vrijdag 29 mei 2026

Shaping chairs

bron afbn: bbc news

Op BBC news las ik een artikel over Alice en Gavin Munro, een stel uit Derbyshire. Zij laten bomen groeien in de vorm van een stoel, een proces dat meestal zes tot negen jaar duurt. Daarna moet het hout nog een jaar drogen. De Munro’s zijn inmiddels 20 jaar aan het experimenteren.
 

Grappig dit! Vooral omdat “een stoel” in de toelichting door de vertaler van Nagarjuna’s Grondregels… genoemd wordt als het voorbeeld van een substantie met vaste eigenschappen. “Een stoel is wat hij is”. Substanties worden geacht zelfstandig, onveranderlijk en onafhankelijk te zijn, maar Nagarjuna toont telkens aan dat dit onhoudbaar is. De dingen zijn alleen maar wat ze zijn in onze ogen! Een stoel is voor ons een stoel, maar niet voor een vogel.

En nog leuker, uitgerekend een boom wordt in het boeddhisme vaak gebruikt als voorbeeld om ‘afhankelijk ontstaan’ te illustreren, de onderlinge samenhang en interconnectie. Niets bestaat op zichzelf, alles is verbonden.

 
 
bronnen:
BBC.com, 18 mei 2026 
 
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

maandag 25 mei 2026

Ich freue mich

Maarten ’t Hart en de dood (2-2)

In het eerste deel van deze blogpost beschreef Maarten ’t Hart (1944) hoe hij ooit een zelfmoord overwoog. De doorgaans monter ogende schrijver brengt in zijn boeken ook wel eens ‘mini-depressies’ ter sprake, die dan gelenigd worden door een troostend bezoek aan de boekhandel en de aanschaf van (afgeprijsde) boeken (meestal over componisten). Ik weet niet of Maarten in een eventueel hiernamaals gelooft, daar laat hij zich nooit over uit. Wel over de dood. Zijn vader was grafdelver en bij hem op het kerkhof zag hij ooit dit versje:

Eens was ik net als u,
die dit nu staat te lezen,
en zoals ik nu ben,
zo zult gij eenmaal wezen.
 
Een olijke variant op ‘heden ik, morgen gij’, maar voor de achtjarige Maarten een schokkende eye opener. In een van zijn autobiografieën (Dienstreizen van een thuisblijver) vertelt hij over een reportage op de begraafplaats van Warmond met een Duitse fotograaf, genaamd Tobias Todt. Het hele verhaal lijkt mij uit de duim gezogen, maar maakt wel duidelijk hoe Maarten over de dood denkt. Hij lijkt daar niet bevreesd voor, maar wel ‘doodsbang voor een ernstige ziekte’. Want dan kom je in een ziekenhuis terecht en daar kun je niet slapen, weet hij uit ervaring, en daardoor zink je steeds verder weg in een depressie. Je wilt dan dolgraag slapen en wegzinken in de diepst mogelijke slaap. ‘En wat is de diepst mogelijke slaap anders dan de dood?  En als je zo smartelijk naar slaap kan verlangen, naar vergetelheid, naar wegzinken in een zoete sluimer, waarom je dan nog druk maken over de dood? ‘Doodzijn was toch het ultieme slapen, was toch een slaap van eeuwige jaren?’, citeert hij een boek van lang geleden.
 
 
Maarten wil vooral niet gecremeerd worden, ‘want dan worden al die hoogwaardige eiwitten die je je leven lang stuk voor stuk hebt opgebouwd in één klap vernietigd’. Hij laat de fotograaf alvast het plekje zien waar hij ooit wenst te liggen. De muziek bij de uitvaart moet in ieder geval het mooiste stukje Prokofjev bevatten, anderhalve minuut filmmuziek getiteld ‘de Tataarse steppe’. Hij lijkt zich te verheugen, want dood zijn heeft zo zijn voordelen. Als hij langs dit kerkhof fietst denkt hij altijd: als je dood bent, hoef je nooit meer op reis. Hij neuriet cantate 82 van Bach: Ich freue mich auf meinen Tod
 
 
 
bronnen:
Maarten ’t Hart
Een deerne in lokkend postuur
Persoonlijke kroniek 1999
De Arbeiderspers, 2000
 
Maarten ’t Hart
Dienstreizen van een thuisblijver
De Arbeiderspers, 2011

dinsdag 19 mei 2026

Geen verplichtingen meer

Maarten ’t Hart en de dood (1-2)

Ik droomde een keer dat ik bij de wastafel in mijn badkamer stond. Er lag water onder vanwege een lekkende sifon. Dat was flink balen (ik heb een lange geschiedenis met lekkages), maar ineens besefte ik dat dit misschien een droom was. Om dat te testen bukte ik om even mijn handen door het water te halen, want dat kun je in een droom niet voelen, dacht ik. Maar helaas, kletsnat natuurlijk. Wat een opluchting toen ik wakker werd!

Toch schijnen er wel dingen te zijn die je in een droom niet kunt doen. Klokkijken bijvoorbeeld, of lezen. Maarten ’t Hart (1944) beweert iets anders. In zijn ‘persoonlijke kroniek 1999’ (Een deerne in lokkend postuur) herinnert hij zich een ‘ongewoon heldere droom’ uit 1971 waarin hij de krant las, en daarbij zijn eigen overlijdensadvertentie tegenkwam. Hij prentte zich de datum scherp in: 14 april 1987. Lange tijd heeft hij gedacht dat de droom zou uitkomen, maar die angst (?) is inmiddels (1999) door de tijd ingehaald. Toch betwijfelt Maarten nog steeds of hij het jaar 2000 wel zal halen, want gelet op zijn enorme roekeloosheid in het verkeer is het ‘een groot wonder dat hij nog steeds leeft’.

Is hier (onbewust) sprake van een doodswens? In hetzelfde boek lees ik bij 17 september een indringende passage, getiteld Thanatos (de god van de zachte dood). Hier beschrijft Maarten hoe hij vanuit de woonkamer van zijn zus het balkon oploopt. Ze woont hoog in een flat met een schitterend uitzicht. Het is zonnig warm met een goudkleurig en betoverend septemberlicht. Hij staat daar en kijkt naar beneden en voelt zich sprakeloos gelukkig. Diep onder hem ligt een zonovergoten groen grasveld. Hij herinnert zich psalmteksten en denkt aan het heelal, mysterieus maar doelloos.

Terwijl hij zich dicht tegen de balkonrand aandrukt lijkt het haast alsof het grasveld zich aanbiedt. Zwevend op de vleugels van de wind zou hij er vredig op kunnen neerdalen. Hij moet alleen even op die rand klauteren. De wind suist, achter hem de stemmen uit de kamer, en naarmate de seconden verstrijken lijkt het steeds aanlokkelijker om te springen. Aan al zijn problemen zou in één klap een einde komen. Hij somt ze voor ons op. Geen ondraaglijk lijden zo te zien, maar irritante ongemakken en werkdruk en allerlei verplichtingen. Dan ziet hij op het grasveld een meisje met een hondje en denkt dan aan zijn eigen hondje Roef. Het kost hem nog wel de grootste moeite om zich weer los te maken van die balkonrand, want ‘wat kan het opeens geweldig aantrekkelijk lijken om dood te zijn!’ 

Is dit verhaal geïnspireerd door het werk van T.F. Powys (1875-1953)? Maarten ’t Hart zou een bewonderaar zijn van deze merkwaardige Engelse schrijver, maar dat heb ik nergens concreet kunnen vinden. Bij Powys is de dood een list van de natuur om je je leven afhandig te maken, maar tegelijk de enige uitweg uit de misère.

 
bron afb: knipsel Parool

 
bron:
Maarten ’t Hart
Een deerne in lokkend postuur
Persoonlijke kroniek 1999
De Arbeiderspers, 2000

woensdag 13 mei 2026

Nagarjuna en Spinoza

Nagarjuna 8

Vervolg van de vorige blogpost. Via hoofdstuk 1 van Nagarjuna’s Grondregels… en de inleiding van vertaler Erik Hoogcarspel ben ik op een zijpad met Spinoza beland. Dat was niet direct de bedoeling, maar ik heb er wel veel aan gehad. Tegelijkertijd bezig zijn met Nagarjuna en Spinoza bleek prettig en leerzaam, maar nu wil ik wil me weer hoofdzakelijk op Nagarjuna en ‘leegte’ concentreren. Voor de volledigheid kijk ik nog één keer kort naar de overeenkomsten en verschillen tussen beide filosofen (althans voor zover ik denk het begrepen te hebben).


Overeenkomsten.
Nagarjuna en Spinoza hebben allebei radicale standpunten. Beiden weerleggen een onafhankelijke bestaan van dingen, maar benadrukken een onderling verbonden werkelijkheid. Geen dualiteit hier en geen ‘ego’.
 
Tegenstellingen.
Nagarjuna ontkent elke zelfstandige ‘substantie’, terwijl Spinoza stelt dat er één substantie (God) is, die in alles zit. Bij Nagarjuna geen onafhankelijke oorzaken en gevolgen. En volgens Spinoza komt alles voor uit enorme reeksen oorzaken, in gang gezet door God, de allesomvattende substantie, en alle dingen (modi) zijn daarvan afkomstig. Bij Nagarjuna leegte (van zelfbestaan), geen substantie bij wat dan ook.

En eigenlijk hebben beide heren een ander doel (of lijkt dat maar zo?). Nagarjuna wil verlossing uit lijden bereiken (voor ons allemaal), en Spinoza wil begrip van de werkelijkheid. Nagarjuna ziet kans op bevrijding door wijsheid (prajna), want die kan leiden tot het inzien van leegte. Spinoza vindt vrijheid in het besef dat de wereld (de natuur) noodzakelijk is.


Tja, de eventuele ‘waarheid’ zal wel ergens in het ‘midden’ liggen. Of niet natuurlijk. Iedere vorm van logisch of conceptueel denken is uiteindelijk onhoudbaar, zegt Nagarjuna toch zelf. Het zijn slechts hulpmiddelen om je gehechtheid los te laten. Volgens Sogyal Rinpoche lijkt de logische geest wel interessant, maar is het de kiem van verwarring en versluiering. Je kan zomaar geobsedeerd raken door je eigen theorieën, en volledig missen waar het om gaat. En bij een Tony Parsons moet je volstrekt niet proberen ‘het’ te begrijpen, want dan wordt het helemaal niks.

Desalniettemin, wordt vervolgd.

zondag 10 mei 2026

Taal

Nagarjuna 7

Vervolg van de vorige blogpost, waarin de voorzichtige conclusie getrokken werd dat vertaler Hoogcarspel’s substanties (in dit geval) hetzelfde zijn als Spinoza’s modi, waarvan zowel Nagarjuna als Spinoza lijken te beweren dat zij niet uit zichzelf bestaan. Maar bedoelen zij ook hetzelfde? Volgens Spinoza bestaat alleen God (Substantie), die eindeloos veel tijdelijke verschijningsvormen (modi) veroorzaakt, die allemaal van elkaar afhankelijk zijn.

Nagarjuna zegt dat alle dingen ontstaan in wederzijdse afhankelijkheid. En hij gaat nog veel verder, want volgens hem bestaan al die dingen eigenlijk niet eens. Hij toont aan dat die zogenaamde ‘zelfstandigheden’ (Hoogcarspel: ‘substanties’) onhoudbaar zijn. De dingen zijn duidelijk alleen maar wat ze zijn in onze ogen. Het is een kwestie van taal eigenlijk, en taal is geen afbeelding van de werkelijkheid, maar een benoemen ‘bij wijze van spreken’. Conventies, gewoonten, afspraken, de zogenaamde werkelijkheid is het speelveld van de taal, en daarom leeg van substantie/ zelfbestaan. Wat de taal noemt bestaat niet, maar is een inbeelding. Het belangrijkste obstakel voor inzicht is het geloof dat woorden naar op zich bestaande dingen verwijzen. (Zelfs de term ‘leegte’ is in sommige commentaren tot een nieuw soort substantie geworden!)
 

We moeten ons losmaken van de taal. Dat lijkt onmogelijk want er zijn altijd gedachten bijvoorbeeld, maar Nagarjuna verwijst naar momenten van diepe innerlijke vrede, waarin de dingen zijn opgehouden te bestaan. Maak de zaak eens wat transparanter door het lezen van (zijn) geschriften, denk er over na. Hopelijk leidt dat dan tot transcendente wijsheid: een totale omslag van jouw manier van denken, en waarbij je niet langer het spel van de wereld voor absoluut aanneemt. Uiterlijk zal er weinig veranderen, maar je ziet het als een spel en investeert niet meer. De begeerte naar zijn of niet zijn is weg, de illusie van de wereld, het idee dat je iets kunt gewinnen of verliezen is doorbroken. Meer esthetisch plezier, minder bezig zijn met nut en voordeel. Een heel andere manier van leven.

Wordt vervolgd.

 
 
bron:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

dinsdag 5 mei 2026

Modi

Nagarjuna 6

Vervolg van de vorige blogpost. Via Nagarjuna ben ik dus bij Spinoza terechtgekomen. Erik Hoogcarspel gebruikt in zijn vertaling van Nagarjuna’s Grondregels… regelmatig het woord ‘substantie’, maar op een andere manier dan Spinoza.

In de vorige blogpost zagen we dat er volgens Spinoza maar één (‘super’)substantie is, namelijk God. Die is oneindig, er kan dus geen andere substantie naast bestaan. Enkel God bestaat. En aangezien er maar één Substantie bestaat, is God de uiteindelijke oorzaak van alle bestaanswijzen. Alle dingen die niet zichzelf veroorzaken worden door God verklaard of veroorzaakt. Ze bestaan, zegt Spinoza, ‘in God’. Margot Brouwer geeft in haar boek een mooi rijtje voorbeelden: “planten, dieren, mensen, jijzelf, zon, maan, sterren, de natuurwetten en zelfs het universum”. En Jan Knol doet hetzelfde in zijn boek: “stenen, tijgers, kleuren, gassen, politiek, vakbonden en mensen en eindeloos zo voort”. Zoals we al zagen in de vorige blogpost worden al deze dingen modi genoemd.

De substantie, zegt Jan Knol, drukt zich via de attributen materie en geest uit in eindeloos veel modi (verschijningsvormen). Eindige, tijdelijke openbaringen van het eeuwige universum (God), waarin alles bestaat, verrijst en weer ondergaat. Wij beschouwen al die dingen als opzichzelfstaand, maar dat is dus fout. Zij zijn “in iets anders”, namelijk in de attributen van de ene substantie, en kunnen (en moeten) alleen van daaruit begrepen worden. Alles hangt van iets anders af, niets is zijn eigen oorzaak, of bestaat uit eigen kracht. Alles en iedereen is van elkaar afhankelijk. Modi hebben altijd hun oorzaak in iets wat op zijn beurt zijn oorzaak heeft in iets wat op zijn beurt ook weer zijn oorzaak heeft in iets en eindeloos zo voort. Maar uiteindelijk komt je dan uit bij God, de oorzaak die zonder oorzaak is, de oorzaak van alles. Alleen God is zijn eigen oorzaak en van niets afhankelijk om te kunnen bestaan en begrepen te kunnen worden.
 
 
Terug naar Nagarjuna en zijn Grondregels… en de inleiding door vertaler Erik Hoogcarspel.

Er is dus die nieuwe leer van de transcendente wijsheid, en Nagarjuna wil die filosofisch onderbouwen. Volgens hem breekt het inzicht door zodra iemand ophoudt overal substanties te zien, dat wil zeggen iemand ziet wel substanties maar is er tegelijk van doordrongen dat die er niet zijn. Om de zaken minder ingewikkeld te maken, houd ik hier even het woord substanties aan in de betekenis die Hoogcarspel (en “de filosofie”) er aan geeft, dus “iets dat uit zichzelf bestaat en dat zélf voor z’n kenmerken zorgt”. Ook Hoogcarspel komt met een paar voorbeelden: letters, spoorboekje, windkracht. Wij hebben net gezien dat Spinoza dit modi noemt, en dat ze niet uit zichzelf bestaan! Beweren Nagarjuna en Spinoza nu hetzelfde?

 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
  
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk 
 
Margot Brouwer
Sterrenstof zijn wij
Querido Facto, 2025

zaterdag 2 mei 2026

Supersubstantie

Nagarjuna 5

Vervolg van de vorige blogpost. Erik Hoogcarspel maakt zijn vertaling van en commentaar op Nagarjuna’s Grondregels… extra ingewikkeld door het woord substanties te gebruiken en daarbij op een onjuiste manier Spinoza te betrekken.

Substanties, zegt Hoogcarspel, zijn dingen met vaste eigenschappen. Hij noemt een stoel als voorbeeld. Terwijl Jan Knol, zo zagen wij, in zijn boek over Spinoza vermeldt dat er maar één substantie is, namelijk God.

En ook in het boek van Margot Brouwer lees ik dat er maar twee soorten dingen zijn:

1. substantie: iets wat door zichzelf wordt verklaard of veroorzaakt (alleen God).
2. modus (meervoud modi): iets wat door iets anders wordt verklaard of veroorzaakt. Alles en iedereen (inclusief wijzelf) heeft een oorzaak buiten zichzelf.

Spinoza definieert God als een absoluut oneindig wezen, dat wil zeggen een substantie die uit een oneindig aantal attributen* bestaat, die elk een eeuwige en oneindige essentie uitdrukken.

(*attribuut: een manier om de essentie van een substantie te ervaren of te interpreteren, voorbeelden: de fysieke werkelijkheid, het denken)

Hij stelt dat ‘elke substantie’
1.  eeuwig is
2.  oneindig is,

toont dit aan en komt dan aanzetten met het eventuele bestaan van een speciale substantie (Brouwer noemt dit even een ‘supersubstantie’) met een oneindig aantal attributen. Zou dat bestaan?, vraagt Spinoza zich af. En ja, al redenerend komt hij uiteindelijk met zijn godsbewijs. Dus “God, oftewel een substantie die uit een oneindig aantal attributen bestaat, die ieder een eeuwige en oneindige essentie uitdrukken, bestaat noodzakelijk.” noteert hij in zijn Ethica.

“Kort gezegd: wanneer je ervan uitgaat dat alles wat er bestaat een oorzaak of reden moet hebben, kom je met consequent doorredeneren uit op het bestaan van Spinoza’s God”, vat Brouwer de zaak samen, maar erkent hierbij de onvermijdelijke cirkelredenering. Spinoza’s verhaal komt eigenlijk hier op neer: “als alles wat bestaat een oorzaak heeft, dan moet er een eeuwig en oneindig ‘iets’ zijn dat zichzelf veroorzaakt, waar alle andere dingen logisch uit kunnen voortvloeien. En dit ‘iets’ noemt hij God.”


bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005 
 
Margot Brouwer
Sterrenstof zijn wij
Querido Facto, 2025