel.

Er is dus die nieuwe leer van de transcendente wijsheid, en Nagarjuna wil die filosofisch onderbouwen. Volgens hem breekt het inzicht door zodra iemand ophoudt overal substanties te zien, dat wil zeggen iemand ziet wel substanties maar is er tegelijk van doordrongen dat die er niet zijn. Om de zaken minder ingewikkeld te maken, houd ik hier even het woord substanties aan in de betekenis die Hoogcarspel (en “de filosofie”) er aan geeft, dus “iets dat uit zichzelf bestaat en dat zélf voor z’n kenmerken zorgt”. Ook Hoogcarspel komt met een paar voorbeelden: letters, spoorboekje, windkracht. Wij hebben net gezien dat Spinoza dit modi noemt, en dat ze niet uit zichzelf bestaan! Beweren Nagarjuna en Spinoza nu hetzelfde?

 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
  
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk 
 
Margot Brouwer
Sterrenstof zijn wij
Querido Facto, 2025

zaterdag 2 mei 2026

Supersubstantie

Nagarjuna 5

Vervolg van de vorige blogpost. Erik Hoogcarspel maakt zijn vertaling van en commentaar op Nagarjuna’s Grondregels… extra ingewikkeld door het woord substanties te gebruiken en daarbij op een onjuiste manier Spinoza te betrekken.

Substanties, zegt Hoogcarspel, zijn dingen met vaste eigenschappen. Hij noemt een stoel als voorbeeld. Terwijl Jan Knol, zo zagen wij, in zijn boek over Spinoza vermeldt dat er maar één substantie is, namelijk God.

En ook in het boek van Margot Brouwer lees ik dat er maar twee soorten dingen zijn:

1. substantie: iets wat door zichzelf wordt verklaard of veroorzaakt (alleen God).
2. modus (meervoud modi): iets wat door iets anders wordt verklaard of veroorzaakt. Alles en iedereen (inclusief wijzelf) heeft een oorzaak buiten zichzelf.

Spinoza definieert God als een absoluut oneindig wezen, dat wil zeggen een substantie die uit een oneindig aantal attributen* bestaat, die elk een eeuwige en oneindige essentie uitdrukken.

(*attribuut: een manier om de essentie van een substantie te ervaren of te interpreteren, voorbeelden: de fysieke werkelijkheid, het denken)

Hij stelt dat ‘elke substantie’
1.  eeuwig is
2.  oneindig is,

toont dit aan en komt dan aanzetten met het eventuele bestaan van een speciale substantie (Brouwer noemt dit even een ‘supersubstantie’) met een oneindig aantal attributen. Zou dat bestaan?, vraagt Spinoza zich af. En ja, al redenerend komt hij uiteindelijk met zijn godsbewijs. Dus “God, oftewel een substantie die uit een oneindig aantal attributen bestaat, die ieder een eeuwige en oneindige essentie uitdrukken, bestaat noodzakelijk.” noteert hij in zijn Ethica.

“Kort gezegd: wanneer je ervan uitgaat dat alles wat er bestaat een oorzaak of reden moet hebben, kom je met consequent doorredeneren uit op het bestaan van Spinoza’s God”, vat Brouwer de zaak samen, maar erkent hierbij de onvermijdelijke cirkelredenering. Spinoza’s verhaal komt eigenlijk hier op neer: “als alles wat bestaat een oorzaak heeft, dan moet er een eeuwig en oneindig ‘iets’ zijn dat zichzelf veroorzaakt, waar alle andere dingen logisch uit kunnen voortvloeien. En dit ‘iets’ noemt hij God.”


bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005 
 
Margot Brouwer
Sterrenstof zijn wij
Querido Facto, 2025

woensdag 29 april 2026

Substantie

Nagarjuna 4

Verder met de Grondregels… van Nagarjuna, hoofdstuk 1. De vorige keer eindigde met een opmerking over het woord substanties, dat vertaler Erik Hoogcarspel op een (voor mij) verwarrende wijze gebruikt. Substantie namelijk, heeft in de filosofie meestal, en bij Spinoza (1632-1677) al  helemaal, een geheel andere betekenis. Ik zag hier liever het woord zelfbestaan, dat ik in de nieuwe vertaling van Michiel Leezenberg tegenkwam. Dus: Nagarjuna wijst ons in vers 1 en 14 erop dat oorzaak en gevolg géén zelfbestaan hebben. De vertaling van Leezenberg ken ik verder (nog) niet, maar ik zag dat ‘oorzaak’ bij hem ook wel ‘conditie’ heet (in de betekenis van ‘toestand’ of ‘voorwaarde’), en ‘gevolg’ heet dan ‘actie’ of ‘effect’. Dat past soms inderdaad beter, maar ‘oorzaak en gevolg’ klinken dan weer boeddhistischer.

In vers 2 (de volgorde van 2 en 3 zou ooit omgedraaid zijn) zegt Nagarjuna dat in de oorzaken van dingen geen zelfbestaan zit, en als er geen zelfbestaan is, dan is er ook geen ander bestaan.

Hoogcarspel gebruikt ook hier weer ‘substantie’ en vermeldt dat dit woord een vertaling is van (Sanskriet) svabhava dat ‘uit zichzelf zijn’ betekent, wat dan ook weer de gebruikelijke filosofische definitie van het begrip substantie zou zijn. Een substantie heeft vaste eigenschappen, ‘gekend’ of waargenomen, of niet, dat maakt niet uit. Hij is wat hij is. Hoogcarspel geeft een ‘stoel’ als voorbeeld en noemt als tegenhanger een ‘woord’. Want dat bestaat niet uit zichzelf, maar op grond van een conventie, namelijk de betekenis die wij er aan geven en die zichzelf niet toont maar geleerd moet worden. Volgens Hoogcarspel is dat wat betreft het woord substantie ‘zelfstandigheid’ in de filosofische betekenis en ‘spul’ of ‘goedje’ in een andere.

Vervolgens maakt hij zijn uitleg nodeloos extra ingewikkeld door Spinoza erbij te betrekken en diens definitie te citeren: ‘iets dat uit zichzelf bestaat en uit zichzelf gekend wordt’. Dat klopt, maar Spinoza bedoelt hier wel iets heel anders en zeker geen stoel! Er is maar één substantie, en dat is God. Ik pak het dunne boekje van Jan Knol en het dikke van Margot Brouwer er maar eens bij.

Knol zegt dat Spinoza voor God heel vaak het woord substantie gebruikt, en dat dit van het Latijnse woord substare komt, dat letterlijk ‘eronder staan’ betekent. God is de ene substantie die is. Al wat bestaat, maakt deel uit van deze ene substantie die onveranderlijk, onvergankelijk, allesomvattend en de fundering van alles is.

Wordt vervolgd.

 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
  
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk

zondag 12 april 2026

Oorzakelijkheid

Nagarjuna 3

Na de inleiding HIER en HIER door Erik Hoogcarspel ben ik bij Hoofdstuk 1 (“Oorzakelijkheid”) beland van zijn vertaling van Nagarjuna’s Grondregels… Dit bestaat uit 14 verzen of karika’s.

En ik moet eerlijk bekennen: dat valt niet mee, in de eerste instantie. Nu schijnt Nagarjuna algemeen erkend ‘moeilijk’ te zijn, maar toch. En dan een heel ander moeilijk dan het Tibetaans Dodenboek, met z’n situaties, taferelen en figuren. Dit zijn korte bondige stellingen en vragen, kortom filosofie. Het geheel komt op mij over als een spel met taal (en de lezer). Hoe moet ik dit ooit in blogvorm gaan gieten? Waar ben ik aan begonnen en wat een overmoed. Ik zie dat de onderwerpen van sommige hoofdstukken mij extra aanspreken, maar ik besluit toch maar de gebruikelijke volgorde aan te houden, hopelijk wordt alles dan langzamerhand toch duidelijker. En misschien is het beter om een aantal kortere blogposts achter elkaar te plaatsen in plaats van één enorme lap tekst.

Maar na aandachtig lezen en overpeinzen merk ik dat de tekst eigenlijk best goed te begrijpen is. Bloggen om het voor mijzelf duidelijk te krijgen is dus eigenlijk niet meer nodig. Een ‘samenvatting’ dan? Dat is onmogelijk, Nagarjuna’s tekst is al enorm ingedikt en ter zake, korter kan niet. Toch wil ik graag een aantal blogpost maken over dit belangrijke boek. Ik zal er wat dingen uitlichten die me opvallen of me extra bezig houden.
 
 
Nagarjuna is dus nogal ‘ter zake’, dat wordt al duidelijk bij het eerste vers van dit eerste hoofdstuk. Hij begint hier plompverloren en zonder verdere intro met een kritiek op ‘oorzakelijkheid’, kennelijk belangrijk. Voor ons bestaat iets alleen als het een oorzaak of gevolg heeft. Onze ‘werkelijkheid’ is een structuur van oorzaken en gevolgen. Iedereen gelooft dat en vaak ten onrechte. Nagarjuna is van mening dat we ons hierdoor in het dagelijks leven telkens laten beetnemen. Reclame maakt daar trouwens ook handig misbruik van.

Er is nooit iets ontstaan, zegt Nagarjuna, helemaal niets, wat dan ook en hoe dan ook, niet uit zichzelf of uit iets anders, en ook niet zonder een oorzaak. Hij gaat door met redeneren, schrappen en vragen stellen, en komt bij vers 14 met een soort conclusie tot nu toe. Het ontstaan en dus bestaan van gevolgen is niet houdbaar, omdat iets ofwel een oorzaak is, ofwel niet, en bewezen is dat oorzaken niet kunnen voortkomen uit één van beide soorten dingen. En als er dus geen gevolgen bestaan, zijn er ook geen oorzaken, en dus ook geen dingen die geen oorzaak zijn. Is dit een cirkelredenering? Volgens Hoogcarspel ontkent Nagarjuna niet dat er zoiets bestaat als oorzaak en gevolg , want hij verwijst regelmatig naar dagelijkse dingen waarin ze een rol spelen, maar verwijt Nagarjuna zijn tegenstanders (en ons!!) oorzaak en gevolg te zien als iets met zelfbestaan. Erik Hoogcarspel gebruikt hier het woord substanties. Dat vind ik erg verwarrend. Daarover volgende keer meer.

 
 
bron:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

donderdag 26 maart 2026

Prajnaparamitasutra

Nagarjuna 2

Grondregels van de filosofie van het midden is het meest bekende werk van Nagarjuna. Ik lees nu (langzaam aan) de vertaling van Erik Hoogcarspel uit 2005. De vorige blogpost en deze gaan over de inleiding van dit boek, en hoe belangrijk het ontdekken van de leegte is. Nagarjuna’s leer is radicaal en lijkt in de eerste instantie ingewikkeld. Alle dingen (en personen) zijn leeg, zij bestaan niet echt. Het zijn illusies, evenals de begrippen waarmee je denkt, dat zijn ook alleen maar hulpmiddelen. Als je je kunt bevrijden van alle dogma’s is er ruimte voor ervaren.

Maar leegte betekent ook weer niet dat er helemaal niets bestaat. De dingen bestaan wel én niet, iets er tussenin eigenlijk. Ze hebben geen onafhankelijk ‘zelfbestaan’, maar ontstaan in wederzijdse afhankelijkheid. Alles is vergankelijk en afhankelijk van andere dingen. Nagarjuna noemt dat “het middenpad”, iets tussen de uitersten van bestaan en niet-bestaan in. Hij laat zien dat dit net zo goed geldt voor “het ik”, dat ook niet bestaat, maar ontstaat in afhankelijkheid, vergankelijk en hecht verbonden met de rest. Die vergankelijkheid willen we liever niet onder ogen zien, we dichten onszelf en de andere dingen een “zelfbestaan” toe.
 
 
De Grondregels van.. heeft een verre oorsprong, die teruggaat naar de 1e eeuw voor onze jaartelling naar een beweging waaruit later het Mahayana boeddhisme is ontstaan. In die kringen werd de Prajnaparamitasutra (’Leerrede van de transcendente wijsheid’) geschreven. Een nieuwe  boodschap, alleen bestemd voor een elite (!). Inmiddels zijn er meerdere versies van. 
 
Maar misschien lijkt het inzicht van deze sutra’s en Nagarjuna alleen maar nieuw. Hoogcarspel suggereert dat de Boeddha al op hetzelfde spoor zat. Die vroeg zich lange tijd af of iemand zijn nieuwe inzichten wel zou begrijpen. Het eerste onderricht (dat later werd opgeschreven) lijkt helemaal niet zo diepzinnig. Luxe of strenge onthouding leiden niet tot verlossing, je kunt beter maat houden met alles (Boeddha noemt dit de middenweg). Niet omdat het ongezond is, of zonde van je tijd, maar omdat het zo irrelevant is. Je moet lichaam en wereldse gehechtheden niet overwinnen, maar begrijpen. Een inzicht van een totaal andere orde dus. Hoogcarspel: “Nagarjuna haalt een leerrede aan, waarin Boeddha spreekt over de middenweg als het verwerpen van het zijn en het niet zijn van de dingen. Mogelijk staat de leer van de transcendente wijsheid dichter bij het onderricht van de Boeddha dan je op het eerste gezicht zou zeggen”.

De centrale boodschap van de ‘nieuwe’ teksten is dat inspiratie, discipline, mededogen en goede werken niet helpen om een boeddha te worden. Het gaat nu om het inzicht dat bevrijding niet in het verlengde van de wereldse idealen ligt, maar daar juist haaks op staat. Monniken (en heiligen) zijn niet dichter bij de verlossing dan gewone mensen. Integendeel, zij denken nog helemaal volgens wereldse patronen en streven naar beloning en veiligheid en waardering.

De echte verlossing is een sprong in een heel andere denkwijze, of ‘taalspel’. Regeltjes en veel mediteren zijn ‘uit’ en de perfecte boeddhist is dan iemand die de transcendente wijsheid begrijpt en alle normen en feiten van de samenleving ziet als het spel van de wereld. De wereld bestaat niet zozeer, maar wordt gedaan. Beloning (bezit, reputatie) is buiten het spel (de wereld) niets waard. Om dat te begrijpen moet je de binding met het spel doorbreken. Loskomen van geloof in begrippen en dogma’s is loskomen van lijden. De bevrijding is in het hier en nu, in het alledaagse leven te vinden en kan door iedereen bereikt worden. Daar hoef je geen monnik voor te zijn, het enige dat je nodig hebt is rust en gelegenheid tot nadenken.

Wordt vervolgd.

  

bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
 
Michiel Leezenberg
interview door Femke van Hout
Filosofie Magazine, 9 sept 2024

woensdag 18 maart 2026

Mulamadhyamakakarikah


Nagarjuna 1

Zoals gezegd ben ik begonnen met het herlezen van Nagarjuna’s Grondregels van de filosofie van het midden, vertaald en uitgelegd door Erik Hoogcarspel. Ik ben netjes begonnen bij de inleiding. Voor deze blogpost heb ik ook gebruik gemaakt van een interview in Filosofie Magazine met een andere, meer recente vertaler van dit werk: Michiel Leezenberg. In 2024 verscheen zijn versie onder de titel Basisverzen van het middenpad. Het lijkt me leuk en leerzaam om ooit beide vertalingen eens te vergelijken, zoals ik dat eerder ook wel met het Tibetaans Dodenboek  heb gedaan.

In zijn inleiding geeft Hoogcarspel aan dat er veel mythen in omloop zijn over het leven van Nagarjuna, meestal Tibetaans. Aan alles zit een sterk verhaal vast, leeftijd, naam, geboorte. Er is eigenlijk niets met zekerheid bekend. Algemeen wordt aangenomen dat Nagarjuna ergens in het midden van de tweede eeuw geboren is in Zuid-India. Zijn vader zou een rijke brahmaan zijn geweest.

Volgens sommige biografieën heeft Nagarjuna zich met tovenarij bezig gehouden, voordat hij zich overgaf aan boeddhistische studie. Hij heeft veel gereisd en geschreven, en geldt als de belangrijkste filosoof van de Indiase boeddhistische traditie. De Mulamadhyamakakarikah (Grondregels van..) is Nagarjuna’s bekendste werk. Deze tekst bestaat uit 27 hoofdstukken van 6 tot 40 verzen (karika’s) van 4 regels, waarbij overpeinzing ervan zou helpen bij het ontdekken van ‘de’ leegte. De stellingen zijn soms raadselachtig en worden nauwelijks uitgelegd. Het zijn werktuigen om nieuw inzicht te bereiken, meer niet, na gebruik gooi je deze ‘ladder’ ook weg.

Nagarjuna probeert mensen te bevrijden van hun gebruikelijke manier van denken en begripsvorming. Die liggen op het vlak van de mentale voorstelling en zijn dus fantasie. Alle dingen die je ziet zijn eigenlijk illusies. Ze bestaan niet echt, maar zijn leeg. (En wijzelf?) Terwijl de werkelijkheid wordt ervaren, en juist daarom niet gedacht kan worden.

Nagarjuna’s  ideeën zijn behoorlijk radicaal en in de eerste instantie erg ingewikkeld. En waarom zou dat idee van leegte bevrijdend zijn? Omdat het verder gaat dan het traditionele boeddhisme? Je maakt je niet alleen los van de personen en de dingen om je heen (geen gehechtheid en begeerte, dus ook geen lijden meer bij verlies), maar ook van de begrippen waarmee je denkt (tijd, ruimte, causaliteit), want ook die bestaan niet echt. Het zijn slechts hulpmiddelen om je leven te kunnen leiden. Alles is leeg. Nagarjuna laat stapsgewijs zien dat élke vorm van logisch of conceptueel denken uiteindelijk onhoudbaar is. En dat geldt net zo goed voor het begrip ‘leegte’! Dat is ook maar een hulpmiddel om je gehechtheid los te laten.

Als je bevrijd bent van dogmatisch denken, in welke vorm ook (dus inclusief boeddhistische concepten), sta je open en los in het leven. Open voor de vrijheid van het ervaren. (Het menselijk verstand heeft sowieso zijn grenzen).

 
 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
 
Michiel Leezenberg
interview door Femke van Hout
Filosofie Magazine, 9 sept 2024

donderdag 5 maart 2026

Herpak


IN-TUSSEN lag even stil, maar ik probeer nu de draad weer op te pikken. De afgelopen maanden ontbrak het mij aan drie basisvoorwaarden: Rust en Gelegenheid tot Nadenken (en ik zie nog meer reuring mijn kant opkomen), maar op dit moment kan het.

Ik heb nog wel een interessant boek kunnen lezen: Sterrenstof zijn wij van Margot Brouwer. Deze voorheen angstige sterrenkundige wist haar doodsangst te dempen en prangende vragen te beantwoorden met een mix van werken van Spinoza, wetenschap en mystiek (o.a. advaita). Dat sloot mooi aan bij enkele onderwerpen die mij op dit moment bezighouden, zoals non-dualiteit, neo-advaita en figuren als Tony Parsons en hun boodschap.

Leegte’ vind ik een zeer inspirerend onderwerp, daar wil ik graag meer over nadenken, en dat met behulp van Grondregels van de filosofie van het midden, het belangrijke werk van Nagarjuna. Dat ga ik herlezen, in de vertaling van Erik Hoogcarspel. Pittige kost, maar misschien kan ik wat blogposts schrijven om het voor mezelf wat duidelijker te krijgen. Het lijkt me ook interessant om de lessen van Spinoza en Nagarjuna te vergelijken. Er zijn overeenkomsten, maar nog meer verschillen denk ik. Maar daar ben ik nu nog niet aan toe, ik hoop er later op terug te komen.

Binnenkort Nagarjuna dus.