Posts tonen met het label sjamaan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sjamaan. Alle posts tonen

donderdag 16 maart 2023

Janwillem van de Wetering: Death for Dummies

Janwillem van de Wetering (1931-2008) was een veelzijdig man. Misschien ken je hem (nog) van zijn politieromans of zenboeken. In 2021 verscheen een biografie door Marjan Beijering. In het slothoofdstuk  vertelt ze hoe Van de Wetering in zijn laatste jaren heeft gewerkt aan een boek over sterven en de dood: Death for Dummies (later Dying for Dummies). Dat boek zou ik natuurlijk heel graag willen lezen, maar helaas is het niet afgemaakt of gepubliceerd. Misschien was dat ook helemaal niet Janwillems bedoeling, en schreef hij het gewoon voor zichzelf (zoals ik dit blog voor mijzelf maak). 
 
 
Waarschijnlijk begon Van de Wetering rond 2003 na te denken over Death for Dummies. In die periode werd hij veel met ziekte en dood in zijn omgeving geconfronteerd, en ook hijzelf werd ernstig ziek. Alle vragen over zingeving werden extra actueel door de ervaring dat (ook) zijn leven eindig was. Hij moest de dood nu serieus onder ogen zien. Zou hij na zijn overlijden inderdaad terechtkomen in een andere sfeer? Wat als hij terug moest keren naar de aarde? Hij wilde weten wat er na zijn dood zou gebeuren. Er is nog flink gelachen om de titel. Dat was zijn manier om met de dood (een favoriet onderwerp) om te gaan. Vrienden zeggen nu: 'Hij scheen een idee te hebben over wat er zou gebeuren als hij daar eenmaal zou zijn'. Maar misschien toch niet. In het  interview To Infinity and Beyond (2004), uitgezonden door de BOS, heeft Van de Wetering namelijk zo zijn twijfels: “Ik zit nu in het laatste vakje. Ik heb altijd gedacht er komt nog van alles. Of het nu leuker wordt of niet leuker, het is in ieder geval geheel anders. Een heel ander soort ervaring.” En zijn eerste reactie op de dood: “Hé leuk! Reizen! Wie weet wat er allemaal gaat gebeuren” (hij hoopt trompet te spelen), zwakt hij af met: “Maakt me toch een beetje bibberig. Je stapt wel ergens in waar je geen verstand van hebt. Het lijkt me enig, maar je weet het nooit”. Ondanks de laconieke houding, was hij wel degelijk bang. Met Death for Dummies probeerde hij zijn angst in woorden te vatten, een soort handleiding 'hoe te sterven', geïnspireerd op het grafschrift van Marcel Duchamp (‘Trouwens, het zijn altijd de anderen die sterven’). Toen hij in 2006 en 2007 nog zieker werd, sloeg de paniek toe. Zijn vertrouwensman in die tijd was een ex-priester.
 

Tussen januari 2007 en juli 2008 werd er intensief gewerkt aan Death for Dummies en Dying for Dummies. Een niet zo heel dik boek (samen nog geen 40.000 woorden) maar waarschijnlijk heeft Janwillem er veel over nagedacht en lang aan gewerkt. In beide versies (geschreven in het Engels) onderzoekt hij zijn leven vanuit het perspectief van de naderende dood. Het lijkt alsof de stukken geschreven zijn als een stroom van gedachten en herinneringen. De eerste versie, Death for Dummies, was gebaseerd op citaten en verhalen die Van de Wetering hoorde door ontmoetingen met mensen. Die waren voor hem belangrijker dan geschriften. Religie vond hij vaak iets dat mensen (kennelijk) nodig hebben om met moeilijke dingen om te kunnen gaan. Tijdens een spiritistische seance vroeger bij hem thuis, was ooit de geest van een Delftse medestudent verschenen in de vorm van een engel, ‘want dat beeld herkennen de mensen’. Er zijn veel verwijzingen naar sjamanistische wijsheden en de native Americans, maar de oosterse boeken leerden hem niets over de dood.

Het tweede manuscript, Dying for Dummies, is veel uitgebreider en ingedeeld zoals de bardo’s. Het eerste stadium beschrijft het leven en vormt het grootste deel van het verhaal. In Zuivere Leegte (2000) verbindt Van de Wetering de bardo-ervaringen met de sadgoeroe. De lessen van zijn zenmeester Oda Sesso blijken waardevol: alle gebeurtenissen in een mensenleven zijn dromen, en de overgang naar de dood is dat ook. Maar je moet ook weer niet luchtig doen over de dood. Als jonge zenstudent overwoog Van de Wetering zelfmoord, omdat hij wilde weten wat erna zou komen. Hij was niet bang voor de dood, dacht hij, maar Oda Sesso leerde hem inzien dat hij er wel degelijk bang voor was. En dat was helemaal niet erg, zelfs de Dalai Lama gaf toe dat hij bang was voor de dood. Een open, nieuwsgierige houding is de beste manier om doodsangst tegemoet te treden. Verandering hoort nu eenmaal bij het leven; geboorte en dood zijn een voortdurende beweging. Stilstaan is geen optie. Hoewel Van de Wetering afstand had genomen van het boeddhisme, staat de Hartsoetra centraal in zijn verhaal: niets bestaat op zichzelf en alles wat we waarnemen is een product van onze geest.
 
Het manuscript van Dying for Dummies eindigt abrupt. Op 4 juli 2008 is Janwillem van de Wetering overleden. Hij heeft niet tot het einde toe willen wachten op de dood. Na zijn laatste dagen in een ziekenhuisbed, luisterend naar jazz cd’s, afscheid, morfine, weggegleden in zijn slaap. In de Volkskrant stond een mooi afscheidsgedicht, een dag na zijn dood geschreven door zijn vriend Leo Vroman.

[fragment] 
 
'nu je nog maar een beetje 
dood bent vraag ik mij levend af: 
Ben je al tevreden? Weet je 
nu meer dan je eergisteren wist?'
 

 

Voornaamste bron: 
Marjan Beijering 
Op zoek naar het ongerijmde; 
Leven en werk van Janwillem van de Wetering 
Asoka, 2021

zondag 5 april 2020

De gauri's, pishachi's en yogini's

De vorige blogpost over de bardo van dharmata eindigde behoorlijk optimistisch. Op dag twaalf verschenen de angstwekkende Boeddha Karma-Heruka en zijn dito partner, maar de overledene zou natuurlijk in het geheel niet bang zijn. Hij zou hen juist herkennen als vorm van zijn eigen geest, zijn yidam. Volgens plan zou hij dan onmiddellijk bevrijd zijn en zelfs een boeddha worden!

Maar naast optimistisch is het Bardo Thödol vooral ook praktisch en realistisch, de overledene is tenslotte wel helemaal afgedwaald naar dit punt in de bardo. En al zou hij nog zo’n goed mens (geweest) zijn, als hij hier niet de juiste instructies krijgt zal hij het spoor bijster raken en nog verder afdwalen in samsara. Begeleiding is dus meer dan nodig, juist nu.

Want na de vreselijke heruka’s krijgt de dolende dode nu te maken met nóg onheilspellender figuren: de gauri's, pishachi's en yogini's. Hij gaat Mahakala ontmoeten en Yama, de Heer van de Dood. De kans is heel groot dat hij in de volgende tussenstaat zal belanden, de bardo van wording. Een wedergeboorte is dan vrijwel onafwendbaar, en daar moeten we natuurlijk al helemaal niet aan denken. Noem de dode dus weer bij zijn naam en motiveer hem nogmaals met de tekst uit het Bardo Thödol.

Met de introductie van de gauri's, pishachi's en yogini’s zien we duidelijk de grote invloed van het sjamanisme op het Tibetaans boeddhisme. Het zijn wezens uit de voor-boeddhistische tijd, toen de mensen zich nog met de natuur verbonden voelden. Dieren waren symbolen van beschermgeesten. De pishachi’s en yogini’s hebben dierenhoofden, wat aangeeft dat ze de machten van de natuurlijke wereld vertegenwoordigen.

De gauri's, pishachi's en yogini's zijn verschillende soorten toornige, vrouwelijke boeddhavormen. De ontmoeting met deze oerkrachten is ontzettend belangrijk en het is vooral cruciaal dat je de afkeer die je voelt overwint. Je wordt hier geconfronteerd met zeer sterk onderdrukte elementen van je eigen psyche. Ze zijn angstaanjagend omdat ze ontkend worden. Maar hier, op dit punt in de bardo, kun je er niet meer omheen. Je kunt je flatteuze zelfbeeld niet langer volhouden.



Bronnen:
Francesca Fremantle en Chögyam Trungpa
Het Tibetaans Dodenboek
Servire, 1991

Robert A.F. Thurman
Het Tibetaanse Dodenboek
Altamira-Becht,  2006

Ilse Dorren
Tocht door twee werelden; Gids voor het Tibetaanse Dodenboek    
Mirananda, 1985

zaterdag 21 september 2019

Een dood van Carlos Castaneda

Tijdens een van zijn vele sessies met don Juan* brengt Carlos Castaneda* de dood ter sprake (vorige blogpost). En hoewel Castaneda het niet weten wil, vertelt don Juan hem hoe het “tweede stadium” van zijn dood er eventueel uit zou kunnen zien:

“Jij rijdt veel, dus is het mogelijk dat je je weer, op een gegeven ogenblik, achter het stuur bevindt. Het zal een zeer snelle gewaarwording zijn die je geen tijd zal laten om na te denken. Opeens, laten we zeggen, zou je merken dat je aan het rijden bent, zoals je al duizenden malen hebt gedaan. Maar voordat je je iets over jezelf zou kunnen gaan afvragen, zou je een vreemde formatie opmerken vóór je voorruit. Bij nader toezien zou je beseffen dat het een wolk is die eruit ziet als een glanzende spiraal. Zij zou gelijken op, laten we zeggen, een gezicht, pal in het midden van de hemel vóór je. Terwijl je ernaar keek, zou je het zich zien terugtrekken tot het nog slechts een schitterend punt was in de verte en dan zou je merken dat het zich weer naar je toe begon te bewegen; het zou versnellen en in een oogwenk zou het tegen de voorruit van je auto aanrammen. Jij bent sterk; ik ben er zeker van dat de dood een paar opdonders nodig zou hebben om je in te rekenen.

Tegen die tijd zou je weten waar je was en wat er met je aan het gebeuren was; het gezicht zou zich weer terugtrekken tot een positie boven de horizon, versnellen en tegen je aanrammen. Het gezicht zou in je binnendringen en dan zou je het weten – het was al die tijd het gezicht van de bondgenoot, of ik die aan het praten was, of jijzelf die schreef. De dood was niets, al die tijd. Niets. Het was een stipje verloren in de bladen van je bloknoot. En toch zou hij met onweerstaanbare kracht in je binnendringen en je doen uitzetten; hij zou je platslaan en je over de hemel en de aarde en nog verder uitspreiden. En je zou zijn als een bewegende mist van kleine kristallen die zich verwijdert.” Natuurlijk is Castaneda erg onder de indruk van de beschrijving van zijn (mogelijke) dood. Hij had verwacht iets heel anders te horen te krijgen en kan lange tijd niets zeggen.

Don Juan vervolgt: “De dood treedt binnen door de buik, pal door de bres van de wil. Dat gebied is het belangrijkste en gevoeligste deel van de mens. Het is het gebied van de wil en ook het gebied waardoor wij allen sterven. Ik weet dat omdat mijn bondgenoot mij tot in dat stadium heeft voorgelicht. Een tovenaar stemt zijn wil af door zich door zijn dood te laten achterhalen, en wanneer hij is platgeslagen en begint uit te zetten, komt zijn onberispelijke wil in actie en verenigt de mist weer tot één persoon.”

Don Juan maakt een vreemd gebaar. Hij opent zijn handen als twee waaiers, tilt ze ter hoogte van zijn ellebogen, draait ze tot zijn duimen zijn heupen raken, en brengt ze dan langzaam tezamen halverwege zijn lichaam boven zijn navel. Een ogenblik lang houdt hij ze daar. Zijn armen trillen van de inspanning. Dan brengt hij ze omhoog tot de toppen van zijn middelvingers zijn voorhoofd raken, en trekt ze vervolgens in dezelfde houding omlaag tot halverwege zijn lichaam. Castaneda vindt het gebaar indrukwekkend. Don Juan heeft het met zoveel kracht en schoonheid uitgevoerd dat hij er door gebiologeerd was.

“Het is zijn wil die een tovenaar tezamenhoudt”, zegt hij, “maar naarmate zijn ouderdom hem verzwakt, taant zijn wil, en onvermijdelijk komt er een ogenblik wanneer hij zijn wil niet langer kan commanderen. Dan heeft hij niets meer om de stilzwijgende kracht van zijn dood mee te bestrijden, en dan wordt zijn leven zoals het leven van al zijn medemensen, een uitzettende mist die zijn eigen grenzen te buiten gaat.” Castaneda huivert. Don Juan staart hem aan en staat op.

Naschrift: Op wikipedia lees ik dat Carlos Castaneda in 1998 in Los Angeles is overleden aan leverkanker.


Carlos Castaneda


*Carlos Castaneda (1925-1998) was een (Zuid-)Amerikaanse schrijver en antropoloog die in de jaren 70 in een viertal boeken verslag deed over zijn leerjaren bij de Mexicaanse sjamaan don Juan (Matus), een Yaqui Indiaan. Castaneda werd ingewijd in magische rituelen om de “niet-gewone werkelijkheid” te beheersen. Daarbij werden hallucinogene drugs gebruikt, zoals peyotl en bepaalde paddenstoelen. Het is dus de vraag in hoeverre zijn waarneming van eventuele bovennatuurlijke verschijnselen is verkleurd door drugs. Castaneda’s boeken bereikten een soort cultstatus, maar later waren er ook twijfels over het waarheidsgehalte ervan, en zelfs of don Juan ooit bestaan heeft.




Bron:
Carlos Castaneda
Een aparte werkelijkheid
De Bezige Bij, 1991, zevende druk

zaterdag 14 september 2019

Een mist van kristallen

Don Juan* vindt het Tibetaans Dodenboek onzin. Dood is niet zo iets als leven, en hij vraagt zich af of de Tibetanen wel zien. Maar wat is de dood dan wel, vraagt Castaneda* hem, wat denkt don Juan over de dood?

“De dood is een spiraal. De dood is het gezicht van de bondgenoot; de dood is een glanzende wolk boven de horizon; de dood is het fluisteren van Mescalito (peyotl) in je oren; de dood is de tandeloze mond van de wachter, de dood is de Genaro die op zijn hoofd zit; de dood ben ikzelf terwijl ik praat; de dood ben jij met je bloknoot; de dood is niets. Niets! Hij is er en toch is hij er helemaal niet.”

Opgewekt benadrukt don Juan nog eens dat hij niet kan vertellen wat de dood voor iets is. In plaats daarvan biedt hij Castaneda aan hem iets te vertellen over zijn (Castaneda’s) eígen dood, maar die wil daar absoluut niets van weten. Hij wil liever iets horen over de dood in het algemeen, maar volgens don Juan kun je alleen over de dood spreken in persoonlijke termen.

Bijvoorbeeld over de dood van zijn zoon Eulalio die verpletterd werd onder rotsen terwijl hij werkte aan de aanleg van een autoweg. Don Juan noemt zijn optreden tegenover zijn zoon op het ogenblik van diens dood “gecontroleerde dwaasheid”. Eulalio was bijna dood, maar zijn lichaam was zo sterk dat het bleef bewegen en schoppen. “Ik stond voor hem, maar ik keek niet. Ik stelde mijn ogen anders in zodat ik zijn persoonlijke leven uit elkaar kon zien vallen, onweerstaanbaar buiten zijn oevers treden, als een mist van kristallen, want dat is de wijze waarop leven en dood zich met elkaar vermengen en uitzetten. Het leven van mijn zoon dijde uit op het ogenblik van zijn persoonlijke dood. De dood, wat dat ook mag zijn, deed zijn leven uitdijen. Had ik naar hem gekeken dan zou ik hebben meegemaakt hoe hij onbeweeglijk werd en ik zou een kreet binnen in mij hebben gevoeld, omdat ik nooit meer zijn prachtige gestalte over de aarde zou zien stappen. In plaats daarvan zag ik zijn dood, en er was geen droefheid, geen gevoel. Zijn dood was gelijkwaardig aan de rest.”

Castaneda vertelt hem dan over mensen die verscheidene minuten dood waren geweest en door medische technieken weer tot leven waren gebracht. In alle gevallen waarover hij gelezen had, hadden de betrokken personen na hun beleving verklaringen afgelegd dat zij zich helemaal niets konden herinneren; dat sterven gewoon een sensatie van bezwijmen was.

Don Juan vindt dat volkomen begrijpelijk. De dood heeft namelijk twee stadia. Het eerste is een bezwijming, die veel lijkt op het eerste effect van peyotl, waarbij je een lichtheid ondervindt waarin je je gelukkig voelt en compleet, alsof alles in de wereld tot rust is gekomen. Maar dat is slechts een oppervlakkige toestand die al snel verdwijnt, waarna je nieuwe regionen binnentreedt, regionen van barsheid en macht. Dat tweede stadium is de werkelijke ontmoeting met peyotl. De dood lijkt daar veel op. Het eerste stadium is een oppervlakkig bezwijmen. Het tweede is echter het echte stadium waarin je de dood ontmoet. Het is een kort ogenblik na de eerste bezwijming, waarin je ontdekt dat je toch weer jezelf bent. Het is dan dat de dood op je losbarst, uit volle macht en in kalme razernij, tot hij je leven in het niets oplost.

Eerst lijkt het alsof don Juan met dat “tweede stadium” een bardo-achtige toestand ná de dood bedoelt, maar later zien we dat het hier gaat om het moment van sterven, dat zich kennelijk in twee delen afspeelt. Dat blijkt als don Juan zijn verhaal vervolgt met een beschrijving van Castaneda’s mogelijke dood. Daarover meer in de volgende blogpost.



*Carlos Castaneda (1925-1998) was een (Zuid-)Amerikaanse schrijver en antropoloog die in de jaren 70 in een viertal boeken verslag deed over zijn leerjaren bij de Mexicaanse sjamaan don Juan (Matus), een Yaqui Indiaan. Castaneda werd ingewijd in magische rituelen om de “niet-gewone werkelijkheid” te beheersen. Daarbij werden hallucinogene drugs gebruikt, zoals peyotl en bepaalde paddenstoelen. Het is dus de vraag in hoeverre zijn waarneming van eventuele bovennatuurlijke verschijnselen is verkleurd door drugs. Castaneda’s boeken bereikten een soort cultstatus, maar later waren er ook twijfels over het waarheidsgehalte ervan, en zelfs of don Juan ooit bestaan heeft.



Bron:
Carlos Castaneda
Een aparte werkelijkheid
De Bezige Bij, 1991, zevende druk

zaterdag 10 augustus 2019

Don Juan vindt het Tibetaans Dodenboek onzin

Carlos Castaneda (1925-1998) was een (Zuid-)Amerikaanse schrijver en antropoloog die in de jaren 70 in een viertal boeken verslag deed over zijn leerjaren bij de Mexicaanse sjamaan don Juan (Matus), een Yaqui Indiaan. Castaneda werd ingewijd in magische rituelen om de “niet-gewone werkelijkheid” te beheersen. Daarbij werden hallucinogene drugs gebruikt, zoals peyotl en bepaalde paddenstoelen. Het is dus de vraag in hoeverre zijn waarneming van eventuele bovennatuurlijke verschijnselen is verkleurd door drugs. Castaneda’s boeken bereikten een soort cultstatus, maar later waren er ook twijfels over het waarheidsgehalte ervan, en zelfs of don Juan ooit bestaan heeft.

Castaneda
 
In een van zijn vele gesprekken met de sjamaan probeert Castaneda diens opvattingen over de dood te leren kennen. Hij leest hem delen uit het Tibetaans Dodenboek (Bardo Thödol) voor. Don Juan kent deze teksten niet, maar schijnt zeer geïnteresseerd, ook al vindt hij het onzin en begrijpt hij niet waarom de Tibetanen over de dood spreken alsof dit net zoiets was als het leven. Hij denkt niet dat de Tibetanen zien, want wanneer een man leert zien, is geen enkel ding dat hij kent van overwegend belang. Indien de Tibetanen konden zien zouden ze meteen door hebben dat geen enkel ding nog hetzelfde is. Zodra we zien, is er niets bekend; niets blijft zoals we het steeds gekend hebben toen we nog niet zagen.

Als Castaneda suggereert dat de Tibetanen misschien op een andere manier zien, beaamt don Juan dat zien niet hetzelfde is voor iedereen. Maar dat betekent nog niet dat de betekenissen van het leven van overwegend belang zijn. Wanneer men leert zien, blijft geen enkel ding hetzelfde. En de dood is niet iets als om het even wat. Daarom denkt don Juan dat het iets anders moet zijn waarover de Tibetanen praten, in elk geval niet over de dood. Misschien zien de Tibetanen werkelijk, en in dat geval moeten zij er zich rekenschap van gegeven hebben dat hetgeen zij zien nergens op slaat, en hebben zij al die onzin opgeschreven omdat het voor hen geen verschil uitmaakt. En in dit geval is hetgeen zij schreven helemáál geen onzin.



Bron:
Carlos Castaneda
Een aparte werkelijkheid
De Bezige Bij, 1991, zevende druk