Posts tonen met het label ik. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ik. Alle posts tonen

dinsdag 8 september 2026

Uriël

Van Hans Stolp las ik (diagonaal) het boek Leven met Engelen. Theoloog en veelschrijver Stolp (1942) lijkt mij een beste man, maar ik vind dat hij meestal wel erg doorschiet met zijn Rudolf Steiner idolatie en esoterisch christendom. Dat lijkt ook nu weer het geval. Stolp en Steiner houden erg van overzichtelijke rangordes, hiërarchieën, tijdperken en stadia. En dan zit je goed met het onderwerp engelen, want daar zijn veel soorten van, zegt Stolp.

Toch lees ik nog iets interessants in het gedeelte dat handelt over de Aartsengelen. In het jaar 746 werd Uriël door de katholieke Kerk zomaar geschrapt als erkende Aartsengel, een onderwerp dat Stolp naar eigen zeggen "mateloos intrigeert". Volgens de schrijver vermeldt de bijbel dat er zeven Aartsengelen zijn. Maar slechts vier daarvan worden hier (of in de apocriefe geschriften) met de naam genoemd: Michaël, Rafaël, Gabriël en Uriël. 


Stolp legt uit dat Uriël ("Vlam Gods") verbonden is met vuur, hij ís het of symboliseert het. Maar vuur is ook een symbool van de (Heilige) Geest, denk aan de 'tongen als van vuur' op het Pinksterfeest. Vuur als het zichtbaar teken van de Geest. En zo is Uriël dus ook nog verbonden met de Heilige Geest. Stolp voegt daar aan toe: "ons hogere Ik, die goddelijke vonk of die geest in ons, is een stukje van die Heilige Geest en wordt door de Heilige Geest tot leven geroepen." Maar zowel de geest in ons, als Uriël, werden dus geschrapt door de kerkelijke traditie! Stolp kan er niet over uit: "Kennelijk moest alles wat aan de Geest herinnerde en wat de Geest symboliseerde het veld ruimen!" 

Hij vertelt hoe dat ging met Uriël. In 746 werd op het concilie van Rome besloten dat er maar drie Aartsengelen zijn, de andere namen die circuleerden waren niet echt en moesten gecanceld worden, inclusief Uriël. Hij verdween zowel uit het lijstje van zeven, als dat van vier Aartsengelen. Alleen Michaël, Gabriël en Rafaël bleven over. Maar, zoals dat gaat, de naam Uriël bleef hardnekkig op allerlei manieren doorwerken, in de schilderkunst bijvoorbeeld (iconen). Tegelijk met Uriël moest ook de geest zelf, waarvan hij het symbool was, het veld ruimen. Stolp legt uit hoe dat in zijn werk ging. Volgens de bijbelse traditie bestaat een mens uit een lichaam, een ziel en een geest. Paulus bedoelt met "ziel" ons "ego", en met "geest" bedoelt hij de "goddelijke vonk" in ons. Maar op het concilie in 869, dit keer in Constantinopel, werd bepaald dat een mens alleen maar bestaat uit een lichaam en een ziel. Dus de geest in de mens werd hier geschrapt, voortaan bestond die slechts uit een fysiek lichaam en een ego.

Exit Uriël en exit geest in de mens. Wat zit daar achter?, vraagt Stolp zich af. Wat is hier de bijzondere reden van? Er gebeurt immers niets voor niets op aarde. Stolp meent de verklaring gevonden te hebben, en komt dan met een typisch Steiner verhaal. In de tijd van die twee concilies was de mens nog maar net begonnen aan het ontwikkelen van het verstandelijk denken in zichzelf. Daar lag alle nadruk op. Het was de eeuw waarin de mensheid de kosmische intelligentie tot zich mocht gaan nemen, en omvormen tot menselijk denken en intelligentie. De innerlijke aandacht werd geleid naar het denken en niet naar de geest. Tegenwoordig zijn we alweer een stuk verder in onze menselijke ontwikkeling. Het is de tijd waarin we weer mogen beseffen dat wij eigenlijk geestelijke en goddelijke wezens zijn, ons bewustzijn komt tot volle ontplooiing. Het is belangrijk dat we ons weer bewust worden van het werk van Uriël en van de goddelijke geest in ons. Dat we niet alleen een lichaam (fysiek en etherisch) hebben, en een ziel (astraal lichaam of ego), maar dat we ook de geest (het hogere Ik) met ons meedragen.

Een interessant verhaal, en even dacht ik iets van een eenheidsgedachte te bespeuren. De goddelijke vonk in ons als een stukje van de (Heilige) Geest, en door de Heilige Geest tot leven geroepen. Maar uiteindelijk verzandt alles natuurlijk weer in dualiteit.

 
 
bron:
Hans Stolp
Leven met Engelen
Ankh-Hermes, 2008



vrijdag 10 januari 2025

Advaita en stereoscoop

bron afb: wikipedia

Neo-advaita
. Tot voor kort had ik daar nog nooit van gehoord. 
Het zou een relatief nieuwe religieuze beweging zijn, die benadrukt dat ego of ik of zelf of dualiteit niet bestaan. En dat allemaal zonder poespas vooraf. Hier geen voorbereiding of training, inzicht is voldoende.

Ik bespeur, wat mij betreft, wel enige affiniteit. Want, zo blijkt, minstens drie interessante schrijvers (Eckhart Tolle, Byron Katie en Tony Parsons) worden met neo-advaita geassocieerd. Of geclaimd misschien, dat weet ik niet precies, want rondkijkend op internet word ik niet per se blij van sommige vage en zelfbenoemd verlichte figuren die zich (ook) met de ‘nieuwe’ boodschap en praktijk bezighouden. Jammer ook dat alles weer in een bepaald hokje ingedeeld moet worden. Voor je het weet hoor je bij een bepaalde religie. Maar, als je het kaf van het koren weet te scheiden, is er gelukkig ook veel nuttige informatie te vinden.

Vanwaar mijn interesse in dualiteit? Dat heeft vooral te maken met de Bardo Thödol tekst. De overledene moet zo snel mogelijk beseffen dat dualiteit illusie is, op het sterfmoment kan hij opgaan in het Heldere Licht, de absolute eenheid.

Wat betreft neo-advaita zou er een relatie zijn met de advaita vedanta, maar die willen daar niets van weten. Het gebrek aan training en de verlichtingservaringen van hun ‘snelle versie’ worden als oppervlakkig gezien. Bij de boeddhisten hetzelfde verhaal. Is de verlichting van de neo-advaita hetzelfde als nirvana? Heeft het boeddhisme meer in de aanbieding? Of is bevrijding makkelijk bereikbaar via alternatieven? Volgens Tony Parsons is er niets te bereiken, de werkelijkheid is eenvoudig en direct. Op een gegeven moment kan het kwartje zomaar vallen. Instant-verlichting.

Ik moest ineens denken aan de stereoscoop. Jaren geleden had ik een boek waarin oude stereofoto’s waren afgedrukt. Met het bijgeleverde brilletje, ‘de stereoscoop’, zou diepte bereikt kunnen worden. Er was wel een bepaalde ontspannen manier van kijken vereist, maar de voor elk oog afzonderlijke afbeeldingen zouden ineens samensmelten. Prachtig en levensecht zou het zijn, je moest het alleen even doorhebben en sommige mensen konden het zelfs zonder stereokijker af. Mij is het nooit gelukt, het bleven gewoon twéé foto’s.

donderdag 25 juli 2024

Leven in een simulatie

De oorsprong van alle verschijnselen is je geest.
Als je niet goed op hem let snelt hij ervaringen achterna,
vindingrijk in de spelletjes van misleiding.
Als je er direct in kijkt, is hij vrij van enige basis of oorsprong,
In wezen vrij van enig komen, blijven of gaan.

                                        Jamyang Khyentse Chökyi Lodrö

 
Je verwarde geest als schepper van jouw ‘werkelijkheid’. Wij leven in een vergissing met zelf of ego, een door de geest verzonnen schijnwereld, of simulatie zo je wilt. Door SF films en allerlei complottheorieën is het tegenwoordig in bepaalde kringen hip om je publiekelijk af te vragen of we al dan niet in een simulatie zouden leven. Niet een gecreëerd door je eigen geest (stel je voor), maar door ‘anderen’. En ja dat zou zomaar kunnen, volgens Eric Schwitzgebel, filosoof te California. Hij schreef er een artikel* over in de New Scientist.

Vervolgens kwam er in de brievenrubriek** van dit tijdschrift een kleine discussie op gang.  Lawrence Ryan uit Wilsonville, Oregon (US) schreef: “When I taught undergraduates the scientific method , parsimony was a key element. I find this lacking in the suggestions that we may live in a simulation. Two scenarios (among perhaps more): our lives are the result of material evolution that gives us the consciousness and intelligence to one day program such a simulation, or another species has already materially evolved these traits to create the program that we live within. The latter is possible, but seems an unnecessary complication, as the former is sufficient to explain our existence. And how much information would be required to simulate the lives, and inner lives of more than 8 billion people? Will computer power continue to grow sufficiently to allow our simulators to generate us? Now, that is a philosophy student’s PhD thesis: what is te information load of a human simulation?

Waarop Bernd-Juergen Fischer uit Berlijn (Duitsland) reageerde met: “Your reader Lawrence Ryan is worried that the concept that our reality is a simulation is lacking in parsimony and asks: “How much information would be required to simulate the lives, and inner lives, of more than 8 billion people?” But the simulation doesn’t need to do any such thing. It only needs to simulate an “I” that believes that there are 8 billion people in the world. And for meeting one of the 8 billion, only the belief that the simulated “I” encounters some “other” with the relevant qualities needs to be simulated within the simulated “I”. The same goes for the rest of the universe: only what an “I” might know needs to be simulated. It seems to me that such a siulation would be highly parsimonious compared with the exuberance of what we take for reality.

En John Bell uit Berkhamsted, Hertfordshire (UK) viel hem bij met: “Bernd-Juergen Fischer rightly points out that a simulation of the universe would only need to take account of the inner world of the subjective “I” and whomever and whatever they interact with. Taking that concept further, most of the universe would need only be stored as a vague set of probabilities, which would only have to be set in Stone as subjective reality when te “I” observes something. Wait a minute, that sounds familiair!”

 

*Eric Schwitzgebel
  Strange but true?
  New Scientist, 23 maart 2024

**New Scientist
   Views; Your letters
   11 mei, 1 en 29 juni 2024

zaterdag 4 november 2023

Ego, geest en zelf

In het uitgebreide commentaar (1935) van C.G. Jung op het Tibetaans Dodenboek, kwam ik een citaat tegen van zijn collega Sigmund Freud, die ooit als eerste opgemerkt zou hebben dat ‘het ego de ware locatie van de angst is’. Diezelfde week las ik ergens een quote van de Indiase meester Shantideva (8e eeuw): ‘Alle leed en angst komen voort uit de geest, en het grijpen naar een zelf.’

Ego, geest, zelf? Bedoelen de heren hier nu precies hetzelfde?

Freud bracht met zijn opmerking ‘een ware en diep intuïtieve overtuiging onder woorden’, vond Jung, want ‘diep in elk ego schuilt de angst voor het zelfoffer’. De onbewuste krachten willen zich juist volledig uiten. Iedereen die streeft naar zelfverwerkelijking (individuatie) krijgt onherroepelijk met deze angst te maken, want bij het ‘totale zelf’ hoort natuurlijk ook datgene waar je bang voor bent, en waarvan je misschien dacht verlost te zijn.

De term ego heeft Freud bedacht (het woord komt uit het Latijn en betekent ‘ik’). De menselijke psyche werd door hem verdeeld in drie verschillende bewustzijnsniveaus: ego, id en superego. Het ego is het rationele en praktische deel van onze persoonlijkheid en werkt gedeeltelijk bewust en deels onbewust. Het is wat je denkt over jezelf, je zelfbeeld. Id is dan het primitieve dierlijke instinct, diep in het onderbewuste.

 
In het Tibetaans boeddhisme is ego een ander verhaal. In een vorige blogpost beschrijft Chögyam Trungpa de ontwikkeling van de vijf skandha’s, de vijf ‘aggregaten’. Het zijn de basiselementen van onze ervaring: vorm, gevoel, perceptie, mentale formaties en bewustzijn. Het is maar een verzameling neigingen, maar onze verwarde geest ziet zichzelf als een vast en blijvend iets. Hij gelooft in een zelf of ego. En zo leven wij in een vergissing en zien niet wat we werkelijk zijn. Op het cruciale sterfmoment herkennen wij (daardoor) het Heldere Licht niet, en worden leven na leven (door de geest) in een web van onwetendheid gevangen gehouden. De geest is de schepper van onze werkelijkheid.

Twee versies ego, twee keer zelfbedrog. Niets is wat het lijkt. Je houdt vast, je houdt af, je hebt angst.

De christelijke traditie zet daar iets definitiefs naast: de onsterfelijke ziel. Opgaan in hemelse eenheid bij, met, naast God, is hier het hoogst haalbare. Het boeddhisme doet niet aan ziel. Het bewustzijn (de geest) kan op het sterfmoment volledig samensmelten met het Heldere Licht, de Eenheid (God, zo je wilt). Maar als dit niet lukt, ga je door naar een volgende incarnatie. Er is continuïteit. De gewone neigingen komen dan weer op, in de vorm van gedachten en emoties en hun projecties. In de bardo van dharmata ontvouwen zich de indrukken van de vijf innerlijke elementen. Afhankelijk van je beleving, ervaar je deze beelden en figuren als angstaanjagende bardokrachten, óf als overweldigende energieën van verlichting.

 
 
Voornaamste inspiratie:
Psychologisch commentaar door Carl Gustav Jung
Het Tibetaanse Dodenboek
Walter Evans-Wentz
Ankh Hermes, 2017
 
Sogyal Rinpoche
Dagend inzicht
Servire, 1995

zondag 13 juni 2021

Sterven volgens Steiner

Hans Stolp (1942) is theoloog en schrijver. Ik las zijn boek met de intrigerende titel Wat gebeurt er als je doodgaat? Volgens Stolp is de dood niet het einde, maar een overgang naar een hogere wereld, een leven in een hoger bewustzijn. Zijn uitgangspunt is, dat de vraag van de titel ruimschoots beantwoord wordt door alles wat Rudolf Steiner over dit onderwerp beweerd heeft. 

Rudolf Steiner (1861-1925) was een Oostenrijkse esotericus, in Nederland misschien vooral ‘bekend’ vanwege de Vrije scholen. Steiner was ooit een kopstuk van de Theosofische Vereniging, maar na onenigheid binnen het bestuur ging hij in 1912 verder met zijn eigen (antroposofische) beweging. Steiners missie was: laten zien dat er een geestelijke wereld is, die ook doorwerkt in de mens en in de materiële wereld. 


In de eerste drie eeuwen van het christendom was er nog duidelijk inzicht over de geestelijke werelden na de dood. Helaas veranderde dit na een splitsing in twee groepen christelijke stromingen: 1. de bouwers van het instituut (de kerk), en 2. spirituele christenen bij wie eigen autoriteit en innerlijk weten een rol spelen. Het esoterisch christendom van groep 2 is bijna vernietigd door groep 1, maar verborgen verder gegaan en uiteindelijk door Rudolf Steiner opnieuw aan het licht gebracht, op een nieuwe manier. Aldus Stolp.

In het verhaal van Stolp/Steiner legt de overledene aan de overkant een schier eindeloos traject af, waarin hij door een voortdurende transformatie heengaat. Hij moet van alles leren, erkennen, verwerken en verbeteren. Het kan nuttig zijn om je daar nu, tijdens leven, al op voor te bereiden en bewust te worden van die hogere wereld. Want hoe groter je inzicht, hoe meer je daar zult zien.

Niemand gaat alleen door de poort van de dood. De stervende wordt begeleid door engelen en gestorven geliefden, maar hij kan ze alleen zien als hij genoeg liefdeskracht heeft opgebouwd. Er is sprake van diepe vreugde en een bijzonder lichtwezen (eventueel Jezus Christus), dat liefde uitstraalt. Het is een ervaring als thuiskomen. Dit kennen we ook uit verslagen van bijna-doodervaringen.

De stervende voelt hoe zijn geestelijke lichamen (het etherische en astrale) zich losmaken van zijn fysieke lichaam. Een mens heeft drie lichamen: 1. fysiek, 2. etherisch (energielichaam, prana, om en door het fysiek lichaam), 3. astraal (de basis van de drager van ons bewustzijn: de ziel). Dit astraal lichaam vormt een twee-eenheid met de ziel, het overlapt en omhult in een schitterende kleurenpracht. Hierin leeft het Ik, dat uit twee delen bestaat: 1. het lagere ik (ego), en 2. het hogere Ik. Hier doorheen werkt de geest, waarbij het hogere Ik en de geest nauw verbonden zijn. Ook zij vormen een twee-eenheid.

Op het sterfmoment verlaten het etherisch en astraal lichaam het fysiek lichaam via de kruinchakra, maar zij blijven via een zilveren koord met het fysiek lichaam verbonden. Zolang het koord heel blijft, is terugkeer mogelijk. Dit is een bekend gegeven bij bijna-doodervaringen. Als deze ‘navelstreng’ verbroken wordt, treedt de dood definitief in.

In een volgende blogpost meer over de etherische wereld volgens Steiner.

 

Voornaamste bron:
Hans Stolp 
Wat gebeurt er als je doodgaat? 
AnkhHermes 2021, 10e druk

maandag 28 januari 2019

Jivatman

In een vorige blogpost had ik het over Aristoteles. Hij was van mening dat de ziel het lichaam vormgeeft en realiseert, en niet andersom. Een interessant uitgangspunt dat je bijvoorbeeld ook tegenkomt in het hindoeïsme. De Belgische yogaleraar André Van Lysebeth (1919-2004) legt het heel mooi en helder uit in zijn boek Pranayama; De dynamiek der ademhaling. Van deze uitleg geef ik hieronder een korte samenvatting met de punten die voor dit blog van belang zijn. Ik hoop dat ik het ingewikkelde onderwerp en het verhaal van Van Lysebeth hiermee niet te kort doe.

In het hindoeïsme is de mens niet een lichaam en een ziel, het is een ziel die uit zichzelf een lichaam heeft gemaakt. De ziel zit vast in de eeuwige rondgang van achtereenvolgende geboorten en dood en herneemt telkens weer het contact met de materie, als haar lichamelijke instrumenten in de dood zijn opgelost. Deze Indiase gedachtegang stelt zich tegenover het westerse wetenschappelijke denken. Volgens de Indiase yogi’s en denkers zijn de hersenen bijvoorbeeld alleen maar het instrument voor ons zielenleven en bevinden deze zich in ons mentale lichaam en niet omgekeerd.

Volgens denkers en wijzen van India bestaat de mens uit lagen, van de allersubtielste staat van zijn, tot aan de manifestatie van de grootste dichtheid: het zichtbare lichaam. Elke laag heet een kosha. De mens wordt beschouwd als een ondeelbaar en onontbindbaar geheel, er is geen scheiding tussen de diverse kosha’s.

Waar ligt de oorsprong? De dichtere lagen hebben hun oorsprong in de aller-subtielste lagen, welke causaal zijn ten opzichte van de dichtere lagen. Onze causale zaal, onze diepst gelegen kosha, de oorsprong, oorzaak van alle andere lagen is Anandamaya Kosha. Deze wordt gekenmerkt door de absolute gelukzaligheid (ananda) die Jivatman als een aureool omgeeft.

Jivatman is de individuele ziel, onze essentie zelf. Het is het Zelf van de mens. De in-wezenlijke Getuige en Bouwheer, verborgen door alle andere lagen, in het diepst van ons wezen. Zijn aard is het zuiver, louter bewustzijn. Anandamaya Kosha is buiten tijd ruimte. Jivatman bevindt zich buiten het gebeuren en de paren van tegenstellingen, de dualiteit.

In zijn dynamisch materieel proces schept Jivatman, de individuele ziel, zich eerst een individueel middelpunt en ondergaat het een eerste verdichting (densificatie): Vijnanamaya Kosha. Deze kosha omhult het begrip ahamkara (het ik-besef). Het is het zelf (met kleine letter) van de moderne psychologie. Het is dit geheimzinnig vermogen dat me bewust doet worden dat ‘ik’ een individu ben, een middelpunt van bewustzijn, afgescheiden van de anderen. Het is het begrip van de individualisatie.

Het ‘ik’ is het middelpunt waar alles om draait, waar alle ervaringen van het leven betrekking op hebben, zoals de spaken van een wiel draaien om hun as. Om deze spil vormen zich vervolgens de diverse kosha’s, die elkaar ook wederkerig doordringen. De diverse kosha’s zijn evenzoveel ‘gebieden van bewustzijn’ van de mens. Ze bewegen zich dooreen, ze stapelen zich op elkaar, ze werken onderling op elkaar in, maar zonder zich met elkaar te vermengen.

Eerst de achtereenvolgende subtiele lagen en dan uiteindelijk de dichtste laag van de mens: Annamaya Kosha. Deze kosha is inert, grondstoffelijk en dicht. Het is het instrument van handeling en manifestatie van de hogere lagen. Annamaya Kosha is de enige kosha waarin alle andere kosha’s elkaar ontmoeten. Zonder dit stoffelijk lichaam zou de manifestatie van de mens op het aardse vlak onmogelijk zijn. Het is doordrongen, doordrenkt door het zielenleven waarvan het de expressie is.

Het doel van yoga is Annamaya Kosha zo volmaakt mogelijk te maken en te vergeestelijken.


André Van Lysebeth

bron en citaten:

Pranayama; De dynamiek der ademhaling
André Van Lysebeth
Ankh-Hermes, 1973