Posts tonen met het label mythe. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mythe. Alle posts tonen

woensdag 5 augustus 2026

Kaware


Dit ceremoniële masker, afkomstig uit Papoea, kun je bekijken in het Wereldmuseum (voorheen Volkenkunde) in Leiden.
 
 
Het Kaware masker wordt gebruikt bij een ritueel (mannen)feest van de Kamora-Papoea’s, waarmee het leven na de dood wordt gevierd. Er wordt heel uitbundig mee gedanst als een soort eerbetoon, waarbij het masker de geest van de dode ‘bedekt’. Door de dans en het respect (waarvan de overledene geniet), kunnen de geesten rustig vertrekken naar de geestenwereld ver weg in de bergen.

Deze ceremonie benadrukt de rol van mannen in het onderhouden van de relatie met geesten en bovennatuurlijke wezens. Behalve maskers wordt er ook gebruik gemaakt van prauwen, peddels en traditionele houten gedenkpalen (mbitoro) met rituele houtsnijkunst.  Deze voorouderpalen worden tijdens het kaware-ritueel opgericht om de overdracht van levenskracht en vruchtbaarheid van de voorouders naar de levende gemeenschap te symboliseren. De palen belichamen de geesten van recent overleden stamleden en mythologische helden. Hierbij staat het mythische verhaal van Mamirima en zijn dood en wederopstanding centraal.

Mamirima raakt door een conflict te water, verdrinkt in zee en zijn lichaam spoelt aan op een eiland bij de monding van een rivier. Een zwerm vogels pikt en raakt de levensaders en ledematen van zijn lijk aan, waardoor hij symbool voor symbool en bot voor bot weer tot leven wordt gewekt. Tijdens de rituelen wordt de wederopstanding van Mamirima nagebootst door deelnemers die elkaars vitale punten (zoals knieën, ellebogen en het hoofd) aanraken om levenskracht over te dragen.

Het masker is gemaakt van onder andere rotan, bast, veren en gevlochten plantvezels.
 

bronnen: 
Wereldmuseum Leiden 

diversen internet

woensdag 22 juli 2026

Creëren van Realiteit

Liquid Days (3 van 4)

(vervolg van vorige blogpost)

QBism lijkt op enactivism. Deze revolutionaire filosofie van de geest stelt dat levende wezens (mensen, maar ook walvissen, planten of bacteriën) enorm verstrengeld zijn met de werelden die ze waarnemen. Voor een enactivist zijn er geen reeds bestaande omgevingen aan de ene kant, of op zichzelf staande organismen aan de andere kant, maar komen beide op uit het dynamische proces van waarneming en gewaarwording zélf.

De “innerlijke werkmodellen” (predictive coding) worden hier meer beschouwd als een soort handleiding voor het ondernemen van actie. En onze waarnemingen zijn geen voorstellingen of hallucinaties, maar onlosmakelijk verbonden met de realiteit zelf. En dat geldt voor de percepties van alle levende wezens. Een enactivistische filosoof beschreef het bestaan als “een steeds veranderend moment van de schepping”, waarin wij allemaal zowel onszelf als onze werelden vorm geven.

Zowel QBism als enactivism beloven een levende open kosmos, gebaseerd op vrijheid en vernieuwing. Maar, als er dus geen solide landschap ‘daarbuiten’ is, wat verbindt dan alle perspectieven? Want dit lijkt toch op ‘leven in je eigen bubble’, met de realiteit allemaal in onze hoofden? Nee, zegt QBism, niets is in steen gebeiteld (zelfs niet het zogenaamde ‘verleden’) totdat je een actie kiest.

Maar, één ding geldt voor iedereen: kwantum waarschijnlijkheden zijn allemaal met elkaar verbonden en absoluut niet ‘freewheeling’. Als je de ene overtuiging een duwtje geeft, dan moet je een andere ergens anders aanpassen. De details liggen voor het grijpen, maar er zijn wel beperkende grenzen voor de onderliggende structuur van wat je kunt ervaren. (Ook al kunnen we onszelf niet uit ‘het plaatje’ weglaten.) Dit is ook de reden dat Fuchs (team QBism) krachtig ontkent dat ‘de realiteit allemaal in onze hoofden (minds) zit’. Alles wat op welk willekeurig moment dan ook bestaat, omvat niet alleen de in elkaar grijpende overtuigingen en vooruitzichten, maar ook het statistische kader dat ze allemaal met elkaar verbindt. Dit pluriversum is een heel ander soort ‘uitwendige realiteit’, want het bestaat uit andere perspectieven waar we alleen maar (toevallig) tegenop kunnen lopen.

We kunnen elkaar beïnvloeden, of verrast of gedwarsboomd worden door gebeurtenissen, maar we kunnen de waarneming van iemand anders nooit echt begrijpen, of hen dwingen om dingen op een bepaalde manier te zien, of zeker weten wat ze straks zullen gaan doen. Mensen ervaren letterlijk verschillende werelden, zeggen de enactivisten, maar we kunnen wel delen. We banen ons allemaal een eigen pad binnen een evoluerend ‘netwerk’ van mogelijkheden, maar als we samenwerken en communiceren kunnen we onze perspectieven dichterbij elkaar brengen. En door dit proces kunnen we gedeelde realiteit opbouwen, bijvoorbeeld culturele mythen en verhalen, of de wereld van de fysica.

Volgens de enactivisten zijn mensen niet de enige levende wezens die zich bezig houden met voorspellen en handelen en het vormgeven van hun eigen werelden. Ook walvissen, planten, bacteriën en alle andere levensvormen nemen deel aan het creëren van realiteit. Onderzoekers hebben ontdekt dat zelfs eenvoudige netwerken van biomoleculen een zekere mate van keuzevrijheid lijken te vertonen, die naar hun eigen doelen streven. Fuchs zegt dat hij zijn onderzoek gaat uitbreiden en daar niet alleen menselijke metingen bij wil betrekken, om op die manier beter te begrijpen wat het voor onze ervaringen betekent om een deeltje van ‘de wereld’ te vormen (en te zijn).

Wordt vervolgd. 

 
 
bron:
Jo Marchant
New Scientist
21 maart 2026

woensdag 18 maart 2026

Mulamadhyamakakarikah


Nagarjuna 1

Zoals gezegd ben ik begonnen met het herlezen van Nagarjuna’s Grondregels van de filosofie van het midden, vertaald en uitgelegd door Erik Hoogcarspel. Ik ben netjes begonnen bij de inleiding. Voor deze blogpost heb ik ook gebruik gemaakt van een interview in Filosofie Magazine met een andere, meer recente vertaler van dit werk: Michiel Leezenberg. In 2024 verscheen zijn versie onder de titel Basisverzen van het middenpad. Het lijkt me leuk en leerzaam om ooit beide vertalingen eens te vergelijken, zoals ik dat eerder ook wel met het Tibetaans Dodenboek  heb gedaan.

In zijn inleiding geeft Hoogcarspel aan dat er veel mythen in omloop zijn over het leven van Nagarjuna, meestal Tibetaans. Aan alles zit een sterk verhaal vast, leeftijd, naam, geboorte. Er is eigenlijk niets met zekerheid bekend. Algemeen wordt aangenomen dat Nagarjuna ergens in het midden van de tweede eeuw geboren is in Zuid-India. Zijn vader zou een rijke brahmaan zijn geweest.

Volgens sommige biografieën heeft Nagarjuna zich met tovenarij bezig gehouden, voordat hij zich overgaf aan boeddhistische studie. Hij heeft veel gereisd en geschreven, en geldt als de belangrijkste filosoof van de Indiase boeddhistische traditie. De Mulamadhyamakakarikah (Grondregels van..) is Nagarjuna’s bekendste werk. Deze tekst bestaat uit 27 hoofdstukken van 6 tot 40 verzen (karika’s) van 4 regels, waarbij overpeinzing ervan zou helpen bij het ontdekken van ‘de’ leegte. De stellingen zijn soms raadselachtig en worden nauwelijks uitgelegd. Het zijn werktuigen om nieuw inzicht te bereiken, meer niet, na gebruik gooi je deze ‘ladder’ ook weg.

Nagarjuna probeert mensen te bevrijden van hun gebruikelijke manier van denken en begripsvorming. Die liggen op het vlak van de mentale voorstelling en zijn dus fantasie. Alle dingen die je ziet zijn eigenlijk illusies. Ze bestaan niet echt, maar zijn leeg. (En wijzelf?) Terwijl de werkelijkheid wordt ervaren, en juist daarom niet gedacht kan worden.

Nagarjuna’s  ideeën zijn behoorlijk radicaal en in de eerste instantie erg ingewikkeld. En waarom zou dat idee van leegte bevrijdend zijn? Omdat het verder gaat dan het traditionele boeddhisme? Je maakt je niet alleen los van de personen en de dingen om je heen (geen gehechtheid en begeerte, dus ook geen lijden meer bij verlies), maar ook van de begrippen waarmee je denkt (tijd, ruimte, causaliteit), want ook die bestaan niet echt. Het zijn slechts hulpmiddelen om je leven te kunnen leiden. Alles is leeg. Nagarjuna laat stapsgewijs zien dat élke vorm van logisch of conceptueel denken uiteindelijk onhoudbaar is. En dat geldt net zo goed voor het begrip ‘leegte’! Dat is ook maar een hulpmiddel om je gehechtheid los te laten.

Als je bevrijd bent van dogmatisch denken, in welke vorm ook (dus inclusief boeddhistische concepten), sta je open en los in het leven. Open voor de vrijheid van het ervaren. (Het menselijk verstand heeft sowieso zijn grenzen).

 
 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
 
Michiel Leezenberg
interview door Femke van Hout
Filosofie Magazine, 9 sept 2024

zaterdag 25 oktober 2025

Djinini, het eerste sterfgeval


In het boek Droomtijd, een verzameling mythen uit de ‘eindeloze scheppingstijd van de Aboriginals’, kwam ik het verhaal van de eerste dood tegen. Ik geef het hier kort weer.

Purukupali en zijn vrouw Bima zijn een gelukkig stel. Hun zoontje heet Djinini. Toch duikt Bima op een slechte dag (letterlijk) de bosjes in met een andere man. Het is Tjarapa die haar verleidt, en overhaalt om de slapende Djinini een poosje alleen te laten in de schaduw van een boom. Helaas vergeet Bima de tijd op deze snikhete dag, en als ze eindelijk bij haar kind terugkomt is de schaduw allang verschoven en ligt Djinini dood in de brandende zon.

Purukupali is ontroostbaar en woedend. Hij slaat Bima met zijn boemerang en zij vlucht het bos in. Tjarapa heeft grote spijt en smeekt Purukupali om het lijk van Djinini, zodat hij hem weer tot leven kan wekken in drie dagen. Maar het komt tot een tweegevecht, een lange bittere strijd. Ze brengen elkaar diepe wonden toe, en vallen uitgeput en zwaargewond neer.

Purukupali staat op en neemt zijn dode zoontje in zijn armen. Hij loopt achteruit het water in en roept dat vanaf dat moment alle levende wezens op aarde hetzelfde lot als zijn zoon te wachten staat: sterven. Vader en zoon verzinken in het water en er ontstaat een reusachtige draaikolk. Die is er nog steeds op die plek.

Tjarapa stijgt omhoog aan de hemel en verandert zich in de maan. Zijn wonden, veroorzaakt door Purukupali, kun je nog zien. Maar ook Tjarapa ontkomt niet aan de dood. Telkens opnieuw sterft hij, maar maakt zich na drie dagen altijd weer levend en begint zijn reis langs de hemel van voren af aan. De ontrouwe Bima verandert zich in een wulp, die met een luide treurige roep elke nacht opnieuw het leed uitdraagt dat zij voelt om de dood van haar kind en om het ongeluk dat zij met haar gedrag over de wereld heeft gebracht.

Interessant in dit verhaal vind ik het eventueel tot leven wekken in drie dagen. Verder het gegeven dat de dood (indirect) veroorzaakt is door lust, overspel en lichamelijke activiteiten. En vooral het feit dat toch ook in deze jager/ verzamelaar cultuur de vrouw de schuld krijgt van een groot onheil dat (onder andere) de hele mensheid treft.

 
 
bron:
Droomtijd
Uitgeverij Elmar, 2004

woensdag 17 april 2024

De bijna-doodervaring als valstrik

Bioloog Arjen Mulder heeft grote achterdocht wat betreft de bijna-doodervaring (BDE). Het zou namelijk “de val kunnen zijn die de dood voor ons opstelt om ons het leven afhandig te maken en onze ziel uit ons lichaam te trekken”, schrijft hij in zijn boek Wat is leven? (2014). Een interessante gedachte, die je niet vaak hoort.
 
 
Mulder (1955) neemt de verzamelde verhalen over BDE’s niet erg serieus: “een hele mythologie op de grens van nog-levend en al-dood”. Hij somt de bekende elementen van die wonderlijke ervaringen nog eens op. Omlaag kijken naar het eigen lichaam, tunnel en licht, gevoelens van diepe rust en vrede, totale aanvaarding en ontmoetingen met gestorven dierbaren of onbekenden. Het prachtig gekleurde licht en een liefdevol lichtwezen met een fundamentele vraag. Het overzien van het eigen leven en een waardeoordeel, ben je al goed genoeg om te sterven? Dan een hinderlijke barrière tussen dit en een volgend bestaan, en terug weer naar het aardse leven, met vergeefs verzet daartegen. De boodschap dat men helaas terug zal moeten, wordt vaak overgebracht door de verloren dierbaren. Zonder uitleg waarom, als een soort bevel. En dan verder moeten leven met tegenzin, voorgoed veranderd door de ervaring van vreugde, liefde en vrede aan gene zijde. Grote woorden als ‘universele liefde’, ‘goddelijk’, ‘alomvattend licht’, ‘eenheid met al het bestaande’.

Er is de wetenschappelijke ‘verklaring’ dat de BDE veroorzaakt wordt door zuurstofgebrek in de hersenen, maar daar hebben de bijna-doodmensen al helemaal niets aan. Als spirituele ervaringen gelijk opgaan met fysieke verschijnselen, zegt dat niets over aard en waarde ervan. Hun inzicht blijft: de dood is goed, het is beter daar. Maar waarom leven wij dan nog? Waarom hier verder ploeteren als de eenheid daar binnen handbereik ligt? De doodservaring van de teruggekeerden was zo indrukwekkend, dat ze er geen vraagtekens bij kunnen plaatsen. En precies dat is wat Mulder nog het meest verontrust. Want die bijna-doodmensen zijn heus geen onnozelaars, die ‘een bijeffect voor de hoofdzaak aanzien’ (zoals de wetenschappers beweren). Op de grens van leven en dood zijn ze bijna verleid en hadden geen verweer daartegen. Naïef gingen ze in op de invitatie om te sterven, maar werden door hun geliefden teruggestuurd.

Er is geen paranoïde BDE-variant bekend, en Mulder vindt dat raar. Die licht en liefde ervaring aan de overkant zou net zo goed een door de dood opgestelde val kunnen zijn, om ons het leven afhandig te maken en onze ziel uit het lichaam te trekken. En die strenge geliefden zijn dan je redders. In de dood en de aftakeling van een lichaam krijgt de natuur ineens weer de overhand. Daar helpt niets tegen, daar ga je dan. De natuur biedt ons eenheid en universele liefde, maar je moet wel eeuwig doodblijven.

Arjen Mulder noemt in dit verband de Engelse schrijver T.F. Powys (1875-1953). In zijn verhalen worden simpele dorpelingen soms aangesproken door ‘de natuur’, die ze tot zelfdoding probeert aan te zetten. Deze T.F. Powys heeft een vreemd, meewarig oeuvre geschreven. De mensen deugen niet, en de natuur deugt nog minder. Als je denkt bevrijding te vinden, verlies je juist alles wat je hebt. De dood is een list van de natuur om je je leven afhandig te maken, maar tegelijk de enige uitweg uit de misère. Mulder weet niet of Powys zijn lezers in de maling neemt of juist het ultieme inzicht deelachtig laat worden. Bij elke uitnodiging om dood te gaan moet je heel goed opletten. Het is verstandig een tijdje te wachten tot het overwaait, zoals Powys zelf soms weken achtereen deed. En Mulder voegt daar aan toe: “De BDE is geen bewijs dat het aan gene zijde pas echt prettig wordt, maar een teken dat je zo lang mogelijk uit die contreien weg moet blijven: ze schuwen er geen middel om je bij de lurven te grijpen. Ze slaan toe waar je het kwetsbaarst bent – de pijn of benauwdheid waarmee je kampt in je benarde situatie van drenkeling of zieke – en ze onderdrukken die ellende chemisch, waardoor je vrede en opluchting deelachtig wordt. Maar als het werkelijk zo schitterend is na de dood, heeft het geen zin dat wij hier nog leven. En wij zijn er nog steeds, en met steeds meer ook. Dat suggereert dat het leven bedoeld is voor iets anders dan doodgaan, dat er een ander einddoel is.”

Zoveel grimmigheid ben ik tot nu toe alleen nog bij Castaneda tegengekomen. Volgens de sjamaan Don Juan heeft de dood twee stadia. Eerst een oppervlakkige bezwijming met een ervaring van lichtheid, en gevoelens van geluk en compleetheid, alsof alles in de wereld tot rust is gekomen. Maar deze vage toestand verdwijnt al snel en je ontdekt dat je toch weer jezelf bent, waarna je nieuwe regionen binnentreedt, regionen van barsheid en macht. Dit tweede stadium is de werkelijke ontmoeting met de dood. Die barst nu op je los, uit volle macht en in kalme razernij, tot hij je leven in het niets oplost.

 
Arjen Mulder
Wat is leven?; Queeste van een bioloog
Arbeiderspers, 2014

vrijdag 7 juli 2023

Mahakala en yeti

In het tijdschrift Geographical van vorige maand stond een artikel over yeti. Er werd een beetje in het midden gelaten wat deze ‘verschrikkelijke sneeuwman’ zou kunnen zijn: een mysterieus wezen of een verzinsel van de verbeelding, een mythe, een geest of een mensaap? De schrijver van het artikel hield het op een enorme aap of beer. Dat is mogelijk, maar voor veel mensen die in de Himalaya of het Tibetaanse hoogland leven, is de yeti een zeldzaam maar echt wezen van vlees en botten, met bovennatuurlijke krachten die het mogelijk maken om zich onopgemerkt te verplaatsen of te verdwijnen. Verhalen over lange, harige aapachtige wezens, die rechtop lopen als een mens, gaan in de afgelegen delen van de Himalaya al heel lang rond. En zo kwam het idee van de yeti uiteindelijk ook in de boeddhistische mythologie terecht.

Er zouden drie verschillende soorten zijn, en heus niet allemaal gevaarlijk. Er zijn zelfs verhalen over yetis die belangrijke meesters geholpen hebben. Bijvoorbeeld Lama Sange Dorje, die 600 jaar geleden in Nepal leefde, veelal mediterend in afgelegen grotten. Er wordt gezegd dat een vriendelijke yeti hem voedsel en water bracht.

In een klooster bij Pangboche (Nepal) worden zijn overblijfselen bewaard.

Een mevrouw in een Nepalees bergdorp heeft een heel ander verhaal. Haar moeder werd lang geleden bruut aangevallen door een angstaanjagende yeti. Misschien heeft zij toen om Mahakala geroepen? Volgens de toelichting bij onderstaande foto, waarop hij wordt uitgebeeld door een gemaskerde danser, verjaagt deze godheid kwade geesten en demonen en wezens zoals de yeti.

In het Bardo Thödol is Mahakala een afschrikwekkende boeddhavorm die overledenen tijdens hun reis door de bardo’s beschermt. Een toornige beschermgod (niet te verwarren met yidam) en dharmapala, beschermer van de boeddhistische leer. Hij neemt obstakels voor je weg op het pad naar verlichting, maar wordt kennelijk ook ingeschakeld bij (min of meer) ‘fysieke’ dreigingen.

 
 
 
Voornaamste bron en foto’s:
Stuart Butler
Geographical, mei 2023

vrijdag 5 juli 2019

Bommel in de bardo

Marten Toonder: De Grote Onthaler

Let op: spoilers.

Het langste Bommelverhaal, De Grote Onthaler (1977), is tegelijk het meest interessante. Waarschijnlijk is er geen andere strip van Marten Toonder (1912-2005) die zoveel reacties, positief en negatief, heeft opgeleverd.

Heer Bommel en zijn jonge vriend Tom Poes maken een autotochtje in een afgelegen en vreugdeloze landstreek en raken zonder benzine. Terwijl Tom Poes op zoek gaat naar brandstof, komt Bommel via een vervallen en verlaten stationnetje in een soort hiernamaals terecht.

Heel amusant, maar ook met veel stof tot nadenken. Toonder is hier eens helemaal los gegaan. Het verhaal staat vol verwijzingen naar religie, filosofie en mythes. Veel (NRC)krantenlezers waren boos omdat ze van mening waren dat God belachelijk gemaakt werd, als een soort (sadistische) marionettenspeler die de levens van de machteloze mensen totaal manipuleert. Het schijnt dat Marten Toonder hier een beetje van geschrokken is. De boekversie van de krantenstrip ging vergezeld van een disclaimer en er werden wijzigingen in aangebracht (censuur!). Het verhaal zou geen aanklacht tegen het opperwezen zijn, maar een aanklacht tegen domheid van de gelovigen. Bij een speciale uitgave in 1982 werd het verhaal evenwel teruggecensureerd en kwam Toonder zelfs met nog meer religieus geladen termen en een verwijzing naar een vuilnishoop (Job!).



De meeste humorloze kritiek kwam uit de hoek van de monotheïstische godsdiensten, met name de protestante varianten. Dat is logisch, want juist daar valt het meest te herkennen. Alles gaat volgens het Plan van de onzichtbare Grote Onthaler, die alles bestuurt en uitstippelt. Niemand kent het waarom en doel, men loopt in raadsels rond. Volg vooral je eigen nietige gedachten niet. Deze oppermachtige (man) wordt geassisteerd door een stam Gorromieten, die een soort ‘bijbelse taal’ hanteren. Het is streng verboden de rol van de Grote Onthaler over te nemen (Bommel doet een poging) om zelf almachtig te worden. Dan wordt je neergestort in de onderwereld. Als uiteindelijk de nevels optrekken, ziet de menigte de Grote Onthaler. Dat is het einde, slechts chaos rest dan nog.

Voor de oplettende lezertjes staat het verhaal vol hints en clichés. Erg leuk is dat. Natuurlijk de treinreis (veel gebruikt in de literatuur) zonder retourtjes, een baan zonder einde en een conducteur met een doodskop. De horloges staan stil (buiten de tijd zijn) en Bommel vindt  het een ‘dooie boel’. De referenties naar het hiernamaals zijn vaak nogal traditioneel met (uiteraard) een tunnel, een tussenstation (‘Limbus’), een reisgeleider, een gevleugelde official, een wachtkamer met vele gemakken, een keuze uit een lange rij deuren, nevel en het geluid van ‘vele klaroenen’.


Voor liefhebbers van de klassieken lijkt het verhaal soms een mythe met een heldenreis. Er is een doel, een gigant, een soort onderwereld, een moeizaam pad, een doolhof met toren en natuurlijk de held die de Acht Monsters bevecht.



Maar je kunt er net zo goed de bardo in herkennen: lichtgevende nevels, verwarring, een doel, begeleiding, terugschrikken en weigeren, de verlichting die met ervaring komt, een donkere gang en verlangen naar warmte, rust en gastvrijheid, diepe afgronden, ongerustheid, angst, de wens om terug te keren, diepe slaap, maskers waar je doorheen moet zien, door haatgevoelens aan elkaar verbonden zijn, een opening met licht en het moeras (van samsara). Heel mooi gevonden is ‘de Strijd tegen de Acht Monsters’. Monsters (misstanden) die uit het binnenste voortkomen, vroeger of later moet iedereen ze bestrijden. Uiteindelijk blijken alle acht monsters slechts één.

Net als in het Bardo Thödol zijn de meeste in het verhaal genoemde zaken evengoed van toepassing op het dagelijks leven: de wonderlijke wegen van het lot, dat stilstand achteruitgang betekent, en gadegeslagen worden door een opperwezen. Grappig en leerzaam is ‘de dag van het moeras’, als er een trein vol Rommeldammers arriveert. De menigte raakt volgens Plan verzeild in het door de Grote Onthaler gecreëerde moeras, waar de modder snel stijgt. Eenlingen hebben hier een streepje voor. Alleen zij hebben hier een kans op een hogere plek om zodoende niet ten onder te gaan. Te zijner tijd mogen ze zelfs hun eigen deur kiezen.