Posts tonen met het label karma. Alle posts tonen
Posts tonen met het label karma. Alle posts tonen

zondag 26 juli 2026

Kies NIET

Liquid Days 4 (slot)

(vervolg van vorige blogpost)

En hier sluit Jo Marchant haar artikel in de New Scientist af, maakt de cirkel rond en brengt ons weer terug naar het idee van NU. Bij de QBists en enactivisten geen realiteit die lang geleden in één oerknal is gecreëerd en vervolgens losgelaten. Het komt voortdurend tot stand, zoals Wheeler ooit al suggereerde, “in miljarden en miljarden” kleine scheppende flitsen die overal om ons heen resoneren. Dit is een visie waarin we niet simpelweg realiteit observeren, maar er in ondergedompeld zijn. Door onze keuzes en acties, van moment tot moment, beïnvloeden we wat bestaat en wat daarna komt.

Een zeer interessant artikel dat, zoals gezegd, mooi aansluit bij de blogposts over Nagarjuna, veel stof tot nadenken geeft en tegelijk weer allerlei vragen oproept. Niet alleen over oorzaak en gevolg en leegte bijvoorbeeld, maar ook met betrekking tot het creëren van een persoonlijke hemel, het eventueel praktisch nut van manifesteren, het afkloppen van voorspoed en bezwerend zwijgen over mogelijke tegenspoed. En is er dan toch zoiets als vrije wil? Of juist niet? Bovendien lijkt het er op dat (net als in het ‘gewone’ dagelijks leven) de denkbeelden en het handelen van de een onherroepelijk ten koste gaan van de ander.

En (dit is tenslotte het bardoblog!) wat zegt het Bardo Thödol over persoonlijke zienswijzen, keuzes en het creëren van ‘realiteit’? De teksten staan vol met keuzemogelijkheden op allerlei momenten. In een blogpost van lang geleden over de zes bestaanswerelden bijvoorbeeld, kun je lezen hoe in de bardo van dharmata de dualiteit (weer) haar intrede doet. Bij de overledene ontwikkelt zich de een of andere fundamentele neiging om iets vast te grijpen, en daaruit ontstaat de ervaring van de zes rijken van de wereld. Er komen negatieve emoties op, die zich verharden tot de verschillende (‘gekleurde’) waarnemingen die samen de zes illusoire rijken van de wereld (samsara) creëren, die ons gevangen houden in de kringloop van geboorte en dood. Tijdens deze visionaire ervaringen verschijnt elk rijk samen met zijn tegenhanger (een van de dhyani-boeddha’s), die de overledene dan de mogelijkheid biedt om die speciale dwangvoorstelling los te laten en op te houden met zich vastklampen aan een vals veiligheidsgevoel, maar juist op te lossen in de overeenkomstige manifestatie van wijsheid. Helaas worden we meestal instinctief naar de zwakke lichten van die zes bestaanswerelden toegetrokken. Onze gewoontepatronen lokken ons in een wedergeboorte die bepaald wordt door de specifieke negatieve emotie die ons karma en onze bewustzijnsstroom domineert.


Ook op een ander belangrijk keuzemoment (de juiste moederschoot) in de bardo van wording, wordt de overledene als het ware voortgestuwd door de kracht van zijn karma en stevent hij rechtstreeks op de zes bestaansrijken af. Karma is in de populaire volksmond iets (geworden) van rechtvaardigheid, evenwicht, boetedoen en inlossen van schuld. Maar het lijkt toch meer op een intens dwingende macht, een optelsom van persoonlijke voorkeuren, gewoonten en keuzes, die onherroepelijk jouw toekomst bepaald.

Op het sterfmoment is er een belangrijke kans op bevrijding. Verlost van het lichaam is de karmische visie van een leven volledig uitgeput, en al het karma dat in de toekomst gecreëerd zou kunnen worden, heeft nog geen vaste vorm aangenomen. Op het moment van de dood is er een 'gat', een ruimte zwanger van onmetelijk veel mogelijkheden; het is een moment geladen met enorme kracht, waarin het enige dat echt telt is hoe onze geest dan is. Zonder lichaam onthult de geest zich als wat hij altijd al was: schepper van onze werkelijkheid.

 
De oorsprong van alle verschijnselen is je geest.
Als je niet goed op hem let snelt hij ervaringen achterna,
vindingrijk in de spelletjes van misleiding.
Als je er direct in kijkt, is hij vrij van enige basis of
oorsprong,
In wezen vrij van enig komen, blijven of gaan. 

                                                 (Jamyang Khyentse Chökyi Lodrö)

 
Je bekrompen persoonlijke zienswijze en geschiedenis bepaalt je keuze.
Maar waarom zou je ‘kiezen’?
Geen begeerte of afkeer.
Naar ‘buiten’ kijken leidt meestal tot betrokkenheid of deelname.
Kijk dus naar ‘binnen’.
Geen oordeel, geen keuze.
 
 
Diepzinnig en stil, vrij van complexiteit,
Natuurlijke, stralende helderheid,
De geest van conceptuele ideeën voorbij;
Dit is de diepte van de geest der Overwinnaars.
 
Hier valt niets te verwijderen,
Niets toe te voegen.
Het is enkel het ongerepte
Dat spontaan naar zichzelf kijkt. 

                                                (Nyoshul Khen Rinpoche)

 

 
bronnen:
Jo Marchant
New Scientist
21 maart 2026
 
Sogyal Rinpoche
Dagend Inzicht
Servire, 1995

zaterdag 6 juni 2026

Dharma’s

Nagarjuna 10 
 
De ‘werkelijkheid’ bestaat uit een aaneenschakeling van losse momenten.
Alle dharma's (fenomenen) bestaan tegelijk in het verleden, heden en de toekomst. De essentie van de werkelijkheid is permanent, zelfs als verschijnselen veranderen. Dat is de mening van de Sarvastivadins, een boeddhistische stroming waar Nagarjuna zich speciaal tot richt. In de vorige blogpost kwamen ze ter sprake.

Die drie genoemde dharmas bestaan op één manier tegelijk, maar het zijn geen identieke kopieën, ze verschillen per tijdspositie. Alles bestaat maar héél even (momentariteit) en verandert continu, alles ontstaat en vergaat onmiddellijk. Er is geen blijvende essentie of continuïteit tussen verleden, heden en toekomst. Een dharma volgt wel direct uit de voorgaande dharma, maar volgens het principe van afhankelijk ontstaan. Dus gebeurtenissen voorafgaand aan de dharma ‘van nu’ hebben geen invloed meer, en er wordt ook niet vooruitgelopen op hiernavolgende gebeurtenissen.

Deze uitgangspunten leveren wel problemen op. Bijvoorbeeld karma zou niet kunnen bestaan. En je eigen emoties observeren kan ook niet. Observatie en emotie spelen zich beiden in je eigen hoofd af en kunnen niet tegelijkertijd plaatsvinden. Daar werd het volgende op gevonden. Naast de dharma ‘van nu’ (het heden) bestaan er ook dharma’s uit het niet-heden, dus verleden en toekomst (andere scholen namelijk verwierpen dat). En dat maakt dan weer oorzakelijke samenhang en karmische verantwoording mogelijk. Een handeling in het verleden (een dharma) blijft “aanwezig” als opgeslagen karmisch potentieel. En een toekomstig potentieel kan al een bepaalde stemming of opvatting veroorzaken (zijn schaduw vooruit werpen!).

Een interessant, maar ook merkwaardig en ingewikkeld verhaal. Er wordt wel een soort tijdlijn geïntroduceerd, maar verleden – heden – toekomst beïnvloeden elkaar niet. Geen oorzaak en gevolg hier. Toch zijn er eventuele karmische gevolgen. En de toekomst, ligt die vast?


Helaas besteedt Eric Hoogcarspel in zijn inleiding niet veel aandacht aan de Sarvastivadins. Misschien komt dat later nog? Bij vers 3 vermeldt hij dat ze een dualistisch wereldbeeld hebben, waarin geest en materie absoluut verschillend zijn. En daarom kan materie niet iets geestelijks veroorzaken. Dat vind ik interessant, want zegt Spinoza dat ook niet? De ‘attributen’ materie en geest, waarmee de enige substantie (God) zich uitdrukt in eindeloos veel ‘modi’, gaan parallel aan elkaar, maar kunnen elkaar niet beïnvloeden. Het zijn twee kanten van dezelfde zaak (God), één en dezelfde substantie, maar dan vanuit verschillende standpunten gezien (dus hier géén dualiteit!). Gods denken is gelijk aan zijn handelen, alles wat op gebied van de materie gebeurt heeft z’n parallel op het gebied van de geest (en omgekeerd).
 
 
 
 
Bronnen:
diversen op internet
 
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk
 
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

donderdag 7 november 2024

Armier

Goede werken, aalmoezen, offers, Hui-neng vond het allemaal maar flauwekul. Veel religies en hun gelovigen denken daar heel anders over. Verdiensten verzamelen zou juist een goede manier zijn om je karma te dempen en zonden te vereffenen. En dat is heel gunstig voor je beoordeling in het hiernamaals, de volgende wedergeboorte of het bereiken van een hemelse zaligheid. In de Rooms-katholieke kerk bijvoorbeeld, kun je veel afkopen met geld. Zo snijdt het mes aan twee kanten: jij wat minder lang in het louterende vagevuur, de Kerk weer wat rijker. En dat kan ook nog postuum, als je nabestaanden het even voor of namens jou willen regelen. In het boek Montaillou geven de doden zelfs opdracht vanuit het hiernamaals om dat te doen.

Het dorpje Montaillou in de Pyreneeën was begin 14e eeuw onderwerp van een uitgebreid onderzoek door de Inquisitie. De bewoners, voornamelijk herders en boeren, waren Katharen. Door het uitvoerig gedocumenteerde  Inquisitie-dossier, dat bewaard is gebleven, weten wij veel van de leef- en denkwereld van deze ‘ketters’. Emmanuel Le Roy Ladurie schreef er een bestseller over.

Een belangrijk personage in deze gemeenschap was de armier (zielenboodschapper). Hij had het alleenrecht om de berichtgeving tussen de levenden en de doden te verzorgen. In het boek van Le Roy Ladurie wordt vooral ene Arnaud Gélis genoemd, die eigenlijk armier was in de streek rond Pamiers. Deze Gélis vervulde nuttig werk met het overbrengen van aanmaningen (van de doden) om oude schulden af te betalen, de armen aalmoezen te geven en missen voor de overledenen te laten lezen. Hij ontving hiervoor een bescheiden vergoeding. Soms wat kaas of een drink- of eetuitnodiging, soms wat geld. Hij was niet arm. Zijn verbeelding werd gevoed door een denkwijze die zowel door volk als elite gedeeld werd en het sociale nut van zijn activiteiten was overduidelijk. Daardoor had Gélis (onder de levenden) een netwerk van vaste klanten, voornamelijk vrouwen, kunnen opbouwen. Natuurlijk waren er ook wel wat mensen die hem niet wilden geloven.

Naast een goede afwikkeling van de financiële zaken, vervulde de dodencultus een belangrijke functie bij het aanhouden van de gezinsbanden. De schimmen van de overledenen bleven zich bemoeien met de gang van zaken in het huishouden. Zo liet de schim van een vriendelijke en attente echtgenoot, via bemiddeling van Gélis, aan zijn vrouw weten dat hij graag zou zien dat ze hertrouwde met een eerzame man. Er waren ook wederzijdse verplichtingen. Een gezin kon het einde van een rouwperiode bespoedigen door de dode te helpen bij het vinden van zijn uiteindelijke rustplaats. Wanneer de familie missen liet lezen voor de overledenen was dat een win-winsituatie: de doden zagen hun vermoeiende dooltijd verkort, en de levenden konden zo voorgoed van hun doden afkomen, want die werden op den duur lastig. Als het nodig was lieten de doden via Gélis aan de familie weten dat er wel weer eens missen gelezen mochten worden. Dat was niet gratis natuurlijk, daar hadden vooral de priesters baat bij. Zij zagen de folkloristische dwalingen graag door de vingers en gaven Gélis tien procent provisie.

Daarnaast was er ook risico als de positie van armier zo maar zou vervallen. De mensen zouden bijvoorbeeld zelf contact met geesten gaan zoeken, met alle gevolgen van dien. Gélis werkte discreet en betrouwbaar en hield zich strikt aan zijn beroepsgeheim. Hij verrichtte zijn werkzaamheden tot volledige tevredenheid van zijn dode en levende klanten. Soms deed hij zelfs dienst als mediator tussen de ene en de andere dode. Hij stond met iedereen op tamelijk vertrouwelijke voet. Toch is het slecht met hem afgelopen, rond 1325 viel ook het doek voor de laatste Katharen. De Inquisitie doet niet aan gedogen.
 

 
Bron:
Emmanuel Le Roy Ladurie
Montaillou
Uitgeverij Bert Bakker, 1986 (14e druk)

donderdag 24 oktober 2024

Karma to burn?


Veel religies moedigen hun gelovigen aan regelmatig ‘goede werken’ te verrichten om zodoende eventuele zonden uit het verleden enigszins of ruimschoots te compenseren. Dat zou dan heilzaam zijn voor de toekomstige positie in een hiernamaals of wellicht een volgend leven. Maar ook niet-gelovigen kunnen de neiging hebben om, misschien door schuldgevoel gedreven, hun goede en slechte daden wat in balans in te brengen. Je weet immers maar nooit.

Boeddha maakte ook gebruik van vrijgevigheid. In het eerste hoofdstuk van De Diamant Sutra gaat hij in de stad Shravasti van deur tot deur om voedsel te bedelen. Misschien ook wel om de bewoners de gelegenheid te geven tot een positief gebaar. Toch lees ik in dezelfde tekst dat dit allemaal maar betrekkelijk is, goedheid, goede daden, beloning. Je kunt oneindig veel meer verdienste verzamelen door onderricht te begrijpen en dat effectief aan anderen uit te leggen.

In De Sutra van Hui-neng worden aalmoezen en offers zelfs nutteloos genoemd. In de preek over de essentie van de geest komt Hui-neng met een, wat hier genoemd wordt, ‘vormloos gedicht’. Hij vindt het een belangrijk stukje tekst, dat vooral gereciteerd en gepraktiseerd moet worden omdat het onmiddellijk de waan en de zonden van kalpa’s (!) zou verdrijven. Verdiensten verzamelen is zinloos, zegt Hui-neng hier, alleen misleide mensen houden zich daar mee bezig. Zij denken het pad te bewandelen, maar doen dat dus niet. Zij verwachten dat op deze manier hun zonden vergeven zullen worden, maar weten niet dat het vergaren van goed karma niets te maken heeft met het verdrijven van zonden. Ze beseffen niet dat de uiteindelijke bron van zonde de drie giftige elementen zijn (begeerte, haat en begoocheling) die rondgaan in hun eigen geest. Dáár moeten we ons van ontdoen. We moeten ons afkeren van het kwade en oprechtheid beoefenen en beseffen wat écht berouw is, ch’an hui.

Ch’an verwijst naar berouw over zonden die gepleegd zijn in het verleden, onder invloed van begoocheling, onwetendheid, arrogantie, oneerlijkheid, afgunst, jaloezie en zo meer. Dat kunnen we dan achter ons laten. Hui is het deel van berouw dat verwijst naar ons toekomstig gedrag. Het is geen berouw ‘vooraf’, maar een kwestie van voorkomen. We moeten plechtig beloven in de toekomst alle slechte daden achterwege te laten en nooit meer te zondigen. ‘Gewone mensen’ beseffen dit niet, ze plegen al weer nieuwe zonden voordat de oude vergeven zijn. Dat kan nooit berouw zijn natuurlijk, vindt Hui-neng.

Berouw hebben en nieuwe zonden vermijden zou het (vrijblijvend) uitdelen van aalmoezen niet in de weg hoeven staan, denk ik dan, maar dat laat Hui-neng hier verder in het midden.

Goede werken verrichten en flink doneren (aan de Kerk) heeft ook een belangrijke plaats in de Rooms-katholieke geloofsleer. De beloning volgt dan in het hiernamaals, met een korter verblijf in het vagevuur. Voordat je deel kan nemen aan de hemelse zaligheid namelijk, moet je eerst gezuiverd worden van nog niet voldane schuld. Die zondeschuld wordt afbetaald door verblijf in het vagevuur. Protestanten zien dat weer anders. Leven in het hiernamaals wordt door God uit genade geschonken op basis van geloof van de mens. Zondeschuld wordt uit genade vergeven en niet door het verrichten van goede werken.

En wat staat er in het Bardo Thödol? Er is sprake van een oordeel in de bardo van wording, ook al doe je dat zelf. Al je goede daden worden met witte kiezelstenen uitgeteld, en alle slechte daden met zwarte kiezelstenen. Je onafgewerkte karma presenteert zich hier als een angstwekkend wezen: Yama (de Heer van de Dood) die je komt oordelen. Je beleeft hem als een afzonderlijk wezen, maar in feite is hij het zelf dat zich een spiegel voorhoudt. Een onbarmhartig moment met een genadeloze analyse.
 

donderdag 28 september 2023

De wereld van goden en geesten

Commentaar van C.G. Jung bij het Tibetaans Dodenboek  (4/5)
 
Vervolg van de vorige blogpost.
Omkeren in sidpa bardo kan niet, vanwege karma en risico’s. Jung geeft het toe. Ons doel is dus proberen het chöniyd bardo te begrijpen.

Dit is de bardo van dharmata, ‘de tussenstaat van de realiteit’. Een werkelijkheid van projecties uit de eigen verwarde gedachtenwereld. Hier wordt de overledene gekweld door gruwelvisioenen. Hij geeft zich over aan fantasie en verbeelding, niet geremd door de bewuste geest. De psychische restjes van het vorige leven vormen deze karmische illusie. En karma, daar heeft Jung niets mee. Een soort psychische erfelijkheidsleer uit ‘het Oosten’, gebaseerd op de hypothese van reïncarnatie. Onmogelijk te bewijzen, en wij (kennis en verstand) weten wel beter.

Vervolgens komt Jung met zijn archetypen van het collectieve onbewuste aanzetten, een bijzondere groep universele instellingen van de geest. 'Kenmerkende beelden', constructies van de fantasie, afgeleid van de meest transcendente emotionele momenten van de mensheid, en niet door familie of ras bepaald. Sommige ideeën zijn overal ter wereld hetzelfde, bijvoorbeeld ‘doden weten niet dat ze dood zijn’. Donald Lopez wijst erop dat Jung hier blijkbaar, in tegenstelling tot Evans-Wentz, geen historische beïnvloeding ziet tussen Griekse mysterie sekten en Aziatische yogi’s.


De chönyid toestand kun je vergelijken met een opzettelijk veroorzaakte psychose, waarschuwt Jung. En kijk ook maar uit met yoga, ‘met name de beruchte koendalini-yoga’. Dit punt maakt hij in bijna al zijn geschriften en commentaren over Azië. Vaak inclusief dezelfde culturele oost-west stereotypen, en dezelfde poging om "Oosters" bewustzijn te interpreteren in het licht van zijn theorie van het onbewuste. En ook nu weer probeert Jung Aziatische wijsheid in te lijven in zijn eigen psychologische theorie. Zelfverzekerd reduceert hij een complex religieus systeem, met een eigen lange traditie van exegese, naar zijn eigen psychologische systeem. Initiatie is psychoanalyse en “de wereld van goden en geesten is ‘alleen maar’ het collectief onbewuste binnen in mij”.

Volgende keer verder.


 

Voornaamste bronnen:
Psychologisch commentaar door Carl Gustav Jung
Het Tibetaanse Dodenboek
Walter Evans-Wentz
Ankh Hermes, 2017

Donald S. Lopez, Jr.
The Tibetan Book of the Dead; A Biography 
Princeton University Press, 2011

donderdag 21 september 2023

Ervaring in utero

Commentaar van C.G. Jung bij het Tibetaans Dodenboek  (3/5)
 
Vervolg van de vorige blogpost. 
We moeten het Bardo Thödol andersom lezen, vindt Jung. En Sidpa Bardo is al helemaal ontraadseld, met dank aan de freudiaanse psychoanalyse.
 
Tijdens het analytische proces wordt de ‘Europeaan’ ver teruggevoerd door dit specifiek freudiaanse gebied. Helaas zijn herinneringen aan het bestaan in de baarmoeder dan wel de uiterste grens, hier kwam de zaak tot stilstand. 
Ontzettend jammer vindt Jung dat. Waren de herinneringen in utero maar iets verder teruggevolgd. Dan zou sidpa bardo gepasseerd zijn, en waren we zomaar uitgekomen bij het laatste stukje chönyid bardo! En als er op die reis terug ook maar een glimp van een ervarend subject gevonden zou zijn, dan zou dat beslist geleid hebben tot een bewezen bestaan vóór de moederschoot, een bestaan in de bardo, en uiteindelijk een bewijs voor reïncarnatie. 
 
Maar helaas, de psychoanalytici zijn zelfs nooit verder gekomen dan vermoedens over ervaring in utero. Freud moest niets van metafysica hebben, hij was tegen het bestuderen van ‘occulte’ ideeën en het koppelen ervan aan de psychoanalyse. Jung daarentegen vond parapsychologie en paranormale verschijnselen juist wel belangrijk. (Niet dat hij zelf veel gedaan heeft om bijvoorbeeld reïncarnatie te bewijzen.)


Eigenlijk kan het niet eens, omkeren in sidpa bardo. ‘De straffe wind van het karma’ jaagt de overledene hier juist vooruit, richting moederschoot. Jung geeft het ronduit toe in zijn voorwoord: er is ‘een intens neerwaarts streven naar de dierlijke sfeer van het instinct en de lichamelijke wedergeboorte’, waardoor sidpa en chönyid gescheiden blijven. De oversteek zou bovendien een enorm riskante omkering zijn van het eigenlijke doel van de bewuste toestand. Ego is 'de ware locatie van de angst' (Freud), en hier zou de stabiliteit van het bewuste ego zomaar opgeofferd worden, overgeleverd aan de extreme onzekerheid van een chaotisch lijkend spel van fantastische figuren.

Laten we dus proberen het chöniyd bardo te begrijpen, zegt Jung, want dat is onze eigenlijke taak.

 



Voornaamste bronnen:
Psychologisch commentaar door Carl Gustav Jung
Het Tibetaanse Dodenboek
Walter Evans-Wentz
Ankh Hermes, 2017

Donald S. Lopez, Jr.
The Tibetan Book of the Dead; A Biography 
Princeton University Press, 2011

dinsdag 29 augustus 2023

Roel en Bella

 
Roel van Duijn (1943) is een voormalig politicus en activist, bedenker van provobeweging en kabouterpartij. Hij zet zich al decennia in voor bescherming van natuur en milieu, maar voert tegenwoordig vooral strijd tegen wanen en complottheorieën. Daarnaast is Van Duijn (als ervaringsdeskundige) consulent voor liefdesverdriet. Hij schreef verschillende boeken, waaronder Panies dagboek (1971). Daarin een interessante passage over de dood, uitgelegd met behulp van een boom.

“De dood is het begin van een terugreis naar het punt van voor de geboorte. Dat weet ik nu. Want zien mensen die bijna sterven maar het overleven niet vaak een film van hun leven in hun hersens razendsnel achterstevoren afdraaien? De dood is de terugkeer van de tak naar de kern van de stam. Maar na zijn dood blijft het wezen van de tak, want het was er al voor zijn geboorte. De eerste wet van de thermodynamica zegt: energie kan noch worden geschapen noch worden vernietigd. De kern van de stam is daar waar hij noch levend noch dood is. Angst voor de dood is evengoed als angst voor het leven, een poging je van de werkelijkheid van het bestaan en van al het bestaande te isoleren.”

Het is waar, Roel van Duijn is nogal een boomknuffelaar, en hij zegt ook met ze te communiceren. De subtitel van dit boek is dan ook Gesprekken met een rode beuk. Roel wendt zich met enige regelmaat tot een boom in het Westerpark (Amsterdam) en probeert op die manier contact te krijgen met de oude natuurgod Pan (vandaar ‘Panies’). Onder het lover van de boom ‘Bella’ verdiept hij zich in de oorsprong van de wereld, en komt daarbij tot theorieën die moeilijk te volgen zijn.

Roel van Duijn werd geboren in een theosofisch gezin in Den Haag en ruimdenkend opgevoed, alle godsdiensten werden bestudeerd. Zijn vader brak met de theosofie omdat hij de leiders niet democratisch vond. Ook Roel voelt zich geen theosoof meer, hij is vooral sceptisch over de organisatievorm. Hij gelooft in reïncarnatie en vindt het een positieve gedachte dat de ziel ergens naar toe gaat en een manifestatie zoekt. Daar is geen bewijs voor, maar dat hoeft ook niet, voor het tegendeel is ook geen bewijs. Roel gelooft erin en voelt zich er goed bij, ervaart rust en harmonie. Karma en reïncarnatie zijn voor hem de kern van alle godsdiensten, maar hij heeft geen overtuigingsdrang. Het concept van een goddelijke ordening vindt hij moeilijk, want daar is de mens dan onderdeel van, terwijl die juist altijd voor wanorde zorgt. Hij gelooft in een goddelijke vonk, maar dan in alles, niet alleen in de mens. Ongeveer zoals bij Spinoza, god is de natuur en de mens is onderdeel daarvan.

Terug naar Panies dagboek. Dinsdagochtend, 15 juni. Roel loopt rondjes om de stam van de beuk. Onder het gewelf van takken en bladeren mijmert hij over zijn in 1962 overleden vader Gerard, “zoals hij gedurende enige dagen na zijn overlijden opgebaard lag bij ons thuis in de grote achterkamer. De uitdrukking van zijn gelaat straalde een onkwetsbare schoonheid uit. Niet een toevallige schoonheid was het maar een schoonheid die onmiddellijk voortkwam uit de gevoelens die er tussen mijn vader en ons tijdens zijn gang door de gouden poort werden uitgewisseld.” Hij steekt een blad van de boom in zijn mond om de smaak van de dood te proeven en overpeinst dood en boom (zie bovenaan). Groen gras glanst in de regen en omcirkelt de boom. De bruine beuk is en blijft het middelpunt, de contouren van zijn kroon steken prachtig af tegen de hemel. Roel is één met het beeld van de boom en drukt zich tegen de ronde stam. ‘Ineens wordt Bella hol en word ik een boom in haar.’

Kortom, sympathieke jaren 60 en 70 naïviteit. Met misschien een extra kruidensigaret hier en daar? Wie zal het zeggen.



Roel van Duijn
Panies dagboek
Meulenhoff, 1971
 
Overige bronnen:
Podcast voor de ziel, 2 juli 2022
NRC, 11 december 1971

zaterdag 24 juni 2023

Gat

De vorige blogpost ging over de zesvoudige knoop en het exacte sterfmoment. Chögyam Trungpa gaf een beschrijving van de ervaring, en Robert Thurman van de gebeurtenissen op dat moment. Maar een goede uitleg over het enorme belang van het sterfmoment kwam ik gisteren nog tegen in Sogyal Rinpoche's boek Dagend Inzicht: 

(23 juni) “Je kunt het moment van de dood zien als een vreemd grensgebied in onze geest, een niemandsland waar ons enerzijds, als we de illusoire aard van ons lichaam niet beseffen, een ingrijpende, traumatische ervaring te wachten staat bij het verlies ervan, en waar ons anderzijds de mogelijkheid wordt geboden van grenzeloze vrijheid, die juist voortkomt uit de afwezigheid van datzelfde lichaam.
Wanneer we uiteindelijk bevrijd zijn van het lichaam dat ons begrip van onszelf zolang heeft bepaald en beheerst, is de karmische visie van een leven volledig uitgeput, en al het karma dat in de toekomst gecreëerd zou kunnen worden, heeft geen vaste vorm aangenomen.
Op het moment van de dood is er een 'gat', een ruimte zwanger van onmetelijk veel mogelijkheden; het is een moment geladen met enorme kracht, waarin het enige dat echt telt is hoe onze geest dan is. Ontdaan van een lichaam onthult de geest zich als wat hij altijd al was: schepper van onze werkelijkheid.”
 

Bron: 
Sogyal Rinpoche
Dagend Inzicht
Servire, 1995

vrijdag 16 september 2022

Oorsprong en bewustzijn

Stel, reïncarnatie bestaat. Je bent overleden, en je ‘ziel’ heeft een tijdje rondgehangen in de tussenstaat, tussen twee opeenvolgende levens in. Op welk moment treedt dit bewustzijn dan het nieuwe lichaam binnen? Deze interessante vraag was het onderwerp van een vorige blogpost. Reïncarnatie lijkt een eindeloze keten opeenvolgende en aangesloten wedergeboorten te zijn, wanneer en hoe is deze reeks ooit gestart? 
 
Het boeddhisme gaat uit van universele oorzakelijkheid. Hier geen goddelijke schepper of zelf-geschapen wezens. Alles is aan oorzaken en omstandigheden onderhevig. Oorzaken en omstandigheden die verandering tot gevolg kunnen hebben, maar ook een ontstaan van iets. Dus ook de geest, of het bewustzijn ontstaat (verandert) als een resultaat van de voorafgaande ogenblikken. De continuïteit van bewustzijn wordt (mede) mogelijk gemaakt door achtereenvolgende wedergeboorten. Dit is, in het kort, de boeddhistische variant van reïncarnatie.
 
Continuïteit van bewustzijn dus, en niet een ziel of ego. Geen onafhankelijke en onveranderlijke entiteit dat de dood van het lichaam overleeft, maar het meest subtiele niveau van bewustzijn. Een soort gestripte versie van de persoon die jij was, gebaseerd op je meest hardnekkige ingekerfde neigingen. De onfeilbare natuurwet van oorzaak en gevolg, karma, is de stuwende kracht achter de wedergeboorten. En jouw karma bepaalt of die gunstig of juist lastig zal uitpakken. Niks lot of voorbeschikking dus. Sterker nog, de toekomst ligt in jouw handen. Want als alles wat je nu doet of denkt een evenredig gevolg zal hebben, biedt dat natuurlijk ook mogelijkheden, een kans tot creëren en veranderen.

Bewustzijn ontstaat dus via het moment van bewustzijn dat er onmiddellijk aan voorafging. Maar waar komt het uiteindelijk vandaan? De Dalai Lama probeert het uit te leggen door eerst de stoffelijke wereld als voorbeeld te nemen. Alle elementen in het universum kunnen herleid worden naar een oorsprong, een startpunt, waar ze gecomprimeerd zijn tot ruimte-deeltjes. En die zijn op hun beurt weer het gevolg van het uiteenvallen van een vorig universum. Enzovoort. Het is een voortdurend ontwikkelen, uiteenvallen en weer terugkeren. Vergelijkbaar, inderdaad, met onze geest of bewustzijn. Het is de aard van de geest om ieder moment te veranderen. Als je ons huidige bewustzijn herleidt, merk je dat je de oorsprong van de continuïteit van bewustzijn, net als de oorsprong van het stoffelijk universum, tot in een eindeloze dimensie terugvolgt. Het is zonder begin. Lijkt het.

Er zijn verschillende niveaus van bewustzijn. De meer grove niveaus zijn verbonden met fysiologische processen in het lichaam, er van afhankelijk zelfs. Maar wat is nu de basis? Welke energie of oorsprong stelt de geest in staat, in interactie met stoffelijke deeltjes, levende wezens met bewustzijn voort te brengen?

Lichaam en geest beïnvloeden elkaar, maar de een kan niet de substantie (het materiaal) van de ander worden. Geest en materie zijn van elkaar afhankelijk, maar kunnen niet als substantiële oorzaken voor elkaar dienen. Het uiterste subtielste niveau van bewustzijn verschaft de continuïteit tussen levens en is het uiteindelijke scheppende principe. Dit meest subtiele bewustzijn, het Heldere Licht, is altijd aanwezig. De continuïteit ervan lijkt bijna iets blijvends, vergelijkbaar met die ruimte-deeltjes. Wat op het terrein van de materie de ruimte-deeltjes zijn, is op het terrein van bewustzijn het Heldere Licht. Deze bijzondere energie is de verbinding met het bewustzijn, het is er de oorsprong van, en zo uiteindelijk ook van leven.

Het Bardo Thödol leert dat op het moment van sterven dit zuivere Heldere Licht voor je straalt. Alles wat de verlichte geest tijdens het leven heeft verduisterd valt weg, en er is niets meer dat onze ware natuur verhult. Eén ogenblik verblijft je bewustzijn nu in deze uitgestrekte massa van licht. Je bent vrij van geboorte of sterven. Het is voldoende dit alles te herkennen! Het ogenblik van de dood is een geweldige gelegenheid, als je goed begrijpt wat er gebeurt en je er tijdens je leven goed op hebt voorbereid. Want op dit moment lost je denkende egogeest weer op in de essentie (het Heldere Licht) en vindt bevrijding en verlichting plaats.

In een volgende blogpost meer over het ontstaan van zelf-bewustzijn en dualiteit.

 

 

Bronnen: 
Het Tibetaanse boek van leven en sterven 
Sogyal Rinpoche 
Servire, vijfde druk 1996 
 
Dagend Inzicht 
Sogyal Rinpoche 
Servire, 1995

Lezing Dalai Lama, New York 1991

maandag 16 augustus 2021

Astraal reizen met Robert Monroe

De Amerikaanse zakenman Robert A. Monroe (1915-1995) had een speciaal paranormaal talent: hij kon naar believen zijn lichaam tijdelijk verlaten, en bewust door verschillende aardse en astrale dimensies reizen. Als pionier op het gebied van astrale projecties schreef hij daar drie boeken over. 
 
De eerste uittreding* was Monroe spontaan overkomen, maar later ontwikkelde hij bepaalde technieken om deze ervaringen, die ook wel op lucide dromen lijken, bewust op te wekken. Met zijn niet fysieke, astraal lichaam verplaatst Monroe zich dan in de astrale wereld. Hijzelf spreekt liever over een tweede lichaam** en een tweede staat. Astraal vindt hij een vaag begrip, meer iets voor occult gedoe en bijgelovige dwaasheden uit een ver verleden.
 
 
In zijn eerste boek (1971) beschrijft Robert Monroe de drie omgevingen die, naar zijn mening, in deze tweede staat schijnen te bestaan. Omgeving I komt hem daarbij het meest geloofwaardig voor. Het is een soort hier en nu, zonder vreemde gebeurtenissen, wezens of plaatsen. Een wereld die wij kennen via onze zintuigen, met mensen en plaatsen die ook feitelijk bestaan in de stoffelijke wereld. Omgeving III is een merkwaardige wereld, bíjna identiek aan de onze, maar met een rare, onbegrijpelijke twist.

Omgeving II lijkt veel op het traditionele gene zijde, waar mensen naar toe gaan wanneer ze sterven. Er zijn allerlei wezens met wie je in contact kunt treden, en Monroe ontmoet er soms personen die overleden zijn. Hij beschrijft parkachtige landschappen, waar nieuw aangekomen doden worden opgewacht door vrienden. Sommige overledenen creëren allerlei aardse voorwerpen, waar ze kennelijk aan gehecht zijn, om hun nieuwe omgeving op te leuken. Dat kan gemakkelijk, want gedachten vormen hier de bron van bestaan. Zij veroorzaken energie, leven, figuren. Je bent zoals je denkt, en voorzien van een zeer soepel en rekbaar tweede lichaam, dat elke vorm kan aannemen die je maar wil. Het doet sterk denken aan de bardo van wording, zoals beschreven in het Bardo Thödol. Monroe vermoedt dat het wezenlijke zelf (de ziel) in omgeving II “slechts een georganiseerde werveling of verdraaiing vormt van het basismateriaal”.

In deze sfeer is het constant opletten geblazen. Elke hardnekkige emotie, of zelfs een kleine terloopse gedachte op een verkeerd moment, buigt je reis af in een daarmee samenhangende richting. Je constante drijfveren, gevoelens en verlangens, hebben je bestemming volledig vastgelegd (karma!). En, net als in de bardo, is angst hier een terugkerend motief. Angst voor het onbekende, voor vreemde (niet-stoffelijke) wezens, voor de dood, voor God, voor het overtreden van regels, voor pijn. Je wordt voortdurend opgejaagd door je diepste verlangens en meest panische angsten. Emoties die in de stoffelijke wereld zorgvuldig onderdrukt worden, razen hier onverhuld op volle kracht. Het is overdonderend. En alles ook nog open en bloot, zichtbaar voor ‘de anderen’. Hier geen afgeschermd innerlijk ik, of verhulling in de vorm van aanpassing of remmingen. Geen geheimen, maar transparantie.

Uiteindelijk kan de overledene toch weer verder. Er zijn ontelbare mogelijkheden in omgeving II, maar het is dan wel ‘soort zoekt soort’ (net als in de bardo). Ben je een zeer slecht mens, dan beland je in een sector met gelijkgezinden. Er zijn talloze denkbare variaties, de onmetelijkheid en dimensies van omgeving II gaan ons voorstellingsvermogen te boven. Wat hemel en hel genoemd wordt, is maar een onderdeel van deze uitgestrektheid. Daarover meer in een volgende blogpost.
 

 * Er bestaat (nog) geen algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs dat uittredingen ook daadwerkelijk plaatsvinden.

**Monroe vermeldt het bestaan van een koord, dat de verbinding van het stoffelijke met het tweede lichaam onderhoudt. Het wordt vaak genoemd bij bijna-doodervaringen en in de esoterische literatuur

 

Voornaamste bron: 
Robert A. Monroe 
Uittredingen; Experimenten buiten het lichaam 
Ankh-Hermes 1978, derde druk