Maarten ’t Hart en de dood (2-2)
In het eerste deel van deze blogpost beschreef Maarten ’t Hart (1944) hoe hij ooit een zelfmoord overwoog. De doorgaans monter ogende schrijver brengt in zijn boeken ook wel eens ‘mini-depressies’ ter sprake, die dan gelenigd worden door een troostend bezoek aan de boekhandel en de aanschaf van (afgeprijsde) boeken (meestal over componisten). Ik weet niet of Maarten in een eventueel hiernamaals gelooft, daar laat hij zich nooit over uit. Wel over de dood. Zijn vader was grafdelver en bij hem op het kerkhof zag hij ooit dit versje:
Eens was
ik net als u,
die dit
nu staat te lezen,
en zoals
ik nu ben,
zo zult
gij eenmaal wezen.
Een
olijke variant op ‘heden ik, morgen gij’, maar voor de achtjarige Maarten een
schokkende eye opener. In een van zijn autobiografieën (Dienstreizen van een thuisblijver) vertelt hij over een reportage
op de begraafplaats van Warmond met een Duitse fotograaf, genaamd Tobias Todt.
Het hele verhaal lijkt mij uit de duim gezogen, maar maakt wel duidelijk hoe
Maarten over de dood denkt. Hij lijkt daar niet bevreesd voor, maar wel
‘doodsbang voor een ernstige ziekte’. Want dan kom je in een ziekenhuis terecht
en daar kun je niet slapen, weet hij uit ervaring, en daardoor zink je steeds
verder weg in een depressie. Je wilt dan dolgraag slapen en wegzinken in de diepst
mogelijke slaap. ‘En wat is de diepst mogelijke slaap anders dan de dood?’ En als je zo smartelijk naar slaap kan
verlangen, naar vergetelheid, naar wegzinken in een zoete sluimer, waarom je
dan nog druk maken over de dood? ‘Doodzijn was toch het ultieme slapen, was
toch een slaap van eeuwige jaren?’, citeert hij een boek van lang geleden.
Maarten
wil vooral niet gecremeerd worden, ‘want dan worden al die hoogwaardige
eiwitten die je je leven lang stuk voor stuk hebt opgebouwd in één klap
vernietigd’. Hij laat de fotograaf alvast het plekje zien waar hij ooit wenst
te liggen. De muziek bij de uitvaart moet in ieder geval het mooiste stukje
Prokofjev bevatten, anderhalve minuut filmmuziek getiteld ‘de Tataarse steppe’.
Hij lijkt zich te verheugen, want dood zijn heeft zo zijn voordelen. Als hij
langs dit kerkhof fietst denkt hij altijd: als je dood bent, hoef je nooit meer
op reis. Hij neuriet cantate 82 van Bach: Ich
freue mich auf meinen Tod.
bronnen:
Maarten
’t Hart
Een
deerne in lokkend postuur
Persoonlijke
kroniek 1999
De
Arbeiderspers, 2000
Maarten
’t Hart
Dienstreizen
van een thuisblijver
De
Arbeiderspers, 2011
