Veel filosofen noemen de ziel een tussenwezen, niet alleen omdat zij haar als een bemiddelaar beschouwen tussen bijvoorbeeld de goden en de mensen, maar ook omdat de ziel zich wel voelbaar in ons lichaam manifesteert, maar zelf niet lichamelijk is. Dus iets tussen materie en onstoffelijkheid in.
Volgens Aristoteles is de ziel niet stoffelijk, maar psyche (levensadem) die leven blaast in het stoffelijke. De ziel is datgene wat de stof van het lichaam vormgeeft, de ziel realiseert het lichaam. Een interessant uitgangspunt dat je bijvoorbeeld ook tegenkomt in het hindoeïsme (hierover meer in een volgende blogpost) en een tegenstelling tot de hedendaagse opvatting die juist veronderstelt dat de ziel een eigenschap is van de materie. Aristoteles’ standpunt heeft te maken met zijn hylemorfisme. De ziel is de vorm (morphê) van de materie (hulè), oftewel de ziel organiseert de materie zo dat het zijn essentie krijgt. De ziel geeft dus vorm aan de materie en niet andersom.
Voor Aristoteles bestaat er een noodzakelijke relatie tussen ziel en een organisch lichaam. Zonder ziel kan het organisch lichaam niet leven en zonder organisch leven heeft de ziel geen recht van bestaan.
Sommigen beschouwen Aristoteles als een functionalist, omdat hij de ziel ziet als een manier waarop het lichaam georganiseerd is. Met functionalisme wordt in dit geval bedoeld een theorie over de relatie tussen lichaam en geest, waarbij de wereld hiërarchisch is opgebouwd. Eigenschappen van een hoger niveau van realiteit worden veroorzaakt door eigenschappen van een lager niveau. Bijvoorbeeld: de ziel wordt gerealiseerd door het lichaam. Maar dit botst dus met Aristoteles opvatting dat juist de ziel het lichaam realiseert.
Bronnen:
Joke J. Hermsen
Windstilte van de ziel
De Arbeiderspers 2010
Martine Berenpas
FilosofieBlog Uitgeverij Boom
20 april 2010
Posts tonen met het label tussenwezen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tussenwezen. Alle posts tonen
zaterdag 17 november 2018
zaterdag 3 november 2018
De ziel als tussenwezen
De
vorige blogpost ging over de windtelefoon
van de Japanse meneer Sasaki. Meneer Sasaki gelooft wel in een ziel, maar noemt
het bestaan ervan relatief. Hij denkt
dat de ziel voortvloeit uit de connectie tussen levende en overleden mensen,
dat de ziel tussen die twee partijen een verbinding legt. Dat was voor mij een
nieuwe en interessante benadering: de ziel als bemiddelaar, een soort derde partij.
Maar
volgens het boekje Windstilte van de ziel
van Joke J. Hermsen is dit juist helemaal niet zo’n origineel uitgangspunt. Ik
lees hier dat de ziel door nogal wat filosofen een tussenwezen wordt genoemd, omdat zij een soort intermediair tussen
de goden en de mensen zou zijn. En nader beschouwd zit de ziel ook tussen het
ik en de ander, tussen het universele en het particuliere, tussen het bewuste
en het onbewuste, tussen het leven en de dood in. De ziel lijkt overal tussen te zitten.
In haar
korte zomerse dagboek (juli/augustus 2010) blaast Hermsen het stoffige (volgens
de flaptekst) begrip ziel nieuw leven
in. Daarbij koppelt zij de overpeinzingen aan haar favoriete onderwerp: de
ervaring van de innerlijke tijd. Pas na
een aantal kloktijdloze dagen (‘een duik in die onderaardse stroom van de
tijd’) kan ze uiteindelijk tot iets als een bezielde ervaring komen en lijkt ze
met haar zelf en de wereld om haar
heen samen te vallen. Hier wordt Roel Bentz van den Berg geciteerd: ‘De ziel is een
klapdeur die altijd tegelijk naar binnen en naar buiten opengaat.’
Een
mooie poging tot definitie. Maar Joke Hermsen beseft dat het onmogelijk is om
iets wat niet afgebakend is van een definitie te voorzien. Dat daarom de ‘grenzeloze’
ziel eigenlijk alleen maar ruimte of openheid kan betekenen, in de zin dat zij
de verhouding tussen ons uiterlijke ik en innerlijke zelf openhoudt, én in het
verlengde daarvan, tussen de mens en de wereld. Of zoals Van den Berg het
formuleert: de ziel zet de deur open, ‘open naar openheid, de waarheid’.
Bron: Windstilte
van de ziel
Joke J.
Hermsen
De
Arbeiderspers 2010
Abonneren op:
Posts (Atom)