Posts tonen met het label oordeel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oordeel. Alle posts tonen

zondag 15 juni 2025

Een grote zaal met fluwelen gordijnen

De hemel van… Jan Siebelink

(De hemel van… Afl. 29)

Coen Verbraak had een interview met schrijver Jan Siebelink in de podcast Over Leven van 10 mei 2025. Siebelink (87) publiceert al sinds 1975, maar werd pas in 2005 bekend bij het grote publiek met Knielen op een bed violen, een boek over zijn jeugd in een streng gelovig gezin. Er werden maar liefst 800.000 exemplaren van verkocht.

Vorig jaar overleed zijn vrouw Gerda, de grote liefde met wie hij zestig jaar samen was. Nu moet hij alleen verder en dat valt hem zwaar. Er zijn oude vragen en angsten over God, liefde en dood. Jan rekent uit, als hij misschien nog drie jaar zou leven, zijn dat ongeveer duizend dagen alleen. Hoe komt hij ze door? Deze lente bijvoorbeeld, het gemis is enorm. Gerda was niet gelovig, maar mocht wel als enige zijn vader voorlezen op diens sterfbed. Misschien ook omdat ze een heel mooie vrouw was.

Jan vraagt zich af hoe het nu met haar gaat. Het omhulsel is verdwenen, maar wat gebeurt er met haar geest en haar ziel? Volgens Paulus wordt ons een onvergankelijk lichaam toegedacht, zijn vader las dat heel vaak voor. Maar hoe zou dat dan zijn? Zij is nog wel ergens, denkt Jan. Hij is nieuwsgierig, want binnenkort zal hij daar zelf bijkomen. En ziet hij Gerda dan terug? Hij hoopt vurig van wel. Waarschijnlijk zit zij met zijn vader ter rechter hand Gods. En hij ziet zichzelf die grote zaal met fluwelen gordijnen binnenlopen, hij wordt verwacht, hij mag doorlopen van God. Althans, dat hoopt hij. Dan is hij daar en ze wenken naar hem. Maar hoe het er dan verder aan toe zal gaan, dat heeft hij allemaal nog te bedenken.

Hij piekert wel over het moment van de overgang, hoe zal dat gaan? Een fractie van een moment ben je er wel én je bent er niet. Maar Jan is vooral bang voor het oordeel, wat misschien op hem wacht na zijn dood. Hij heeft wellicht teveel aan zichzelf gedacht, maar toch ook wel veel goede dingen gedaan. En al die mooie boeken die hij geschreven heeft, die zullen toch ook mensen getroost hebben. Je wordt ‘gewogen’, dat is hem bijgebracht, en hij hoopt maar dat de weegschaal redelijk in evenwicht is. Hoewel zijn maatstaven maar burgerlijk zijn natuurlijk, God is veel groter.

Jan had het geloof uit zijn jeugd afgezegd en literatuur kwam ervoor in de plaats. Maar toen hij Knielen schreef ging hij zich weer helemaal verdiepen in zijn vaders boeken. En ja, de angsten van het geloof blijven toch wel heel diep in je zitten. Hij is ook wel jaloers op zijn vader die een directe band met God had. Dat zou je redding kunnen zijn als er verlossing bestaat. Toch was zijn vader ook angstig op zijn sterfbed, bang voor het oordeel. God hield zich afzijdig. Jan hoopt in ieder geval dat hij zelf de genade ontvangt om te kunnen geloven.

Hij heeft altijd een mystieke band met zijn vader gehad, en voelt zich schuldig dat hij diens verhaal gebruikt heeft voor zijn bestseller. Hij heeft daar veel geld mee verdiend, terwijl het boek misschien niet eens een duidelijk beeld geeft van dat geloof, dat hij zelf eigenlijk ook niet helemaal snapt.

Jan geniet nog wel van het leven en wil het nog niet loslaten, juist omdat hij zo bang is om dood te gaan. Maar hij voelt dat de eindigheid nu ook voor hem naderbij komt, en daarom wil hij zijn tijd zo goed mogelijk besteden. Hij moet trachten God te vinden om zo misschien nog de zaligheid te beërven. En vooral geen tijd vermorsen met voetbal kijken (op zondag nota bene) of in de zon zitten. Een bijbels schuldgevoel zegt hem dat hij dat niet verdiend. Maar met zijn veertig boeken zal hij toch niet snel beschuldigd worden van ledigheid, daar aan die hemelpoort. Hij heeft zijn talenten gebruikt en niet onder de korenmaat gezet. Maar je mag niet opscheppen, je moet nederig zijn.

donderdag 24 oktober 2024

Karma to burn?


Veel religies moedigen hun gelovigen aan regelmatig ‘goede werken’ te verrichten om zodoende eventuele zonden uit het verleden enigszins of ruimschoots te compenseren. Dat zou dan heilzaam zijn voor de toekomstige positie in een hiernamaals of wellicht een volgend leven. Maar ook niet-gelovigen kunnen de neiging hebben om, misschien door schuldgevoel gedreven, hun goede en slechte daden wat in balans in te brengen. Je weet immers maar nooit.

Boeddha maakte ook gebruik van vrijgevigheid. In het eerste hoofdstuk van De Diamant Sutra gaat hij in de stad Shravasti van deur tot deur om voedsel te bedelen. Misschien ook wel om de bewoners de gelegenheid te geven tot een positief gebaar. Toch lees ik in dezelfde tekst dat dit allemaal maar betrekkelijk is, goedheid, goede daden, beloning. Je kunt oneindig veel meer verdienste verzamelen door onderricht te begrijpen en dat effectief aan anderen uit te leggen.

In De Sutra van Hui-neng worden aalmoezen en offers zelfs nutteloos genoemd. In de preek over de essentie van de geest komt Hui-neng met een, wat hier genoemd wordt, ‘vormloos gedicht’. Hij vindt het een belangrijk stukje tekst, dat vooral gereciteerd en gepraktiseerd moet worden omdat het onmiddellijk de waan en de zonden van kalpa’s (!) zou verdrijven. Verdiensten verzamelen is zinloos, zegt Hui-neng hier, alleen misleide mensen houden zich daar mee bezig. Zij denken het pad te bewandelen, maar doen dat dus niet. Zij verwachten dat op deze manier hun zonden vergeven zullen worden, maar weten niet dat het vergaren van goed karma niets te maken heeft met het verdrijven van zonden. Ze beseffen niet dat de uiteindelijke bron van zonde de drie giftige elementen zijn (begeerte, haat en begoocheling) die rondgaan in hun eigen geest. Dáár moeten we ons van ontdoen. We moeten ons afkeren van het kwade en oprechtheid beoefenen en beseffen wat écht berouw is, ch’an hui.

Ch’an verwijst naar berouw over zonden die gepleegd zijn in het verleden, onder invloed van begoocheling, onwetendheid, arrogantie, oneerlijkheid, afgunst, jaloezie en zo meer. Dat kunnen we dan achter ons laten. Hui is het deel van berouw dat verwijst naar ons toekomstig gedrag. Het is geen berouw ‘vooraf’, maar een kwestie van voorkomen. We moeten plechtig beloven in de toekomst alle slechte daden achterwege te laten en nooit meer te zondigen. ‘Gewone mensen’ beseffen dit niet, ze plegen al weer nieuwe zonden voordat de oude vergeven zijn. Dat kan nooit berouw zijn natuurlijk, vindt Hui-neng.

Berouw hebben en nieuwe zonden vermijden zou het (vrijblijvend) uitdelen van aalmoezen niet in de weg hoeven staan, denk ik dan, maar dat laat Hui-neng hier verder in het midden.

Goede werken verrichten en flink doneren (aan de Kerk) heeft ook een belangrijke plaats in de Rooms-katholieke geloofsleer. De beloning volgt dan in het hiernamaals, met een korter verblijf in het vagevuur. Voordat je deel kan nemen aan de hemelse zaligheid namelijk, moet je eerst gezuiverd worden van nog niet voldane schuld. Die zondeschuld wordt afbetaald door verblijf in het vagevuur. Protestanten zien dat weer anders. Leven in het hiernamaals wordt door God uit genade geschonken op basis van geloof van de mens. Zondeschuld wordt uit genade vergeven en niet door het verrichten van goede werken.

En wat staat er in het Bardo Thödol? Er is sprake van een oordeel in de bardo van wording, ook al doe je dat zelf. Al je goede daden worden met witte kiezelstenen uitgeteld, en alle slechte daden met zwarte kiezelstenen. Je onafgewerkte karma presenteert zich hier als een angstwekkend wezen: Yama (de Heer van de Dood) die je komt oordelen. Je beleeft hem als een afzonderlijk wezen, maar in feite is hij het zelf dat zich een spiegel voorhoudt. Een onbarmhartig moment met een genadeloze analyse.
 

dinsdag 28 mei 2024

Blood and thunder

In BBC Music Magazine van deze maand staat een aardig artikel van Jeremy Pound over requiems, Music to die for. Door de eeuwen heen, vanaf de 15e eeuw tot nu, hebben allerlei bekende (en minder bekende) componisten requiems geschreven. Verscheidene daarvan worden nog steeds als meesterwerk gezien.

Met een requiem kan het alle kanten op, binnen de vaste thema’s donker en licht, razernij en rust, zijn er veel variaties mogelijk op het gebied van stijl, lengte, aantal uitvoerenden, de tekst en vooral de toon (van blood and thunder tot zacht berustend). Eigenlijk is het thema dood het enige dat ze allemaal gemeen hebben.

Het artikel geeft chronologisch een aantal bekende voorbeelden, voorzien van een handige blood and thunder rating. 
 
🔥🔥🔥🔥🔥  be very afraid
🔥🔥🔥🔥😇  day of wrath
🔥🔥🔥😇😇  judgement awaits
🔥🔥😇😇😇  it’s not all bad
🔥😇😇😇😇  rest in peace
😇😇😇😇😇  death is sweet
 
Tomás Luis de Victoria (1605)
Officium Defunctorum (Requiem)
🔥🔥😇😇😇 
 
Wolfgang Amadeus Mozart (1791)
Requiem in D minor
🔥🔥🔥😇😇
 
Hector Berlioz (1837)
Grande Messe des morts
🔥🔥🔥🔥😇
 
Johannes Brahms (1868)
A German Requiem
🔥😇😇😇😇
 
Giuseppe Verdi (1874)
Messa da Requiem
🔥🔥🔥🔥🔥
 
Garbriel Fauré (1890)
Requiem in D minor
😇😇😇😇😇
 
Herbert Howells (1932)
Requiem
😇😇😇😇😇
 
Maurice Duruflé (1947)
Requiem
🔥😇😇😇😇
 
Benjamin Britten (1962)
War Requiem
🔥🔥🔥😇😇
 
Veel verschillen dus. Brahms’ vriendelijke kijk op dood en hiernamaals bijvoorbeeld, staat haaks op het grimmige requiem van Verdi. Bij hem geen warme woorden van troost. We zijn verdoemd! is hier de boodschap. Zijn hel en verdoemenis werkstuk heeft als middelpunt het Dies Irae, maar Gabriël Fauré laat dat er helemaal uit. Deze componist beschreef de dood als een ‘vreugdevolle bevrijding’, en het requiem had hij gecomponeerd ‘voor zijn plezier’. Hij heeft eindeloos gesleuteld aan het stuk, dat ook werd uitgevoerd op zijn eigen begrafenis in 1924.
 

 
 
Bron: 
BBC Music Magazine, mei 2024
Jeremy Pound

zaterdag 25 juni 2022

Tolstoj en de dood

Eenvoudige Russische boeren werden in de 19e eeuw door de intellectuele elite nogal eens benijd om hun eenvoudige geloof. Schrijvers zoals bijvoorbeeld Dostojevski (zie vorige blogpost), hadden bewondering voor hun schijnbaar onbevreesde houding ten opzichte van sterven en de dood. 

Ook Lev Tolstoj (Oorlog en vrede) was van mening dat boeren de zin van het leven kenden, en dat zij op een andere manier stierven dan de geletterde mensen. Maar hoe dan? Hij had hier veel over nagedacht. Kennelijk hadden boeren een dermate religieus vertrouwen, dat ze op hun sterfbed de dood gemakkelijk konden accepteren. Tolstoj nam zich voor om ook op die manier te sterven, hoewel dat voor hem niet bepaald eenvoudig was, hij had namelijk een enorme angst voor sterfelijkheid. ‘De dood hoort nu eenmaal bij het leven’, zo hield hij zich voor, maar toch bleef hij er totaal door geobsedeerd. Een oorzaak kan zijn dat hij nog maar jong was toen zijn ouders en oudste broer overleden.


Er zijn niet veel auteurs die zo vaak en zo beeldend over het sterven schrijven, bij Tolstoj meer ‘laatste afrekeningen’ dan sterfgevallen. Het zijn momenten waarop stervenden (zelf) hun leven beoordelen, en uiteindelijk redding vinden in een spirituele waarheid. In De dood van Ivan Iljitsj (1886) beschrijft Tolstoj hoe een rechter op zijn doodsbed terugkijkt op zijn leven. Zijn verzorger, een ‘wakkere boerenjongen’, leert hem hoe hij goed moet leven en sterven. Na een les over waarheid en mededogen kan Ivan Iljitsj de dood aanvaarden en daardoor, op het laatste bewuste moment van zijn leven, zijn angst overwinnen.

Het is niet bekend hoe Lev Tolstoj in 1910 de grens overschreed die hem zo veel angst had ingeboezemd. Hij had zich in ieder geval niet verzoend met de Russisch-orthodoxe Kerk, die hem in 1901 excommuniceerde. Volgens Tolstoj ligt het koninkrijk Gods in de mens zelf. Hij was het fundamenteel met de Kerk oneens, en wees de leerstelling en rituelen af. Christelijke principes zoals liefde en broederschap zouden veel beter vertegenwoordigd worden door de (denkbeeldige) boerengemeenschap en levenswijze, en hij had een groot verlangen om hier deel van uit te maken. De andere drijfveer van zijn persoonlijke religie was de nog steeds groeiende angst voor de dood.

Tolstoj had een mystiek godsbegrip. God kon je niet begrijpen met menselijk verstand, maar alleen ervaren door liefde en gebed. Tijdens het gebed werd je de goddelijkheid bewust, een moment van extase en vrijheid waarop de geest bevrijd werd om samen te smelten met het universum, en op te gaan in een ‘universele ziel’. Helaas heeft deze voorstelling van de dood als een spirituele verlossing (vergelijkbaar met het boeddhisme en andere oosterse godsdiensten), zijn angst nooit helemaal kunnen wegnemen.
 
 
 
Voornaamste bron: 
Natasja’s dans 
Rainbow 2022 
Orlando Figes

donderdag 7 oktober 2021

Laatste Oordeel

 
Bron afb.: Pieter Geenen, Trouw
 
(klik op het plaatje voor een betere weergave)

zaterdag 15 mei 2021

De bardo van Saunders en de bardo van wording

De vorige blogpost ging over Lincoln in de bardo, de bekroonde roman uit 2017 van de Amerikaanse schrijver George Saunders. 
 
  
In dit boek wordt verteld hoe Willie, het elfjarig zoontje van de Amerikaanse president Lincoln, in februari 1862 overlijdt en in een geestenwereld terechtkomt. Saunders noemt deze tussenstaat de Bardo, maar zijn versie heeft nog maar weinig te maken met de bardo uit het Tibetaans boeddhisme. Met wat goede wil kun je de omstandigheden misschien nog enigszins vergelijken met de bardo van wording, een van de tussenstaten die beschreven worden in het Bardo Thödol (Tibetaans Dodenboek). Het zoeken naar overeenkomsten en verschillen verhoogt het leesplezier van dit toch al opmerkelijke boek. 
 
(Let op: SPOILERS)

De geesten in het boek van Saunders beseffen niet dat ze dood zijn, en dat is (soms) een overeenkomst met de Tibetaanse bardo. In de tekst van het Bardo Thödol wordt de overledene meerdere malen attent gemaakt op zijn hoedanigheid. Hij beschikt nu over een nieuw en flexibel lichaam, en dat is ook het geval in Saunders bardo, maar dan anders. In de Tibetaanse bardo heeft dit lichaam superheldachtige mogelijkheden, maar bij Saunders is het een ware molensteen. Het sterfmoment of gewoonten en zorgen uit het vorige leven beïnvloeden voortdurend de vorm en massa ervan, een meestal bizarre karikatuur met groteske details.

In beide bardo’s is het niet aangenaam toeven, en de overledene ervaart een soms sterke drang om er weg te gaan. In de bardo van wording wordt hij tegen wil en dank voortgestuwd door zijn karma, op weg naar een nieuwe pijnlijke incarnatie in een van de zes bestaanswerelden (of naar bevrijding, als hij de instructies van het Bardo Thödol goed opvolgt). De dode in Saunders bardo wil helemaal niet verder en handhaaft zoveel mogelijk zijn aardse gewoonten. Hij beschouwt de situatie, zijn ‘ziekte’, als een storend intermezzo. Straks gaat hij de draad weer oppakken.

Saunders geesten worden regelmatig bezocht door een soort engelen, die hen liefdevol en behoedzaam proberen over te halen deze plek te verlaten en vooral verder te gaan. Voorafgaand zijn er allerlei tekenen, en dan volgt er een lange, zeer aantrekkelijke stoet die door iedereen anders wordt waargenomen. Deze bezoekjes worden door de geesten ontzettend gevreesd en ze proberen zich er wanhopig voor af te sluiten. Aan het einde van zo’n ‘aanval’, zoals zij het noemen, wordt er geïnventariseerd wie er nu weer bezweken en (met letterlijk een knal en een flits) ‘heengegaan’ is.  

Ook de overledene in de Tibetaanse bardo kan op hulp van allerlei boeddha’s en boddhisattva’s rekenen, maar hij moet er wel zelf om vragen. Daarnaast heeft hij de waardevolle ondersteuning van zijn nabestaanden die de onmisbare instructies van het Bardo Thödol hardop aan hem voorlezen. De dode kan hen wel horen en zien, maar niet met ze communiceren. Zo ook in Saunders bardo, en ook hier veroorzaken achterblijvers soms ergernis en wanhoop. Ze gaan niet goed met de erfenis en de spullen om. Zaken worden vergeten of veranderd of tenietgedaan. En als ze rouwen en snikken, ervaart de dode dit letterlijk als pijnlijk geprik van kleine dolkjes. Hij troost de nabestaanden, maar wordt niet opgemerkt.

De bardo van Saunders is begrensd. Het ijzeren hek van de begraafplaats kan niet overschreden worden. De dode in de bardo van wording is beter af, met zijn superlichaam kan hij zich zonder belemmering overal naar toe bewegen (op twee plaatsen na).

In de Tibetaanse bardo vindt een oordeel plaats. Bij Saunders is dat pas het geval als de overledene de bardo toch verlaten heeft. In een zonovergoten bouwwerk vol kleuren en diamanten wordt gekeken hoe hij geleefd heeft. Er is sprake van een vorst, engelen en een glimp van helse wezens en vuur. Een extra reden om toch maar in de ‘vertrouwde’ bardo te blijven rondhangen, vindt de dode dominee die het overkomen is. Maar tegelijk vraagt hij zich af of deze ervaring vol hoop en angst misschien de vrucht is van zijn religie en zijn eigen geest. 
 
Lincoln in de Bardo 
George Saunders 
De Geus, 2017 
349 blz.
 
                                              

 

zaterdag 5 september 2020

Bardo van wording: oordeel

Het is lijden en afzien voor de overledene in de bardo van wording. Eigen schuld, zegt het Bardo Thödol, want joúw karma. Mediteren op het Grote Zegel kun je kennelijk niet, en als je op dit punt ook nog eens verzuimt om te mediteren over je yidam of te bidden tot de drie juwelen, dan kun je Yama weer verwachten. De Heer van de Dood komt je oordelen. Al je goede daden worden met witte kiezelstenen uitgeteld, en alle slechte daden met zwarte kiezelstenen. Dat geeft veel spanning en zorgen en daarom lieg je: ik heb niet gezondigd! Tevergeefs, want Yama ziet in de spiegel van je karma al je zonden en verdiensten duidelijk verschijnen.

De dode beleeft Yama als een afzonderlijk wezen, maar in feite is hij het zelf die zich een spiegel voorhoudt. Een onbarmhartig moment met een genadeloze analyse. Om wanhopig van te worden. Je eigen onafgewerkte karma vertoont zich hier als een angstwekkend wezen, als een vlaag verwarrende gedachten, als agressie van binnenuit en van anderen. Het is een hel die je zelf geschapen hebt en waar je doorheen moet. Het stormt op je los en elke zonde, elke daad tégen de eenheid, keert zich nu tegen je.


Yama zal je aan een touw om je nek voortslepen, je hoofd afhakken, je hart en je ingewanden uitrukken, je hersenen oplikken, je bloed drinken, je vlees eten en aan je botten knagen. Gelukkig kun je niet doodgaan, dat ben je al, dus je zult toch steeds herstellen. Maar telkens opnieuw in stukken gehakt worden veroorzaakt wel ontzettend veel pijn. Lieg dus maar niet tegen Yama, en wees niet bang! En ook niet paniekerig als de witte steentjes geteld worden. Alles wat je nu waarneemt komt voort uit je eigen verwarde projecties. Je moet beseffen dat er niets anders bestaat dan je eigen hallucinaties. Herken ze op dit ogenblik allemaal als de bardo! Je hebt een mentaal lichaam, in feite is het de leegte zelf. Yama is ook een vorm van leegte. Leegte kan leegte niet schaden.

Dat is een prettige en diepzinnige geruststelling op het niveau van de niet-dualistische realiteit. Hier is vorm of materie leegte, en leegte vorm of materie. En alle dingen zijn wat ze zijn, enkel en alleen omdat jouw geoefende verbeelding ze als zodanig waarneemt. Alle ervaringen zijn als een droom, niet substantieel, en daarom kan een bevrijde persoon zijn omgeving en ervaringen gemakkelijk een nieuwe vorm geven. Doe dit ook nu al! Droom bewust, beoefen droomyoga. Als je bewust droomt, kun je de droom een nieuwe vorm van een betere situatie geven.

Het Bardo Thödol vervolgt hier (speciaal voor hen die niet weten hoe ze over het Grote Zegel moeten mediteren) met een korte extra instructie over het wezen en de ondeelbaarheid van leegte en helderheid. Het is een gedetailleerde uitleg over de trikaya, waaraan (door dharmakaya te splitsen) nog een vierde lichaam van boeddhaschap is toegevoegd: svabhavikakaya.

Kortom, alweer een uiterst moeilijke instructie in de verst gevorderde vorm van begrijpen en meditatie. Wat heeft dat op dit punt, voor deze angstige overledene voor zin? Het Bardo Thödol is echter van mening dat er altijd positieve kansen zijn, omdat het bewustzijn in de bardo zo radicaal wispelturig en veranderlijk is. De dode kan hier eventueel zomaar rechtstreeks naar de uiteindelijke feitelijkheid van zijn eigen realiteit omschakelen. Een spontane bevrijding! Dus: “twijfel niet en herken het. Je zult zeker een boeddha worden in de perfectie van de vier lichamen (kaya’s). Wees niet afgeleid! Dit is het punt waar boeddha’s en gewone wezens zich scheiden. Nu is het moment aangebroken dat wordt beschreven als ‘in één ogenblik volkomen vervreemd, in één ogenblik volmaakt verlicht’”.



Bronnen:
Francesca Fremantle en Chögyam Trungpa
Het Tibetaans Dodenboek
Servire, 1991

Robert A.F. Thurman
Het Tibetaanse Dodenboek
Altamira-Becht,  2006

Ilse Dorren
Tocht door twee werelden; Gids voor het Tibetaanse Dodenboek      
Mirananda, 1985

zaterdag 22 augustus 2020

Hemelrente

Over hemelrente hoor je niet zo veel meer tegenwoordig. Het is een verouderd begrip geworden. Met hemelrente (of loon in het hiernamaals) wordt bedoeld: een beloning in de hemel voor goeddoen op aarde. Het idee is al heel oud. De Rooms-katholieke geloofsleer beloofde een schat in de hemel voor tijdens je leven verrichtte goede werken. Christenen uit de vijfde en zesde eeuw gingen hier met veel fantasie mee om. Zij stelden zich de hemel voor als een plek waar voor elke aardse weldoener een schatkamer wordt ingericht. Via aalmoezen voor de armen bouwden gelovigen aan een huis (voor zichzelf) in de hemel.

G.F. Hooijer, een gereformeerde emeritus predikant, promoveerde in 2019 op een studie naar het begrip hemelrente in de Republiek der 7 Verenigde Nederlanden tussen 1600-1800, getiteld “…geen beter renten”. In de Gouden Eeuw betekende hemelrente een mooie beloning in het hiernamaals voor wie nu liefdadige giften aan de armen schonk. De armenzorg in ‘Nederland’ had een breed draagvlak. Hooijer toont in zijn onderzoek aan dat er hier niet (alleen) eigenbelang in het spel was, maar dat er ook sprake was van algemeen belang. Hemelrente diende als een aansporing tot het continu geven voor armenzorg. Een aanmoediging vanuit de kerk, maar ook vanuit de overheid. Godsdienstige termen waren in de 17e en 18e eeuw gewoon de taal van alledag. Hooijer onderzoekt allerlei soorten geefgedrag, bijvoorbeeld de christenplicht. Er zijn grote verschillen tussen protestanten en Rooms-katholieken.


Het denken over dood en het leven in het hiernamaals is in de loop van de tijd sterk veranderd. In de eerste eeuwen van het christendom is er nauwelijks aandacht voor de individuele ziel. Je sterft niet voor de onsterfelijkheid, maar voor de wederopstanding. God zal dan alles nieuw maken en het is de moeite waard daarop te wachten. Vanaf de derde eeuw wordt de ziel gezien als een onsterfelijke geestelijke substantie, die in de hemel thuishoort. Er is een grote interesse tot in detail voor het lot van de individuele ziel na de dood en in de periode tot de wederopstanding.

De dood is het begin van een reis. Elke ziel gaat in zijn eigen tempo via een onzeker traject naar de hemel of de hel. De reis wordt beïnvloed door alle zonden en verdiensten uit zijn aards bestaan, en er is nog geen sprake van de hemelse zaligheid. Eerst moet er zuivering plaatsvinden van de niet (volledig) voldane schuld door misstappen. Op grond van Bijbelteksten concluderen theologen dat er een vagevuur bestaat. Een plek waar (behalve de heiligen en martelaren) alle zielen terechtkomen. De zondeschuld wordt afbetaald door verblijf in het vagevuur. Goede werken worden beloond met bekorting van het verblijf in het vagevuur.

In de protestante geloofsleer ligt dat heel anders. Leven in het hiernamaals wordt door God uit genade geschonken op basis van geloof van de mens. Zondeschuld wordt uit genade vergeven en niet door het verrichten van goede werken. Maar goede werken worden wel van de gelovige verwacht. Deze voelt zich daartoe verplicht uit dankbaarheid voor de hem geschonken genade.

Het complete proefschrift  (236 blz.) kun je HIER lezen.


Bron:
Academisch proefschrift “…geen beter renten”
George Frans Hooijer, 2019