Posts tonen met het label medium. Alle posts tonen
Posts tonen met het label medium. Alle posts tonen

zaterdag 16 november 2024

Familie in de bardo

In Montaillou was sprake van een dodencultus, zagen we in de vorige blogpost. Nabestaanden die geesten raadplegen, het vereren en te vriend houden van de voorouders, hun situatie in het hiernamaals verbeteren door middel van offers en missen, en overledenen die zich blijven bemoeien met het huishouden van hun levende verwanten. Het is opmerkelijk dat de denkwijze in dit dorpje (Franse Pyreneeën, 14e eeuw) heel goed vergelijkbaar is met die in bijvoorbeeld China of op de Polynesische eilanden. Sommige ideeën zijn overal ter wereld hetzelfde, denk hierbij ook aan Jung met zijn archetypen van het collectieve onbewuste.

En wat kunnen we in het Bardo Thödol hierover vinden? Die tekst wordt door achterblijvers hardop aan de dode voorgelezen. Naast uitleg over de bardo en zijn eventuele positie aldaar, krijgt hij ook veel tips om deze te verbeteren (of beter nog: af te ronden). Zo moet de dode zich bijvoorbeeld absoluut niet ergeren aan zijn nabestaanden, ook niet als zij er een potje van maken. Vooral positief blijven, staat er in het gedeelte over de bardo van wording, en je niet laten afleiden door allerlei aardse zaken. Laat het los! Laat je niet meeslepen door emoties als woede, juist als hier de zes bestaanswerelden weer opkomen. De kans is dan groot dat je in een lager rijk terecht komt. Word ook niet boos of verdrietig als de voor jou bedoelde ceremonies slordig en ongeïnteresseerd worden uitgevoerd, en word niet kwaad op de nieuwe gebruikers van je ex-bezittingen. Wat moet jij er nog mee? En die rituelen kunnen (door jouw blije positiviteit) ook nog goed voor je uitpakken met een wedergeboorte in een hoger rijk.

Ook in China worden overleden voorouders vereerd en te vriend gehouden, misschien kunnen ze nog iets voor je doen ‘aan de andere kant’. Advies vragen aan gestorven familieleden zou een gelukkig gevoel bij hen veroorzaken. De dode wordt ondersteund en begeleid in zijn nieuwe situatie. Het hoeft niet moeilijk te zijn, offers en positieve gedachten en handelingen brengen de gestorvenen rust en tevredenheid. In het Bardo Thödol lezen we bij de bardo van wording hoezeer de overledene de zekerheid van vrienden mist. Hij heeft geen eten meer, alleen wat de achterblijvers speciaal voor hem neerzetten. Natuurlijk is deze ervaring van honger en zwakte verbeelding, want hij heeft alleen een mentaal lichaam. Maar het ritueel aangeboden voedsel kan hem in de bardo een gevoel van voeding geven. In Montaillou zijn de doden rusteloos en hebben het koud, net als in de bardo van wording. ’s Nachts hangen ze vooral rond in kerken. Door het ontbreken van een echt thuis hebben ze een sterker besef te horen bij hun voormalige de parochiegemeenschap, een rekbare maar onverbrekelijke bond. In de bardo van wording schuilt de wanhopige dode bij bruggen, hutten en kloosters. Het wordt hem afgeraden, wat moet je daar nog? Maak je geen zorgen en laat je geest tot rust komen!

In Polynesië blijven sommige geesten op aarde rondhangen en mengen zich in de aangelegenheden van levenden, net als in Montaillou. Uiteindelijk worden ze vergoddelijkt tot beschermende familiegoden. Je kunt ze maar beter te vriend houden, met een behoorlijke ceremonie bijvoorbeeld. Anders gaan ze dwalen en zwerven langs het strand tussen zonsondergang en zonsopgang, en worden na verloop van tijd kwaadaardige demonen. De ‘normale’ geesten in de onderwereld zijn onzichtbaar voor mensen, behalve voor een enkeling met speciale talenten. Dit komt overeen met de overledenen in de bardo van wording, die waargenomen kunnen worden door helderzienden, volgens het Bardo Thödol. Eindeloze aantallen doden doorkruisen de bardo. De overledenen kunnen hun familieleden en geliefden zien, maar zij zien hen niet. Rechtstreekse communicatie is niet mogelijk. Het geeft enorm lijden, wat ook beschreven wordt bij de bardo van dharmata. De gevoelens van verlatenheid en wanhoop komen hier nog bovenop de confrontatie met de bardoverschijnselen zoals geluiden en lichten (en de twijfel of je echt dood bent). Treurige en eenzame passages in het Bardo Thödol zijn dit. ‘Wees niet gehecht aan je geliefden, dat heeft geen enkel nut’, wordt hier aangeraden. Maar wat moet je daar mee? Misschien kun je je beter bewust zijn dat alles illusie is, dat er geen dualiteit is, en dat jouw diepste wezen en dat van je nabestaanden één zijn.
 

donderdag 7 november 2024

Armier

Goede werken, aalmoezen, offers, Hui-neng vond het allemaal maar flauwekul. Veel religies en hun gelovigen denken daar heel anders over. Verdiensten verzamelen zou juist een goede manier zijn om je karma te dempen en zonden te vereffenen. En dat is heel gunstig voor je beoordeling in het hiernamaals, de volgende wedergeboorte of het bereiken van een hemelse zaligheid. In de Rooms-katholieke kerk bijvoorbeeld, kun je veel afkopen met geld. Zo snijdt het mes aan twee kanten: jij wat minder lang in het louterende vagevuur, de Kerk weer wat rijker. En dat kan ook nog postuum, als je nabestaanden het even voor of namens jou willen regelen. In het boek Montaillou geven de doden zelfs opdracht vanuit het hiernamaals om dat te doen.

Het dorpje Montaillou in de Pyreneeën was begin 14e eeuw onderwerp van een uitgebreid onderzoek door de Inquisitie. De bewoners, voornamelijk herders en boeren, waren Katharen. Door het uitvoerig gedocumenteerde  Inquisitie-dossier, dat bewaard is gebleven, weten wij veel van de leef- en denkwereld van deze ‘ketters’. Emmanuel Le Roy Ladurie schreef er een bestseller over.

Een belangrijk personage in deze gemeenschap was de armier (zielenboodschapper). Hij had het alleenrecht om de berichtgeving tussen de levenden en de doden te verzorgen. In het boek van Le Roy Ladurie wordt vooral ene Arnaud Gélis genoemd, die eigenlijk armier was in de streek rond Pamiers. Deze Gélis vervulde nuttig werk met het overbrengen van aanmaningen (van de doden) om oude schulden af te betalen, de armen aalmoezen te geven en missen voor de overledenen te laten lezen. Hij ontving hiervoor een bescheiden vergoeding. Soms wat kaas of een drink- of eetuitnodiging, soms wat geld. Hij was niet arm. Zijn verbeelding werd gevoed door een denkwijze die zowel door volk als elite gedeeld werd en het sociale nut van zijn activiteiten was overduidelijk. Daardoor had Gélis (onder de levenden) een netwerk van vaste klanten, voornamelijk vrouwen, kunnen opbouwen. Natuurlijk waren er ook wel wat mensen die hem niet wilden geloven.

Naast een goede afwikkeling van de financiële zaken, vervulde de dodencultus een belangrijke functie bij het aanhouden van de gezinsbanden. De schimmen van de overledenen bleven zich bemoeien met de gang van zaken in het huishouden. Zo liet de schim van een vriendelijke en attente echtgenoot, via bemiddeling van Gélis, aan zijn vrouw weten dat hij graag zou zien dat ze hertrouwde met een eerzame man. Er waren ook wederzijdse verplichtingen. Een gezin kon het einde van een rouwperiode bespoedigen door de dode te helpen bij het vinden van zijn uiteindelijke rustplaats. Wanneer de familie missen liet lezen voor de overledenen was dat een win-winsituatie: de doden zagen hun vermoeiende dooltijd verkort, en de levenden konden zo voorgoed van hun doden afkomen, want die werden op den duur lastig. Als het nodig was lieten de doden via Gélis aan de familie weten dat er wel weer eens missen gelezen mochten worden. Dat was niet gratis natuurlijk, daar hadden vooral de priesters baat bij. Zij zagen de folkloristische dwalingen graag door de vingers en gaven Gélis tien procent provisie.

Daarnaast was er ook risico als de positie van armier zo maar zou vervallen. De mensen zouden bijvoorbeeld zelf contact met geesten gaan zoeken, met alle gevolgen van dien. Gélis werkte discreet en betrouwbaar en hield zich strikt aan zijn beroepsgeheim. Hij verrichtte zijn werkzaamheden tot volledige tevredenheid van zijn dode en levende klanten. Soms deed hij zelfs dienst als mediator tussen de ene en de andere dode. Hij stond met iedereen op tamelijk vertrouwelijke voet. Toch is het slecht met hem afgelopen, rond 1325 viel ook het doek voor de laatste Katharen. De Inquisitie doet niet aan gedogen.
 

 
Bron:
Emmanuel Le Roy Ladurie
Montaillou
Uitgeverij Bert Bakker, 1986 (14e druk)

vrijdag 6 oktober 2023

Een product van het onbewuste

Commentaar van C.G. Jung bij het Tibetaans Dodenboek  (5/5)
 
Vervolg van de vorige blogpost.
Jung probeert het Bardo Thödol in te lijven in zijn eigen psychologische theorie. 
 
Het hele boek is samengesteld uit de archetypische inhouden van het onbewuste. Daarachter ligt geen fysische of metafysische realiteit, maar alleen de realiteit van psychische gegevenheden. Zelfs de vijf dhyani-boeddha’s zijn dat. De overledene moet dat inzien, ook al had hij tijdens zijn leven niet door dat zijn ziel en ‘de gever van alle gegevenheden’ identiek zijn. De wereld van goden en geesten is 'slechts' het onbewuste in mij. En omgekeerd natuurlijk: het onbewuste is de wereld van goden en geesten buiten mij.


Toch, aan het slot van zijn lange inleiding, komt Jung nog met een soort disclaimer. Dat omkeren van die volgorde heeft hij ons alleen aangeraden om de zaak begrijpelijker te maken. Het is dus niet de oorspronkelijke bedoeling van de teksten. En ook de psychologische functie die wij (hij) eraan toekennen is natuurlijk hooguit een secundair doel. Dit uitzonderlijke boek is in de eerste instantie bedoeld als instructie voor de overledene in de bardo.

Jung vindt het bijna verleidelijk om aan (het visioen van) dit bardobestaan een zekere realiteit toe te kennen. Het is zo anders dan onze religieuze fantasie, die prachtige voorstellingen van het hiernamaals maakt. Nee, dan de bardo, met zijn bedrieglijke en steeds meer degeneratieve droomtoestand. Goed gevonden, vindt Jung. Het degeneratieve karakter van het bardo-bestaan lijkt op de ‘geestenwereld’ in de Westerse spiritistische literatuur. De daarin beschreven communicatie vindt Jung banaal en vervelend. Die zogenaamde mededelingen uit de ‘geestenwereld’ zijn natuurlijk een product van het onbewuste van de deelnemers aan de seance, inclusief het medium. En deze interpretatie kunnen wij, met ons wetenschappelijk inzicht, ook toepassen op de beschrijving van het hiernamaals in het Dodenboek.

Jung besluit met de conclusie dat het Bardo Thödol een geheim boek was, en nog steeds is. Want hoeveel commentaren we er ook over schrijven, om het te begrijpen moet je beschikken over geestelijke vermogens, die niemand van nature bezit (maar die je door een bijzondere manier van leven eigen kan maken). Het is bedoeld voor diegenen die ervan doordrongen zijn geraakt dat ze niet te veel waarde moeten hechten aan het nut, het doel en de zin van onze huidige 'beschaving'.


 
Voornaamste bronnen:
Psychologisch commentaar door Carl Gustav Jung
Het Tibetaanse Dodenboek
Walter Evans-Wentz
Ankh Hermes, 2017
 
Donald S. Lopez, Jr.
The Tibetan Book of the Dead; A Biography 
Princeton University Press, 2011

zaterdag 1 augustus 2020

Bardo van wording: geestenwereld

In de bardo van wording beschikt de overledene over een mentaal lichaam. In de vorige blogpost lees je hoe het Bardo Thödol dit aan hem uitlegt met behulp van een citaat uit de tantra. De laatste regel hiervan,  Aanschouwd door de zuivere ogen van goden [van dezelfde aard], betekent dat wezens van dezelfde soort elkaar kunnen zien in deze tussenstaat.

Maar dat niet alleen. Ze kunnen ook worden waargenomen door yogi’s en goden, die helderziende vermogens hebben ontwikkeld. Er is dan wel een voorbehoud. Zij kunnen de wezens alleen zien als ze dat willen of wanneer ze van hun meditatie worden afgeleid. Want anders kunnen ze wel aan de gang blijven, legt Robert Thurman uit. Eindeloze aantallen van alle soorten wezens sterven immers voortdurend, en doorkruisen de bardo. Voor helderzienden zijn ze overal om zich heen duidelijk zichtbaar. Het maakt niet uit of hun vermogens ontwikkeld zijn, of aangeboren.

De beschrijvingen van de wezens die in de bardo ronddolen lijken erg veel op wat in veel culturen geesten genoemd worden. Met hun subtiele lichamen kunnen ze moeiteloos solide objecten binnendringen of met andere dingen tegelijk in dezelfde grove ruimte samen zijn. En ook de voortdurende grijze nevel waarin de bardo van wording gehuld is, sluit aan op de traditionele verbeelding van het hiernamaals met nevel en mist. Het is “grijs als het licht van morgenschemering in het najaar, niet dag en niet nacht”.

Wat een naargeestige toestand! En dat wonderlichaam is ook niet alles. Je ziet je huis en andere bekende plaatsen. En ook je familieleden en geliefden alsof je ze in een droom ontmoet. Je praat tegen ze, maar krijgt geen antwoord. Ze huilen. En je beseft: ik ben dood! Wat moet ik doen? Je zegt tegen de rouwende mensen: ik ben hier, treur maar niet. Maar ze horen je niet. Je zult enorm lijden, “als de pijn van een vis die door gloeiend zand rolt”. Maar geef je niet over aan het verdriet! Jezelf nog meer kwellen helpt niet. Wees niet gehecht aan je geliefden, dat heeft geen enkel nut. Roep je leraar aan, als je die hebt. Of anders Avalokiteshvara. Lijd niet en wees niet bang.

Een intens treurige passage in het Bardo Thödol. Wat een eenzaamheid. Maar dat is natuurlijk erg dualistisch gedacht van mij. Ilse Dorren ziet het wat ruimer: wie er zich bewust van zou worden dat alles illusie is, zou inzien dat zijn diepste wezen en dat van zijn nabestaanden één zijn. Zo bekeken bestaat er geen dood of scheiding.

Het lijden in de bardo van wording duurt meestal eenentwintig dagen, maar vanwege de invloed van karma is dat niet altijd zeker. Deze bardo kan één tot zeven weken duren, tot wel negenenveertig dagen dus. Maar dat is ook precies het aantal dagen (49) dat de totale tussenstaat volgens de traditie zou duren. En als je 21 dagen bardo van wording optelt bij 12 dagen bardo van dharmata en de 4 en een halve dag* ‘bewusteloosheid’ in de bardo van het ogenblik voor de dood, kom je op een totaal van 37 en een halve dag. Opnieuw lijkt de genoemde tijdsuur wat vaag en niet consequent. Misschien is de aardse kloktijd niet geschikt om de ervaring van de bardo nauwkeurig aan te geven.


*door ontwikkelde beoefenaars onbeperkt te verlengen.



Bronnen:
Francesca Fremantle en Chögyam Trungpa
Het Tibetaans Dodenboek
Servire, 1991

Robert A.F. Thurman
Het Tibetaanse Dodenboek
Altamira-Becht,  2006

Ilse Dorren
Tocht door twee werelden; Gids voor het Tibetaanse Dodenboek      
Mirananda, 1985

maandag 4 maart 2019

Het leven als leerschool

De interviewreeks van Fokke Obbema in de Volkskrant over de ‘Zin van het leven’ is vaak een interessante bron voor dit blog. Doel en betekenis toekennen aan Het Leven kan nu eenmaal niet zonder de eindigheid daarvan (plus een eventueel vervolg) erbij te betrekken. De geïnterviewden proberen hier allemaal een persoonlijk getinte uitleg aan te geven, maar het komt toch vaak op hetzelfde neer omdat de meesten beïnvloed zijn door een religie of levensbeschouwing al dan niet uit hun jeugd.

Dat geldt niet voor de hoofdpersoon van deze aflevering. Johanna Maria Riemen (56) is medium en heeft een nogal eigenzinnige kijk op de zaken. Riemen werd geboren in een Haags katholiek gezin en zat op school bij de nonnen. Als kind kreeg zij veel klappen vanwege haar ‘rare’ visie en voorspellingen. Tegenwoordig heeft zij klanten, vaak elitair, die haar consulteren voor adviezen van gene zijde. Soms geeft ze ongevraagd goede raad of een voorspelling, ook als mensen daar niet op zitten te wachten.

Volgens Riemen wordt hoe het je vergaat in dit leven bepaald door allerlei omstandigheden, bijvoorbeeld je karma, je levenspad, hoeveel levens je hebt gehad. Maar je hebt ook een vrije wil en soms een keus. Het kan dan nog beide kanten opgaan. Ze vreest dat het kwaad bezig is te zegevieren, er is achteruitgang. Dit wordt veroorzaakt door diverse factoren, bijvoorbeeld het internet – al het slechte wordt daar groter, het kwaad kan zich veel gemakkelijker bundelen. Het goede ook natuurlijk, maar het is de vraag wie dat gaat winnen. Het leven is een duistere tijd, tussen twee perioden van licht (het omgekeerde van wat de schrijver Nabokov beweert).

Riemen ziet het bestaan op aarde slechts als een leerschool voor het echte leven dat later komt, ‘aan de andere kant’. Wij zijn hier allemaal om dezelfde reden: je wordt geboren om je ziel te ontdoen van de schillen die eromheen zitten. Die moet je opruimen, want dan kun je in een hogere laag van bewustzijn terechtkomen. Dat gaat via reïncarnatie. Wanneer je in de hoogste zevende laag bent beland, ben je bij je kern. Dan ben je een kind van God en hoef je niet meer terug te komen. Dat opruimen doe je via andere mensen (familie, vrienden, collega’s etc.) door wie je geconfronteerd wordt met jezelf.

Riemen heeft sinds haar kindertijd contact met zeven begeleiders. Die hebben haar toen ze elf was een jaar lang iedere avond meegenomen naar de zeven onderlagen (de hel) en zeven bovenlagen (hemel). In de bovenlagen ziet ze zielen in hun menselijke verschijningsvorm die vooral bezig zijn met mensen op aarde te begeleiden. Ouders wachten op kinderen. Als hun gezin weer compleet is keren ze vaak weer terug naar aarde. De kinderen wachten dan weer op hun kinderen.


 

Het interview in de Volkskrant vind je HIER (€).