donderdag 28 september 2023

De wereld van goden en geesten

Commentaar van C.G. Jung bij het Tibetaans Dodenboek  (4/5)
 
Vervolg van de vorige blogpost.
Omkeren in sidpa bardo kan niet, vanwege karma en risico’s. Jung geeft het toe. Ons doel is dus proberen het chöniyd bardo te begrijpen.

Dit is de bardo van dharmata, ‘de tussenstaat van de realiteit’. Een werkelijkheid van projecties uit de eigen verwarde gedachtenwereld. Hier wordt de overledene gekweld door gruwelvisioenen. Hij geeft zich over aan fantasie en verbeelding, niet geremd door de bewuste geest. De psychische restjes van het vorige leven vormen deze karmische illusie. En karma, daar heeft Jung niets mee. Een soort psychische erfelijkheidsleer uit ‘het Oosten’, gebaseerd op de hypothese van reïncarnatie. Onmogelijk te bewijzen, en wij (kennis en verstand) weten wel beter.

Vervolgens komt Jung met zijn archetypen van het collectieve onbewuste aanzetten, een bijzondere groep universele instellingen van de geest. 'Kenmerkende beelden', constructies van de fantasie, afgeleid van de meest transcendente emotionele momenten van de mensheid, en niet door familie of ras bepaald. Sommige ideeën zijn overal ter wereld hetzelfde, bijvoorbeeld ‘doden weten niet dat ze dood zijn’. Donald Lopez wijst erop dat Jung hier blijkbaar, in tegenstelling tot Evans-Wentz, geen historische beïnvloeding ziet tussen Griekse mysterie sekten en Aziatische yogi’s.


De chönyid toestand kun je vergelijken met een opzettelijk veroorzaakte psychose, waarschuwt Jung. En kijk ook maar uit met yoga, ‘met name de beruchte koendalini-yoga’. Dit punt maakt hij in bijna al zijn geschriften en commentaren over Azië. Vaak inclusief dezelfde culturele oost-west stereotypen, en dezelfde poging om "Oosters" bewustzijn te interpreteren in het licht van zijn theorie van het onbewuste. En ook nu weer probeert Jung Aziatische wijsheid in te lijven in zijn eigen psychologische theorie. Zelfverzekerd reduceert hij een complex religieus systeem, met een eigen lange traditie van exegese, naar zijn eigen psychologische systeem. Initiatie is psychoanalyse en “de wereld van goden en geesten is ‘alleen maar’ het collectief onbewuste binnen in mij”.

Volgende keer verder.


 

Voornaamste bronnen:
Psychologisch commentaar door Carl Gustav Jung
Het Tibetaanse Dodenboek
Walter Evans-Wentz
Ankh Hermes, 2017

Donald S. Lopez, Jr.
The Tibetan Book of the Dead; A Biography 
Princeton University Press, 2011

donderdag 21 september 2023

Ervaring in utero

Commentaar van C.G. Jung bij het Tibetaans Dodenboek  (3/5)
 
Vervolg van de vorige blogpost
We moeten het Bardo Thödol andersom lezen, vindt Jung. En Sidpa Bardo is al helemaal ontraadseld, met dank aan de freudiaanse psychoanalyse.
 
Tijdens het analytische proces wordt de ‘Europeaan’ ver teruggevoerd door dit specifiek freudiaanse gebied. Helaas zijn herinneringen aan het bestaan in de baarmoeder dan wel de uiterste grens, hier kwam de zaak tot stilstand. 
Ontzettend jammer vindt Jung dat. Waren de herinneringen in utero maar iets verder teruggevolgd. Dan zou sidpa bardo gepasseerd zijn, en waren we zomaar uitgekomen bij het laatste stukje chönyid bardo! En als er op die reis terug ook maar een glimp van een ervarend subject gevonden zou zijn, dan zou dat beslist geleid hebben tot een bewezen bestaan vóór de moederschoot, een bestaan in de bardo, en uiteindelijk een bewijs voor reïncarnatie. 
 
Maar helaas, de psychoanalytici zijn zelfs nooit verder gekomen dan vermoedens over ervaring in utero. Freud moest niets van metafysica hebben, hij was tegen het bestuderen van ‘occulte’ ideeën en het koppelen ervan aan de psychoanalyse. Jung daarentegen vond parapsychologie en paranormale verschijnselen juist wel belangrijk. (Niet dat hij zelf veel gedaan heeft om bijvoorbeeld reïncarnatie te bewijzen.)


Eigenlijk kan het niet eens, omkeren in sidpa bardo. ‘De straffe wind van het karma’ jaagt de overledene hier juist vooruit, richting moederschoot. Jung geeft het ronduit toe in zijn voorwoord: er is ‘een intens neerwaarts streven naar de dierlijke sfeer van het instinct en de lichamelijke wedergeboorte’, waardoor sidpa en chönyid gescheiden blijven. De oversteek zou bovendien een enorm riskante omkering zijn van het eigenlijke doel van de bewuste toestand. Ego is 'de ware locatie van de angst' (Freud), en hier zou de stabiliteit van het bewuste ego zomaar opgeofferd worden, overgeleverd aan de extreme onzekerheid van een chaotisch lijkend spel van fantastische figuren.

Laten we dus proberen het chöniyd bardo te begrijpen, zegt Jung, want dat is onze eigenlijke taak.

 



Voornaamste bronnen:
Psychologisch commentaar door Carl Gustav Jung
Het Tibetaanse Dodenboek
Walter Evans-Wentz
Ankh Hermes, 2017

Donald S. Lopez, Jr.
The Tibetan Book of the Dead; A Biography 
Princeton University Press, 2011

zondag 17 september 2023

Andersom

Commentaar van C.G. Jung bij het Tibetaans Dodenboek  (2/5)
 
Vervolg van vorige blogpost
In 1935 verscheen de eerste Duitstalige uitgave van het Tibetaans Dodenboek en C.G. Jung schreef er de uitvoerige inleiding voor. Hij was erg enthousiast.
 
Het lijkt er op dat Evans-Wentz met zijn Engelse vertaling de tekst van het Bardo Thödol ‘gebruikt’ heeft om bepaalde theosofische denkbeelden wat extra gezag te geven (volgens Lopez heeft hij hierbij speciaal naar overeenkomsten gezocht). En, o ironie, nu doet Jung hier, in zijn inleiding, in feite hetzelfde met Evans-Wentzs boek! Hij gebruikt de gelegenheid om vooral zijn eigen theorieën nog eens flink te onderstrepen (en terloops Sigmund Freud (1856-1939) af te kraken). Ooit werkten de heren samen aan de psychoanalyse, maar Jung vormde later zijn eigen stroming. Na allerlei persoonlijke en theoretische meningsverschillen ging ieder zijn eigen weg, en in 1913 kwam het tot een definitieve breuk.
 
 
Jung noemt het perspectief van het Bardo Thödol uiterst psychologisch. De Tibetaanse termen voor de stadia van dood en wedergeboorte neemt hij over (chikai bardo, chönyid bardo en sidpa bardo), maar hij raadt ‘de Westerling’ aan om de tekst in een andere volgorde te lezen, namelijk van achteren naar voren. Dus van wedergeboorte via de tussenstaat terug naar de dood. Begin niet met het belangrijkste, het hoogtepunt, want dat is ‘typisch Oosters’, maar zet dat juist aan het eind en werk er dan naar toe. Niet als een voorbereiding op reïncarnatie, maar als (christelijk) ‘initiatieproces’ gericht op de dood. De diverse godheden kunnen daarbij naar eigen goeddunken door christelijke symbolen vervangen worden.

Sidpa bardo (de laatste fase van het Bardo Thödol) heeft trouwens, vindt Jung, dankzij de psychoanalyse allang geen geheimen meer voor de westerse rationalistische geest. Het dwalende bewustzijn van de overledene valt er ten prooi aan seksuele fantasieën, wordt aangetrokken door de aanblik van copulerende paren, raakt gevangen in een moederschoot en komt weer op het aardse niveau ter wereld. En seksuele fantasieën, dat is nou precies het terrein van de freudiaanse psychoanalyse, ‘de analyse van het onbewuste’, het enige ‘initiatieproces’ dat in de westerse cultuur nog leeft. En mét een actieve rol voor het Oedipuscomplex.

Volgende keer verder.

 

Voornaamste bronnen:
Psychologisch commentaar door Carl Gustav Jung
Het Tibetaanse Dodenboek
Walter Evans-Wentz
Ankh Hermes, 2017
 
Donald S. Lopez, Jr.
The Tibetan Book of the Dead; A Biography 
Princeton University Press, 2011

woensdag 13 september 2023

Een vaste begeleider

Commentaar van C.G. Jung bij het Tibetaans Dodenboek  (1/5)

In 1927 publiceerde de Amerikaanse theosoof Walter Evans-Wentz ‘zijn’ Engelse vertaling van het Tibetaans Dodenboek, in 1935 verscheen daarvan (in Zwitserland) een uitgave in het Duits. De Zwitserse psychiater en psycholoog Carl Gustav Jung (1875-1961) schreef er een uitvoerige inleiding bij.

Jung had het eigenlijk helemaal niet zo op theosofen en antroposofen, zo blijkt soms uit zijn brieven. Hij kende er veel persoonlijk en hij las hun boeken ook wel, maar “heeft altijd tot zijn spijt ontdekt dat deze mensen zich van alles en nog wat verbeelden en allerlei dingen beweren waarvoor zij totaal incapabel zijn om enig bewijs te tonen”. Rudolf Steiner vond hij ‘waardeloos’, behalve dan misschien op christelijk en westers esoterisch terrein, daar werden veel gezichtspunten gedeeld. Ook was hij niet bepaald positief over Oosterse filosofieën in het algemeen, en yoga of de wet van karma in het bijzonder.

Maar toch, in zijn inleiding doet Jung erg enthousiast en hij stelt dat het Tibetaans Dodenboek (door hem consequent Bardo Thödol genoemd) al vanaf de eerste publicatie zijn ‘vaste begeleider’ is geweest, waaraan hij vele stimulerende ideeën en ontdekkingen te danken heeft, plus veel fundamentele inzichten. En daarom wil hij nu met zijn psychologisch commentaar ‘de fantastische wereld van ideeën en problemen die deze verhandeling behelst iets begrijpelijker maken voor de westerse geest.’

Jung roemt de toegankelijkheid van de tekst, niet alleen voor de Boeddhistisch ingewijde, maar ook voor de leek die zijn kennis van het leven wil verbreden. Evenwel blijft hij het boek een gids voor de gestorvene noemen (‘net als het Egyptisch Dodenboek’), met een door de vertaler passend gekozen titel. Iets als dit hebben we in het Westen helemaal niet, hoewel misschien een beetje bij de katholieke kerk. Maar echt complete instructies om de overledene te helpen, vind je eigenlijk alleen in het Bardo Thödol. En dan zo gedetailleerd en afgesteld, dat het lijkt of deze oude meesters zelf een blik hebben geworpen in de vierde dimensie, en de sluier van grote levensgeheimen even hebben kunnen oplichten.

 

 
 
Voornaamste bronnen:
Psychologisch commentaar door Carl Gustav Jung
Het Tibetaanse Dodenboek
Walter Evans-Wentz
Ankh Hermes, 2017

Donald S. Lopez, Jr.
The Tibetan Book of the Dead; A Biography 
Princeton University Press, 2011

woensdag 6 september 2023

Oratorium Tibetaans Dodenboek


In Zutphen wordt aan boeddhisme gedaan, Tibetaans en zen. Met enige jaloezie bekijk ik de activiteiten aldaar, zelf woon ik in een cultureel en spiritueel gat. Vorige maand nog werd er in de Zutphense Walburgiskerk een oratorium uitgevoerd, gebaseerd op het Tibetaans Dodenboek. Heel bijzonder. Wat jammer dat daar dan achteraf zo weinig aandacht aan besteed wordt, recensies heb ik tevergeefs gezocht. Er waren zo’n 500 bezoekers.

Het project Goed leven en goed sterven wordt gevormd door een compositie van Xiaoyong Chen (1955) en teksten van Sebo Ebbens. Het werd uitgevoerd door het Stadskoor Zutphen en Ensemble Cellowercken Zutphen, aangevuld met boventoonzang, percussie, orgel en contrabas. Net iets voor mij, wat betreft onderwerp en muziek. In 2023 had er al een aantal (deel)concerten plaats gevonden onder dezelfde naam, maar het concert van 26 augustus (de wereldpremière) was dus het slotconcert, een vierluik, waarin alles was opgenomen.

In het oratorium volgen vier bardo’s elkaar op. Chen wilde terug naar de essentie van het Dodenboek, zegt hij, terug naar de oorsprong, het universeel-menselijke. Na het meerdere keren lezen van de tekst, begint hij langzaam te begrijpen wat het volgens hem betekent. De oneindige kringloop. En dat het oosterse niet in tegenspraak is met het evangelische. Zijn muziekstuk gaat over leven en dood, licht en donker, en er is veel ruimte voor stiltes. De eeuwenoude Walburgiskerk vindt hij de ideale plek voor dit concert. Er is geen begin en er is geen einde, alles gaat altijd door.


 

voornaamste bronnen:
cellowercken zutphen
contactzutphen, augustus 2021