Posts tonen met het label de dood. Alle posts tonen
Posts tonen met het label de dood. Alle posts tonen

maandag 25 mei 2026

Ich freue mich

Maarten ’t Hart en de dood (2-2)

In het eerste deel van deze blogpost beschreef Maarten ’t Hart (1944) hoe hij ooit een zelfmoord overwoog. De doorgaans monter ogende schrijver brengt in zijn boeken ook wel eens ‘mini-depressies’ ter sprake, die dan gelenigd worden door een troostend bezoek aan de boekhandel en de aanschaf van (afgeprijsde) boeken (meestal over componisten). Ik weet niet of Maarten in een eventueel hiernamaals gelooft, daar laat hij zich nooit over uit. Wel over de dood. Zijn vader was grafdelver en bij hem op het kerkhof zag hij ooit dit versje:

Eens was ik net als u,
die dit nu staat te lezen,
en zoals ik nu ben,
zo zult gij eenmaal wezen.
 
Een olijke variant op ‘heden ik, morgen gij’, maar voor de achtjarige Maarten een schokkende eye opener. In een van zijn autobiografieën (Dienstreizen van een thuisblijver) vertelt hij over een reportage op de begraafplaats van Warmond met een Duitse fotograaf, genaamd Tobias Todt. Het hele verhaal lijkt mij uit de duim gezogen, maar maakt wel duidelijk hoe Maarten over de dood denkt. Hij lijkt daar niet bevreesd voor, maar wel ‘doodsbang voor een ernstige ziekte’. Want dan kom je in een ziekenhuis terecht en daar kun je niet slapen, weet hij uit ervaring, en daardoor zink je steeds verder weg in een depressie. Je wilt dan dolgraag slapen en wegzinken in de diepst mogelijke slaap. ‘En wat is de diepst mogelijke slaap anders dan de dood?’  En als je zo smartelijk naar slaap kan verlangen, naar vergetelheid, naar wegzinken in een zoete sluimer, waarom je dan nog druk maken over de dood? ‘Doodzijn was toch het ultieme slapen, was toch een slaap van eeuwige jaren?’, citeert hij een boek van lang geleden.
 
 
Maarten wil vooral niet gecremeerd worden, ‘want dan worden al die hoogwaardige eiwitten die je je leven lang stuk voor stuk hebt opgebouwd in één klap vernietigd’. Hij laat de fotograaf alvast het plekje zien waar hij ooit wenst te liggen. De muziek bij de uitvaart moet in ieder geval het mooiste stukje Prokofjev bevatten, anderhalve minuut filmmuziek getiteld ‘de Tataarse steppe’. Hij lijkt zich te verheugen, want dood zijn heeft zo zijn voordelen. Als hij langs dit kerkhof fietst denkt hij altijd: als je dood bent, hoef je nooit meer op reis. Hij neuriet cantate 82 van Bach: Ich freue mich auf meinen Tod. 
 
 
 
bronnen:
Maarten ’t Hart
Een deerne in lokkend postuur
Persoonlijke kroniek 1999
De Arbeiderspers, 2000
 
Maarten ’t Hart
Dienstreizen van een thuisblijver
De Arbeiderspers, 2011

dinsdag 19 mei 2026

Geen verplichtingen meer

Maarten ’t Hart en de dood (1-2)

Ik droomde een keer dat ik bij de wastafel in mijn badkamer stond. Er lag water onder vanwege een lekkende sifon. Dat was flink balen (ik heb een lange geschiedenis met lekkages), maar ineens besefte ik dat dit misschien een droom was. Om dat te testen bukte ik om even mijn handen door het water te halen, want dat kun je in een droom niet voelen, dacht ik. Maar helaas, kletsnat natuurlijk. Wat een opluchting toen ik wakker werd!

Toch schijnen er wel dingen te zijn die je in een droom niet kunt doen. Klokkijken bijvoorbeeld, of lezen. Maarten ’t Hart (1944) beweert iets anders. In zijn ‘persoonlijke kroniek 1999’ (Een deerne in lokkend postuur) herinnert hij zich een ‘ongewoon heldere droom’ uit 1971 waarin hij de krant las, en daarbij zijn eigen overlijdensadvertentie tegenkwam. Hij prentte zich de datum scherp in: 14 april 1987. Lange tijd heeft hij gedacht dat de droom zou uitkomen, maar die angst (?) is inmiddels (1999) door de tijd ingehaald. Toch betwijfelt Maarten nog steeds of hij het jaar 2000 wel zal halen, want gelet op zijn enorme roekeloosheid in het verkeer is het ‘een groot wonder dat hij nog steeds leeft’.

Is hier (onbewust) sprake van een doodswens? In hetzelfde boek lees ik bij 17 september een indringende passage, getiteld Thanatos (de god van de zachte dood). Hier beschrijft Maarten hoe hij vanuit de woonkamer van zijn zus het balkon oploopt. Ze woont hoog in een flat met een schitterend uitzicht. Het is zonnig warm met een goudkleurig en betoverend septemberlicht. Hij staat daar en kijkt naar beneden en voelt zich sprakeloos gelukkig. Diep onder hem ligt een zonovergoten groen grasveld. Hij herinnert zich psalmteksten en denkt aan het heelal, mysterieus maar doelloos.

Terwijl hij zich dicht tegen de balkonrand aandrukt lijkt het haast alsof het grasveld zich aanbiedt. Zwevend op de vleugels van de wind zou hij er vredig op kunnen neerdalen. Hij moet alleen even op die rand klauteren. De wind suist, achter hem de stemmen uit de kamer, en naarmate de seconden verstrijken lijkt het steeds aanlokkelijker om te springen. Aan al zijn problemen zou in één klap een einde komen. Hij somt ze voor ons op. Geen ondraaglijk lijden zo te zien, maar irritante ongemakken en werkdruk en allerlei verplichtingen. Dan ziet hij op het grasveld een meisje met een hondje en denkt dan aan zijn eigen hondje Roef. Het kost hem nog wel de grootste moeite om zich weer los te maken van die balkonrand, want ‘wat kan het opeens geweldig aantrekkelijk lijken om dood te zijn!’ 

Is dit verhaal geïnspireerd door het werk van T.F. Powys (1875-1953)? Maarten ’t Hart zou een bewonderaar zijn van deze merkwaardige Engelse schrijver, maar dat heb ik nergens concreet kunnen vinden. Bij Powys is de dood een list van de natuur om je je leven afhandig te maken, maar tegelijk de enige uitweg uit de misère.

 
bron afb: knipsel Parool

 
bron:
Maarten ’t Hart
Een deerne in lokkend postuur
Persoonlijke kroniek 1999
De Arbeiderspers, 2000

vrijdag 17 april 2026

De uitvinding van onsterfelijkheid

Het hiernamaals is verzonnen door de Victorianen. In The Green Man (1969) lees ik een passage, waarin een lokale geestelijke afrekent met het idee van onsterfelijkheid.


The Green Man
, geschreven door Kingsley Amis, is een ghost story en comedy tegelijk. Hoofdpersoon Maurice Allington (alcoholist en womanizer) heeft een eeuwenoude pub waar het spookt. Als zijn vader overleden is, drinkt Maurice na de begrafenis nog een borrel met Tom Rodney Sonnenschein, de verwijfde en eigenwijze Reverend van St. James, Fareham. De verveelde dominee is duidelijk toe aan een uitdagender parochie ergens in Londen.

Maurice is tamelijk geschokt een geestelijke te ontmoeten die in feite goddelozer is dan hijzelf, toch een behoorlijk geharde ongelovige. Hij vindt dit niet prettig. Zoals verwacht komt het gesprek op de dood, die we volgens de predikant veel te serieus nemen. Het is tenslotte al van de geboorte af een integraal onderdeel van het leven. En zeker geen toegang tot een andere wijze van bestaan of iets dergelijks, of een deel van ‘Gods plan’ (want dat is er niet).

Het hele onsterfelijkheidsgedoe is trouwens al behoorlijk uitgemolken, vindt dominee Sonnenschein. Je moet het historisch bekijken, als een voorbijgaande fase en eigenlijk bedacht door de (vroege) Victorianen vanuit een soort schuldgevoel. Zij hadden de kwaadaardigheden van de Industriële Revolutie gecreëerd, en zij konden al aanvoelen wat een afschuwelijk monster het kapitalisme zou gaan worden. Een hel op aarde. En het enige toevluchtsoord wat ze konden verzinnen om hier tegenover te zetten, was een nieuw leven. Weg van de rook en de stank en het gejammer van verhongerende kinderen. Maar nu inmiddels begint door te dringen dat kapitalisme gewoon niet voldoet en niet deugt, en dat we de maatschappij kunnen veranderen, zodat iedereen hier op aarde een zinvol en organisch bestaan krijgt, kan de onsterfelijkheid opgeruimd naar zolder.

Maar, werpt Maurice nog tegen, als die Victorianen dan zo dol waren op het idee van een hiernamaals en tegelijk verteerd werden door schuldgevoelens, zou je toch denken dat ze juist veel meer geneigd waren in de hel te belanden? Precies! De dominee is het helemaal met hem eens. Ze waren compleet weg van de hel, en die zou precies worden als hun kostschool, met de enige echt intens emotionele ervaringen die ze aankonden. Slaan, geseling, afbeulen, koude baden, roeien en een angstaanjagende almachtige oude man die je voortdurend vertelde hoe nietig en waardeloos je was. Ze waren er gek op. Niet toevallig was dit het grote tijdperk van masochisme, vooral in Engeland. Het hele gebeuren is absoluut fundamenteel voor de kapitalistische psyche: liefde voor pijn en straf en ellende in het algemeen, allemaal protestantse eigenschappen. Je zou kunnen zeggen dat de onsterfelijkheid van de ziel is uitgevonden door Thomas Arnold.

 
bron:
Kingsley Amis
The Green Man
Penguin, 1988

maandag 24 november 2025

Frida Kahlo: De Droom


Deze week zijn er twee schilderijen voor een recordprijs verkocht. Een werk van Gustav Klimt en een ‘zelfportret’, getiteld De Droom (Het Bed), van Frida Kahlo. Dit laatste schilderij, gemaakt in 1940, heeft mijn bijzondere belangstelling vanwege de surrealistische verbeelding van (o.a.) de thema’s slaap, droom en dood.

Kahlo maakte in de jaren dertig en veertig vaker een zelfportret, geïnspireerd door bijvoorbeeld een ingrijpende gebeurtenis uit haar leven. Na een bijna fataal ongeluk had zij lange perioden van chronische pijn en moest vaak noodgedwongen het bed houden.

Op het schilderij zien we Frida Kahlo slapend in een soort houten hemelbed, zwevend in de wolken, die haar dromen zouden symboliseren (of anders misschien de hemel). Zij ligt onder een gouden deken, verstrikt in ranken en bladeren. ‘Het leven’, wellicht.

Meest opvallend is het skelet dat bovenop het bed ligt. Dat is wakker en omwikkeld met explosieven. Het kan elk moment fout gaan. De dood is een realiteit en onvermijdelijk. Het skelet houdt een boeket vast, waaronder springstof. Verraad dus, een Judas. In Mexico worden tijdens Pasen skeletten van papier-maché (Judas) verbrand, om zo het vernietigen van alle negatieve energieën uit te beelden. Kahlo verwerkte, naast o.a. surrealistische elementen en Katholiek symbolisme, ook Mexicaanse volkskunst in haar schilderijen. In deze cultuur leven de doden en de levenden in harmonie naast elkaar en feesten soms zelfs samen.

Naar het schijnt sliep Frida Kahlo in een hemelbed naast een skelet van papier-maché. De dunne lijn tussen slaap en dood hield haar voortdurend bezig. Zij was ook bang om te sterven in haar slaap.

maandag 10 november 2025

Frozen sky

Wij zijn sterrenstof. Letterlijk. Destijds al een bekende hippie slogan (denk aan Crosby Stills Nash & Young), maar hij komt ook nu nog vaak voorbij. In de vorige blogpost bijvoorbeeld, benadrukt sterrenkundige Margot Brouwer het feit dat wij gemaakt zijn van atomen die gesmeed zijn in het centrum van sterren. Voor Margot een basis voor inzicht en troost en een demping van haar (doods)angsten.

In een andere aflevering van dezelfde podcastserie (De Verwondering) kwam de dichter Ingmar Heytze aan het woord. Ook hij wordt geplaagd door vele angsten, die hij bestrijdt met een mooie en (voor hem) troostrijke gedachte: wij zijn niet alleen maar stof, maar op de een of andere manier ook van licht. Mooi gezegd, zelf zou ik het energie noemen.


En Jonathan Richman heeft weer een andere metafoor. Op de titeltrack van zijn nieuwe album zingt deze leeftijdloze rock’n’roll optimist “I was only just frozen sky anyway”. Uncut magazine vroeg hem om deze beeldspraak nader toe te lichten. Het komt uit de poetry van de Indiase guru Paramahansa Yogananda (1893-1952), vertelt Richman. Die schreef: “I am the vast blue ocean of sky… frozen sky…” Naar het schijnt was een vriend van hem net overleden en Yogananda reageerde met dit gedicht om aan te geven dat dood alleen een verandering is, van de ene manier van zijn in het universum naar een andere.

Dat is wel een beetje kort door de bocht van Jonathan. Het betreffende citaat komt uit een gezang van Yogananda, een meditatie over het identificeren van het zelf met het oneindige (gesymboliseerd door de sky). "I am a little drop of the sky — frozen sky" suggereert dat individueel bewustzijn (de “druppel”) een manifestatie van het goddelijke is, en een deeltje van de onmetelijke onstoffelijke realiteit. Een deeltje dat vanwege onze beperkte zienswijze vast lijkt te zijn (“bevroren”).

Pas toen de hele elpee af was en Jonathan Richman al het materiaal gehoord had, realiseerde hij zich dat dit album een thema heeft, namelijk (de) dood. En dat terwijl heel veel van zijn songs juist over jeugdigheid en levensgenieten gaan, merkt Uncut nog op. Klopt, zegt Richman, maar er is niks mis met contrast. Het zal ook de ‘ouwe dag’ wel zijn, vermoed ik. Jonathan is ook al weer 74.

 
bron: uncut 345, 2025
 

maandag 3 november 2025

Sterrenstof en Spinoza

In podcastserie De Verwondering had Annemiek Schrijver een interview met sterrenkundige Margot Brouwer (1989), die haar kennis over het universum (wetenschap) combineert met filosofie en zingeving. Wij zijn sterrenstof. Wij zijn gemaakt van atomen die gesmeed zijn in het centrum van sterren.

Brouwer worstelde jarenlang met een verlammende doodsangst , die al begon in haar vroege jeugd. Ze groeide op in een christelijk gezin en kreeg het benauwd bij het idee van eeuwige duisternis. Hoe lang duurt dood zijn en de eeuwigheid, vroeg zij zich af. In feite werd de keuze voor haar studie sterrenkunde en natuurkunde ingegeven door deze angsten. Zij wilde antwoorden op haar vragen. Waar komen we echt vandaan, hoe is het universum ontstaan, de aarde, en hoe gaat het uiteindelijk verder? Margot belandde in een wereldbeeld dat heel ver afstond van haar geloof als kind. De oerknal, het ontstaan van de sterren, de aarde, de evolutie vanaf eencelligen tot de mens. Allemaal toevallig zo ontstaan, het is gewoon. De wetenschap leek haar angsten te bevestigen: er is geen zin en na de dood is er niets. De feiten hielpen niet haar gevoel van eenzaamheid op te heffen.

Het kantelpunt kwam toen ze naast haar wetenschappelijk werk de filosofie van Spinoza ging lezen, daardoor werd haar belevingswereld weer geopend en kon ze de natuurwetenschap gaan gebruiken om alsnog haar existentiële vragen te beantwoorden. Spinoza ziet God niet als iets dat buiten het universum bestaat (een mensachtige god die het universum heeft gemaakt), maar ziet God als het universum of heelal zelf, en wij zijn daar een onderdeel van, een onderdeel van God. Deze pantheïstische visie opende voor Margot de deur van de wetenschap naar filosofie en mystiek, o.a. de advaita (non-dualiteit). Ook Einstein wordt genoemd als bewonderaar van Spinoza. Wij staan niet los van alles, maar zijn er een integraal onderdeel van. De mens ervaart zichzelf en zijn gedachten en gevoelens als afgescheiden van de rest. Een soort optische illusie van het bewustzijn. Een waanbeeld dat werkt als gevangenis.

Margot ruilt haar psychiater in voor de spirituele lerares Unmani (die, zo lees ik op haar website, o.a. geïnspireerd is door Tony Parsons) en leert het leven in het hier en nu te aanvaarden. Zij ziet nu in dat het allemaal gedachten waren, gebaseerd op het idee dat ze op een soort tijdlijn leeft. Allemaal gedachten die je nu hebt, nu op dit moment. Vertrouw er niet op dat die allemaal waar zijn, maar vertrouw alleen op wat je nu direct weet, dan is er eigenlijk alleen maar dit moment. Je bent alleen maar hier en nu. Het enige moment waarop je kunt zijn is nu. Dat betekent dus dat je helemaal niet bang hoeft te zijn voor de dood, omdat er nooit een nu zal zijn waarin je dood bent. Margot werd bevrijd van haar angst. En ‘zonder doodsangst’, zegt ze, ‘is er meer ruimte voor compassie’.

Dit is het ultieme wetenschappelijke experiment, vindt Margot. Het enige wat ze kan weten is dat ze dit moment is en dat ze in dit moment is, dat is volgens haar God. De tijd gaat niet voorbij, zegt Einstein, dus het is als een dimensie, het is als ruimte, het bestaat allemaal tegelijkertijd. Er is dus altijd een plekje in de tijd waar je bent. Die ene uiting van God, namelijk jij. Als je dat beseft, dat je niet bang hoeft te zijn voor de dood, dan kun je ook je eigen belang iets losser vasthouden en dan kun je leven met minder angst. Dus je eigen identiteit misschien ook wat minder serieus nemen, want ook die verandert. (Leegte!) Eigenlijk is de hele persoon die ik denk te zijn helemaal gebaseerd op ideeën en herinneringen.

Margot vindt nu dat ze het christendom waarmee ze opgegroeid is, te letterlijk nam en ziet de meer symbolische betekenis van al die oude teksten. Ze gaat ook weer naar de kerk.

zaterdag 25 oktober 2025

Djinini, het eerste sterfgeval


In het boek Droomtijd, een verzameling mythen uit de ‘eindeloze scheppingstijd van de Aboriginals’, kwam ik het verhaal van de eerste dood tegen. Ik geef het hier kort weer.

Purukupali en zijn vrouw Bima zijn een gelukkig stel. Hun zoontje heet Djinini. Toch duikt Bima op een slechte dag (letterlijk) de bosjes in met een andere man. Het is Tjarapa die haar verleidt, en overhaalt om de slapende Djinini een poosje alleen te laten in de schaduw van een boom. Helaas vergeet Bima de tijd op deze snikhete dag, en als ze eindelijk bij haar kind terugkomt is de schaduw allang verschoven en ligt Djinini dood in de brandende zon.

Purukupali is ontroostbaar en woedend. Hij slaat Bima met zijn boemerang en zij vlucht het bos in. Tjarapa heeft grote spijt en smeekt Purukupali om het lijk van Djinini, zodat hij hem weer tot leven kan wekken in drie dagen. Maar het komt tot een tweegevecht, een lange bittere strijd. Ze brengen elkaar diepe wonden toe, en vallen uitgeput en zwaargewond neer.

Purukupali staat op en neemt zijn dode zoontje in zijn armen. Hij loopt achteruit het water in en roept dat vanaf dat moment alle levende wezens op aarde hetzelfde lot als zijn zoon te wachten staat: sterven. Vader en zoon verzinken in het water en er ontstaat een reusachtige draaikolk. Die is er nog steeds op die plek.

Tjarapa stijgt omhoog aan de hemel en verandert zich in de maan. Zijn wonden, veroorzaakt door Purukupali, kun je nog zien. Maar ook Tjarapa ontkomt niet aan de dood. Telkens opnieuw sterft hij, maar maakt zich na drie dagen altijd weer levend en begint zijn reis langs de hemel van voren af aan. De ontrouwe Bima verandert zich in een wulp, die met een luide treurige roep elke nacht opnieuw het leed uitdraagt dat zij voelt om de dood van haar kind en om het ongeluk dat zij met haar gedrag over de wereld heeft gebracht.

Interessant in dit verhaal vind ik het eventueel tot leven wekken in drie dagen. Verder het gegeven dat de dood (indirect) veroorzaakt is door lust, overspel en lichamelijke activiteiten. En vooral het feit dat toch ook in deze jager/ verzamelaar cultuur de vrouw de schuld krijgt van een groot onheil dat (onder andere) de hele mensheid treft.

 
 
bron:
Droomtijd
Uitgeverij Elmar, 2004

zondag 19 oktober 2025

Lichtpuntje of duistere tijd

De Toverberg is het bekende boek van Thomas Mann uit 1924. Een zeer lang verhaal dat zich geheel afspeelt in een luxe sanatorium in het Zwitserse Davos. Er zijn veel zieken die er overlijden, maar een ‘lijdensoord’ is het bepaald niet. De welgestelde patiënten blijven er soms jaren plakken. Hoofdpersoon Hans Castorp bijvoorbeeld kwam er voor een bezoek van drie weken aan zijn neef, maar rekte zijn verblijf tot maar liefst zeven jaar. 
 
Spoiler! 
Op bladzijde 670 van mijn exemplaar komt de neef, Joachim Ziemßen, te overlijden. Zijn moeder is daarbij aanwezig, en ‘kamerheer’ Behrens (de hoofdarts van het sanatorium) probeert haar te troosten met enkele (naar zijn mening) geruststellende opmerkingen over sterven en hiernamaals. Behrens: ‘Op het laatst zal hij veel slapen en zoet dromen, meen ik u te kunnen beloven, en als hij op het allerlaatst niet toevallig zou slapen, zal hij toch een korte, ongemerkte overstap maken, het zal hem tamelijk om het even zijn, daar kunt u van op aan. Dat is overigens de normale gang van zaken.’

Behrens zegt de dood te ‘kennen’ en noemt zich zelfs diens ‘oude bediende’. De dood wordt in het algemeen overschat, maar heeft toch bijna niets om het lijf. Want wat er aan vooraf gaat (ziekte, lijden), hoort immers bij het leven. De dood beleef je niet, niemand zou er iets zinnigs over kunnen zeggen, zelfs al zou je terugkomen. ‘We komen uit het duister en we gaan naar het duister, en er tussenin liggen belevenissen, maar begin en einde, geboorte en dood, worden door ons niet beleefd, ze zijn niet subjectief van aard: als gebeurtenissen horen ze volledig thuis in het domein van het objectieve, iets anders kan ik er niet van maken.’

Dit lijkt op het bekende citaat van Nabokov over het leven als slechts een kort lichtpuntje tussen twee eeuwigheden van duisternis. Heel veel mensen denken daar precies omgekeerd over, zij ervaren het leven als een duistere tijd, tussen twee perioden van licht.

En Gummbah heeft (natuurlijk) zo zijn eigen interpretatie. In zijn cartoon wordt een sullige figuur (‘leven’) vanuit de geboorte regelrecht naar de dood geschoten, dwars door een kloof ‘niets’. In zijn hand een koffertje ‘vrije wil’.

bron afb: knipsel Volkskrant

 

bron: 
Thomas Mann
De Toverberg (1924)
Vertaling Hans Driessen
De Arbeiderspers, 2012

dinsdag 8 april 2025

ngé jung

Dit is het bardoblog. Hier gaat het meestal over dood, sterven en een eventueel hiernamaals. Geen populaire onderwerpen, veel mensen willen hier liever niet aan herinnerd worden of over nadenken. Misschien hooguit een beetje over een hemel of zoiets, en dan vooral als iemand anders overleden is. Waarschijnlijk vinden zij mijn interesse ‘morbide’.

In Tibet ligt dat anders. Contemplatie over de dood zou leiden tot een gevoel van wat daar ngé jung wordt genoemd, 'drang naar bevrijding'. Ngé betekent 'feitelijk' of 'absoluut', en jung betekent 'eruit komen', 'uitstijgen boven', of 'geboren worden'. Als je veel en diep nadenkt over de dood kun je een werkelijke verandering opwekken. Er ontstaat een gevoel van afkeer en je bent steeds meer bereid je patronen los te laten. Je ontstijgt ze en uiteindelijk zul je je er makkelijk van kunnen bevrijden. Het besef dat je niet veroordeeld bent tot je gewoonten en dat bevrijding mogelijk is geeft vertrouwen en blijvende inspiratie. Een nieuwe kracht. Als je in staat bent los te laten ga je de dingen ruimer zien.

Nadenken over dood en vergankelijkheid kan dus ook vreugde opleveren.



bron:
Sogyal Rinpoche
Het Tibetaanse boek van leven en sterven
Servire 1996, vijfde druk

zondag 15 december 2024

Metafysische paniek; Pessoa en de theosofie


De Portugese dichter Fernando Pessoa raakte, naar eigen zeggen, "in metafysische paniek" toen hij een paar theosofische boeken moest vertalen. Dat is opmerkelijk als je bedenkt dat hij in feite geknipt was voor die opdracht, en waarschijnlijk toch ook wel wat gewend op esoterisch gebied. Zijn kennis daarvan was aanzienlijk. Fernando Pessoa (1888-1935) was een tegenstander van de georganiseerde kerken (vooral die in Rome) en noemde zichzelf een ‘gnostisch christen’. Als religieus mens zonder religie was kennis van de ‘andere’ waarheid voor hem een levensnoodzaak. Na bestudering van alle grote filosofen verplaatste zijn interesse zich voor de rest van zijn leven naar het occulte in al zijn verschillende hoedanigheden en verschijningsvormen. Met kabbala, vrijmetselarij, het pantheïsme en het pantheïstisch transcendente denken voorop. Theosofie kan daar natuurlijk zo tussen. Deze mix van filosofie, religie en wetenschap heeft als uitgangspunt dat alle religies en filosofieën uit één universele wijsheid zijn voortgekomen. Kennis komt niet door openbaring, maar via 'ontsluiering' van oude waarheden. Denk hierbij ook aan ‘ontdekking’ en publicatie van (wat wij nu kennen als) Het Tibetaans Dodenboek door theosoof Walter Evans-Wentz.
 

In 1915 wordt Pessoa (zelf geen theosoof) gevraagd om enkele boeken over theosofie te vertalen. Hoewel dit een onderwerp was waar hij “absoluut niets van wist”, vertaalde Pessoa tussen 9 september en 25 oktober 1915 het Theosofisch Compendium van C.W. Leadbeater (later nog meer, en werken van Annie Besant en anderen). Als Pessoa zich verdiept in de materie raakt hij totaal gefascineerd. In een (niet verstuurde) brief van 6 december 1915 beschrijft hij zijn ontdekking als een ‘intellectuele crisis’ aan zijn vriend en collega-dichter Mário de Sá-Carneiro. “Het buitengewoon omvattende karakter van deze filosofie-religie; het idee van kracht, van beheersing, van hogere en buitenmenselijke kennis, dat deze theosofische werken uitstralen, hebben me zeer in verwarring gebracht. De mogelijkheid dat daar, in de Theosofie, de werkelijke waarheid ligt, obsedeert me.”

De theosofie als ‘ultrachristelijk systeem’ (met de christelijke principes verheven tot een punt waar ze versmolten zijn tot iets dat verder ligt dan God) vindt Pessoa eigenlijk niet te verenigen met zijn eigen ‘fundamentele heidendom’. Terwijl tegelijkertijd diezelfde theosofie (die elke godsdienst toelaat) juist helemaal overeenstemt met het heidendom, dat ook alle goden toelaat in zijn pantheon. Het stoot hem af en trekt hem aan. “De theosofie maakt mij bang door haar mysterie en haar occulte grootsheid. Het is de afschrikking en de aantrekking van de afgrond voorbij de ziel. Een metafysische paniek.”

Het is vaak moeilijk te peilen wat Pessoa nu eigenlijk gelooft of wat tenminste zijn uitgangspunten zijn. Misschien zijn het telkens voorlopige conclusies. Dat mag. In 1935 (het jaar van zijn dood) was dat: “Ik geloof in het bestaan van werelden hoger dan de onze, en van de bewoners van die werelden, in ervaringen van verschillende trappen van vergeestelijking, zich verfijnend totdat men komt bij een Hoogste Wezen, dat vermoedelijk deze wereld heeft geschapen. Het kan zijn dat er nog andere Wezens zijn, eveneens Hoogste, die andere universums hebben geschapen, en dat die universums tezamen bestaan met het onze, elkaar al of niet wederzijds doordringend.”

En wat betreft de dood: “Leven is een ander toebehoren. Sterven is een ander toebehoren. Leven en doodgaan is precies hetzelfde. Maar leven is een ander van buiten toebehoren, en sterven is een ander van binnen toebehoren. De twee dingen lijken op elkaar, maar het leven is de buitenkant van de dood. Daarom is het leven het leven en de dood de dood; want de buitenkant is altijd waarachtiger dan de binnenkant - zoals het de buitenkant is die men ziet, en de binnenkant wat er niet is.”

Fernando Pessoa’s enige echte vriend Mário de Sá-Carneiro (van de niet verstuurde brief) stierf jong in 1916, hij pleegde zelfmoord op zijn 25e. Pessoa zelf ging (niet onvrijwillig) dood aan alcoholvergiftiging. Zijn laatste geschreven woorden waren "I know not what tomorrow will bring".

Inderdaad, Tomorrow Never Knows. 
 
 
 
Bronnen:
Fernando Pessoa
Mijn droom is van mij
Arbeiderspers, 1995

August Willemsen
De Revisor, 1983

maandag 3 juni 2024

Een vakantiehuisje dat voor je klaarstaat

De hemel van… Kitty Mulder

(De hemel van… Afl.26)

In 2014 verscheen Wat is leven? van bioloog Arjen Mulder. Het is het verslag van een persoonlijke zoektocht, die in gang werd gezet door de geboorte van zijn zoon, maar toch vooral door de dood van zijn vader. In het eerste hoofdstuk beschrijft hij diens sterfbed, terwijl het laatste hoofdstuk een I.M. is voor zijn moeder. Volgens Mulder was zij niet bang om dood te gaan, maar zag ze het met een gerust hart tegemoet. Hij geeft een anekdote:

Zijn moeder is op bezoek bij een buurvrouw wiens man net begraven is. Deze buurvrouw, zo blijkt, is zelf nogal bang voor de dood en voor het doodgaan. Moeder is verbaasd, want je weet toch waar je heen gaat? Maar nee, dat weet de buurvrouw juist niet. Moeder Mulder praat haar bij. Achteraf wist ze niet waar ze het vandaan haalde, ‘maar de geest gaf het haar in’. Ze zei: “Het is net zoiets als wanneer je een vakantiehuisje hebt geboekt. Je weet niet precies of het wat is, of de zon op het terras staat en of er een supermarkt in de buurt is. Maar je weet wel dat dat huisje daar voor je klaarstaat.” Arjen Mulder voegt daar aan toe dat het voor sommige mensen misschien altijd vakantie is, maar voor zijn moeder zeker niet. Zes kinderen en een moeilijke man, en dan nog al die ziektes en aftakeling later. Maar dat alles wordt nu dus toch nog ingehaald in dat vakantiehuisje. Hij vindt het een prachtig beeld. Hier geen knarsende hemelpoort in een ongenaakbaar hoge muur, maar een open en warm hiernamaals, buiten.

Mulders ouders waren gereformeerd, hijzelf is allang niet kerkelijk meer, heeft het geloof afgezworen op zijn negentiende. Hij is het nu grotendeels vergeten, zegt hij, en is daar blij om. Want narigheid en ellende zijn niet echt, integendeel. Het leven is juist goed en geen tranendal. En die zekerheid is de kern van het geloof, aldus Mulder, maar de christenen kijken niet goed genoeg. Godsdiensten zijn georganiseerde pogingen om de dood te ontkennen. Maar kijk eens om je heen, de bloeiende natuur, vogeltjes. Het leven zelf is de grootste ontkenning van de dood.

De liedteksten, die zijn moeder en vader aan hen doorgaven (voor de rouwkaart), leest Mulder als gecodeerde berichten waarin zij hun manier van sterven beschrijven. Dat is opstijgen tot God in hoger, reiner gezang (zijn moeder), of met Jezus als gids over de woeste wateren (zijn vader). Arjen heeft daar soms zo zijn bedenkingen over, maar een andere keer vindt hij het eigenlijk wel best. Hij citeert ‘een Duitse schrijver’ bij wie hij ooit eens las ‘Sterben ist schwierig, sondern es gelingt’.

Ook Moeder Mulder kwam uit een gezin met traditionele ouders. Als oudste dochter werd ze thuisgehouden om voor hen te zorgen. Zij had geen uitgesproken beeld van God, hij was meer de man van de organisatie. Je kon erop vertrouwen dat het goed kwam, dus je bemoeide je er verder niet mee. Je moet gelukkig zijn met de geschenken die je krijgt, dat is het geheim van het leven. En dat leven zelf is ook een geschenk, zelfs in het verzorgingshuis, oud en ziek. Je geeft niet op, je maakt af wat je begint. Maar mag je dan wel blij zijn met je naderende dood, mag je willen sterven? Want dan zeg je eigenlijk: ik wil het geschenk van het leven niet langer. De oplossing werd gevonden in de tekst van een gezang, dat van het doodgaan zelf een uiting van dankbaarheid maakte. Sterven als hoogste, reinste loflied aan God.
 
bron afb: A. Mulder, Wat is leven?

woensdag 17 april 2024

De bijna-doodervaring als valstrik

Bioloog Arjen Mulder heeft grote achterdocht wat betreft de bijna-doodervaring (BDE). Het zou namelijk “de val kunnen zijn die de dood voor ons opstelt om ons het leven afhandig te maken en onze ziel uit ons lichaam te trekken”, schrijft hij in zijn boek Wat is leven? (2014). Een interessante gedachte, die je niet vaak hoort.
 
 
Mulder (1955) neemt de verzamelde verhalen over BDE’s niet erg serieus: “een hele mythologie op de grens van nog-levend en al-dood”. Hij somt de bekende elementen van die wonderlijke ervaringen nog eens op. Omlaag kijken naar het eigen lichaam, tunnel en licht, gevoelens van diepe rust en vrede, totale aanvaarding en ontmoetingen met gestorven dierbaren of onbekenden. Het prachtig gekleurde licht en een liefdevol lichtwezen met een fundamentele vraag. Het overzien van het eigen leven en een waardeoordeel, ben je al goed genoeg om te sterven? Dan een hinderlijke barrière tussen dit en een volgend bestaan, en terug weer naar het aardse leven, met vergeefs verzet daartegen. De boodschap dat men helaas terug zal moeten, wordt vaak overgebracht door de verloren dierbaren. Zonder uitleg waarom, als een soort bevel. En dan verder moeten leven met tegenzin, voorgoed veranderd door de ervaring van vreugde, liefde en vrede aan gene zijde. Grote woorden als ‘universele liefde’, ‘goddelijk’, ‘alomvattend licht’, ‘eenheid met al het bestaande’.

Er is de wetenschappelijke ‘verklaring’ dat de BDE veroorzaakt wordt door zuurstofgebrek in de hersenen, maar daar hebben de bijna-doodmensen al helemaal niets aan. Als spirituele ervaringen gelijk opgaan met fysieke verschijnselen, zegt dat niets over aard en waarde ervan. Hun inzicht blijft: de dood is goed, het is beter daar. Maar waarom leven wij dan nog? Waarom hier verder ploeteren als de eenheid daar binnen handbereik ligt? De doodservaring van de teruggekeerden was zo indrukwekkend, dat ze er geen vraagtekens bij kunnen plaatsen. En precies dat is wat Mulder nog het meest verontrust. Want die bijna-doodmensen zijn heus geen onnozelaars, die ‘een bijeffect voor de hoofdzaak aanzien’ (zoals de wetenschappers beweren). Op de grens van leven en dood zijn ze bijna verleid en hadden geen verweer daartegen. Naïef gingen ze in op de invitatie om te sterven, maar werden door hun geliefden teruggestuurd.

Er is geen paranoïde BDE-variant bekend, en Mulder vindt dat raar. Die licht en liefde ervaring aan de overkant zou net zo goed een door de dood opgestelde val kunnen zijn, om ons het leven afhandig te maken en onze ziel uit het lichaam te trekken. En die strenge geliefden zijn dan je redders. In de dood en de aftakeling van een lichaam krijgt de natuur ineens weer de overhand. Daar helpt niets tegen, daar ga je dan. De natuur biedt ons eenheid en universele liefde, maar je moet wel eeuwig doodblijven.

Arjen Mulder noemt in dit verband de Engelse schrijver T.F. Powys (1875-1953). In zijn verhalen worden simpele dorpelingen soms aangesproken door ‘de natuur’, die ze tot zelfdoding probeert aan te zetten. Deze T.F. Powys heeft een vreemd, meewarig oeuvre geschreven. De mensen deugen niet, en de natuur deugt nog minder. Als je denkt bevrijding te vinden, verlies je juist alles wat je hebt. De dood is een list van de natuur om je je leven afhandig te maken, maar tegelijk de enige uitweg uit de misère. Mulder weet niet of Powys zijn lezers in de maling neemt of juist het ultieme inzicht deelachtig laat worden. Bij elke uitnodiging om dood te gaan moet je heel goed opletten. Het is verstandig een tijdje te wachten tot het overwaait, zoals Powys zelf soms weken achtereen deed. En Mulder voegt daar aan toe: “De BDE is geen bewijs dat het aan gene zijde pas echt prettig wordt, maar een teken dat je zo lang mogelijk uit die contreien weg moet blijven: ze schuwen er geen middel om je bij de lurven te grijpen. Ze slaan toe waar je het kwetsbaarst bent – de pijn of benauwdheid waarmee je kampt in je benarde situatie van drenkeling of zieke – en ze onderdrukken die ellende chemisch, waardoor je vrede en opluchting deelachtig wordt. Maar als het werkelijk zo schitterend is na de dood, heeft het geen zin dat wij hier nog leven. En wij zijn er nog steeds, en met steeds meer ook. Dat suggereert dat het leven bedoeld is voor iets anders dan doodgaan, dat er een ander einddoel is.”

Zoveel grimmigheid ben ik tot nu toe alleen nog bij Castaneda tegengekomen. Volgens de sjamaan Don Juan heeft de dood twee stadia. Eerst een oppervlakkige bezwijming met een ervaring van lichtheid, en gevoelens van geluk en compleetheid, alsof alles in de wereld tot rust is gekomen. Maar deze vage toestand verdwijnt al snel en je ontdekt dat je toch weer jezelf bent, waarna je nieuwe regionen binnentreedt, regionen van barsheid en macht. Dit tweede stadium is de werkelijke ontmoeting met de dood. Die barst nu op je los, uit volle macht en in kalme razernij, tot hij je leven in het niets oplost.

 
Arjen Mulder
Wat is leven?; Queeste van een bioloog
Arbeiderspers, 2014

zondag 10 december 2023

Anderen

Ik herinner mij mevrouw P., een wat serieuze oude dame, met wie ik wel eens een praatje maakte. Meestal kort, want zij had vaak haast. Dat kwam door haar “sociaal werk”, zoals ze altijd benadrukte. Zij liep namelijk een aantal mensen na, door haar steevast “bejaarden” genoemd. Zelf was ze de pensioengerechtigde leeftijd ook al ruimschoots gepasseerd, maar waarschijnlijk was haar uitgangspunt dat je, zolang je bejaarden ondersteunt, zelf nog niet oud bent. Dat je dat daarmee op afstand houdt.

Misschien is dat, bewust of onbewust, ook het geval met de filosofe uit dit stripje van Pieter Geenen. Zolang je over de dood plappert, blijft deze abstract en buiten beeld (of het moet anderen betreffen). Deze gedachtegang sluipt er zo in, dat kan iedereen gebeuren.

Maar de dood doet niet aan filosofie of theorie, alleen aan praktijk.

klik op afb. (bron: Pieter Geenen, Trouw)

dinsdag 29 augustus 2023

Roel en Bella

 
Roel van Duijn (1943) is een voormalig politicus en activist, bedenker van provobeweging en kabouterpartij. Hij zet zich al decennia in voor bescherming van natuur en milieu, maar voert tegenwoordig vooral strijd tegen wanen en complottheorieën. Daarnaast is Van Duijn (als ervaringsdeskundige) consulent voor liefdesverdriet. Hij schreef verschillende boeken, waaronder Panies dagboek (1971). Daarin een interessante passage over de dood, uitgelegd met behulp van een boom.

“De dood is het begin van een terugreis naar het punt van voor de geboorte. Dat weet ik nu. Want zien mensen die bijna sterven maar het overleven niet vaak een film van hun leven in hun hersens razendsnel achterstevoren afdraaien? De dood is de terugkeer van de tak naar de kern van de stam. Maar na zijn dood blijft het wezen van de tak, want het was er al voor zijn geboorte. De eerste wet van de thermodynamica zegt: energie kan noch worden geschapen noch worden vernietigd. De kern van de stam is daar waar hij noch levend noch dood is. Angst voor de dood is evengoed als angst voor het leven, een poging je van de werkelijkheid van het bestaan en van al het bestaande te isoleren.”

Het is waar, Roel van Duijn is nogal een boomknuffelaar, en hij zegt ook met ze te communiceren. De subtitel van dit boek is dan ook Gesprekken met een rode beuk. Roel wendt zich met enige regelmaat tot een boom in het Westerpark (Amsterdam) en probeert op die manier contact te krijgen met de oude natuurgod Pan (vandaar ‘Panies’). Onder het lover van de boom ‘Bella’ verdiept hij zich in de oorsprong van de wereld, en komt daarbij tot theorieën die moeilijk te volgen zijn.

Roel van Duijn werd geboren in een theosofisch gezin in Den Haag en ruimdenkend opgevoed, alle godsdiensten werden bestudeerd. Zijn vader brak met de theosofie omdat hij de leiders niet democratisch vond. Ook Roel voelt zich geen theosoof meer, hij is vooral sceptisch over de organisatievorm. Hij gelooft in reïncarnatie en vindt het een positieve gedachte dat de ziel ergens naar toe gaat en een manifestatie zoekt. Daar is geen bewijs voor, maar dat hoeft ook niet, voor het tegendeel is ook geen bewijs. Roel gelooft erin en voelt zich er goed bij, ervaart rust en harmonie. Karma en reïncarnatie zijn voor hem de kern van alle godsdiensten, maar hij heeft geen overtuigingsdrang. Het concept van een goddelijke ordening vindt hij moeilijk, want daar is de mens dan onderdeel van, terwijl die juist altijd voor wanorde zorgt. Hij gelooft in een goddelijke vonk, maar dan in alles, niet alleen in de mens. Ongeveer zoals bij Spinoza, god is de natuur en de mens is onderdeel daarvan.

Terug naar Panies dagboek. Dinsdagochtend, 15 juni. Roel loopt rondjes om de stam van de beuk. Onder het gewelf van takken en bladeren mijmert hij over zijn in 1962 overleden vader Gerard, “zoals hij gedurende enige dagen na zijn overlijden opgebaard lag bij ons thuis in de grote achterkamer. De uitdrukking van zijn gelaat straalde een onkwetsbare schoonheid uit. Niet een toevallige schoonheid was het maar een schoonheid die onmiddellijk voortkwam uit de gevoelens die er tussen mijn vader en ons tijdens zijn gang door de gouden poort werden uitgewisseld.” Hij steekt een blad van de boom in zijn mond om de smaak van de dood te proeven en overpeinst dood en boom (zie bovenaan). Groen gras glanst in de regen en omcirkelt de boom. De bruine beuk is en blijft het middelpunt, de contouren van zijn kroon steken prachtig af tegen de hemel. Roel is één met het beeld van de boom en drukt zich tegen de ronde stam. ‘Ineens wordt Bella hol en word ik een boom in haar.’

Kortom, sympathieke jaren 60 en 70 naïviteit. Met misschien een extra kruidensigaret hier en daar? Wie zal het zeggen.



Roel van Duijn
Panies dagboek
Meulenhoff, 1971
 
Overige bronnen:
Podcast voor de ziel, 2 juli 2022
NRC, 11 december 1971

donderdag 16 maart 2023

Janwillem van de Wetering: Death for Dummies

Janwillem van de Wetering (1931-2008) was een veelzijdig man. Misschien ken je hem (nog) van zijn politieromans of zenboeken. In 2021 verscheen een biografie door Marjan Beijering. In het slothoofdstuk  vertelt ze hoe Van de Wetering in zijn laatste jaren heeft gewerkt aan een boek over sterven en de dood: Death for Dummies (later Dying for Dummies). Dat boek zou ik natuurlijk heel graag willen lezen, maar helaas is het niet afgemaakt of gepubliceerd. Misschien was dat ook helemaal niet Janwillems bedoeling, en schreef hij het gewoon voor zichzelf (zoals ik dit blog voor mijzelf maak). 
 
 
Waarschijnlijk begon Van de Wetering rond 2003 na te denken over Death for Dummies. In die periode werd hij veel met ziekte en dood in zijn omgeving geconfronteerd, en ook hijzelf werd ernstig ziek. Alle vragen over zingeving werden extra actueel door de ervaring dat (ook) zijn leven eindig was. Hij moest de dood nu serieus onder ogen zien. Zou hij na zijn overlijden inderdaad terechtkomen in een andere sfeer? Wat als hij terug moest keren naar de aarde? Hij wilde weten wat er na zijn dood zou gebeuren. Er is nog flink gelachen om de titel. Dat was zijn manier om met de dood (een favoriet onderwerp) om te gaan. Vrienden zeggen nu: 'Hij scheen een idee te hebben over wat er zou gebeuren als hij daar eenmaal zou zijn'. Maar misschien toch niet. In het  interview To Infinity and Beyond (2004), uitgezonden door de BOS, heeft Van de Wetering namelijk zo zijn twijfels: “Ik zit nu in het laatste vakje. Ik heb altijd gedacht er komt nog van alles. Of het nu leuker wordt of niet leuker, het is in ieder geval geheel anders. Een heel ander soort ervaring.” En zijn eerste reactie op de dood: “Hé leuk! Reizen! Wie weet wat er allemaal gaat gebeuren” (hij hoopt trompet te spelen), zwakt hij af met: “Maakt me toch een beetje bibberig. Je stapt wel ergens in waar je geen verstand van hebt. Het lijkt me enig, maar je weet het nooit”. Ondanks de laconieke houding, was hij wel degelijk bang. Met Death for Dummies probeerde hij zijn angst in woorden te vatten, een soort handleiding 'hoe te sterven', geïnspireerd op het grafschrift van Marcel Duchamp (‘Trouwens, het zijn altijd de anderen die sterven’). Toen hij in 2006 en 2007 nog zieker werd, sloeg de paniek toe. Zijn vertrouwensman in die tijd was een ex-priester.
 

Tussen januari 2007 en juli 2008 werd er intensief gewerkt aan Death for Dummies en Dying for Dummies. Een niet zo heel dik boek (samen nog geen 40.000 woorden) maar waarschijnlijk heeft Janwillem er veel over nagedacht en lang aan gewerkt. In beide versies (geschreven in het Engels) onderzoekt hij zijn leven vanuit het perspectief van de naderende dood. Het lijkt alsof de stukken geschreven zijn als een stroom van gedachten en herinneringen. De eerste versie, Death for Dummies, was gebaseerd op citaten en verhalen die Van de Wetering hoorde door ontmoetingen met mensen. Die waren voor hem belangrijker dan geschriften. Religie vond hij vaak iets dat mensen (kennelijk) nodig hebben om met moeilijke dingen om te kunnen gaan. Tijdens een spiritistische seance vroeger bij hem thuis, was ooit de geest van een Delftse medestudent verschenen in de vorm van een engel, ‘want dat beeld herkennen de mensen’. Er zijn veel verwijzingen naar sjamanistische wijsheden en de native Americans, maar de oosterse boeken leerden hem niets over de dood.

Het tweede manuscript, Dying for Dummies, is veel uitgebreider en ingedeeld zoals de bardo’s. Het eerste stadium beschrijft het leven en vormt het grootste deel van het verhaal. In Zuivere Leegte (2000) verbindt Van de Wetering de bardo-ervaringen met de sadgoeroe. De lessen van zijn zenmeester Oda Sesso blijken waardevol: alle gebeurtenissen in een mensenleven zijn dromen, en de overgang naar de dood is dat ook. Maar je moet ook weer niet luchtig doen over de dood. Als jonge zenstudent overwoog Van de Wetering zelfmoord, omdat hij wilde weten wat erna zou komen. Hij was niet bang voor de dood, dacht hij, maar Oda Sesso leerde hem inzien dat hij er wel degelijk bang voor was. En dat was helemaal niet erg, zelfs de Dalai Lama gaf toe dat hij bang was voor de dood. Een open, nieuwsgierige houding is de beste manier om doodsangst tegemoet te treden. Verandering hoort nu eenmaal bij het leven; geboorte en dood zijn een voortdurende beweging. Stilstaan is geen optie. Hoewel Van de Wetering afstand had genomen van het boeddhisme, staat de Hartsoetra centraal in zijn verhaal: niets bestaat op zichzelf en alles wat we waarnemen is een product van onze geest.
 
Het manuscript van Dying for Dummies eindigt abrupt. Op 4 juli 2008 is Janwillem van de Wetering overleden. Hij heeft niet tot het einde toe willen wachten op de dood. Na zijn laatste dagen in een ziekenhuisbed, luisterend naar jazz cd’s, afscheid, morfine, weggegleden in zijn slaap. In de Volkskrant stond een mooi afscheidsgedicht, een dag na zijn dood geschreven door zijn vriend Leo Vroman.

[fragment] 
 
'nu je nog maar een beetje 
dood bent vraag ik mij levend af: 
Ben je al tevreden? Weet je 
nu meer dan je eergisteren wist?'
 

 

Voornaamste bron: 
Marjan Beijering 
Op zoek naar het ongerijmde; 
Leven en werk van Janwillem van de Wetering 
Asoka, 2021