zaterdag 6 juni 2026

Dharma’s

Nagarjuna 10 
 
De ‘werkelijkheid’ bestaat uit een aaneenschakeling van losse momenten.
Alle dharma's (fenomenen) bestaan tegelijk in het verleden, heden en de toekomst. De essentie van de werkelijkheid is permanent, zelfs als verschijnselen veranderen. Dat is de mening van de Sarvastivadins, een boeddhistische stroming waar Nagarjuna zich speciaal tot richt. In de vorige blogpost kwamen ze ter sprake.

Die drie genoemde dharmas bestaan op één manier tegelijk, maar het zijn geen identieke kopieën, ze verschillen per tijdspositie. Alles bestaat maar héél even (momentariteit) en verandert continu, alles ontstaat en vergaat onmiddellijk. Er is geen blijvende essentie of continuïteit tussen verleden, heden en toekomst. Een dharma volgt wel direct uit de voorgaande dharma, maar volgens het principe van afhankelijk ontstaan. Dus gebeurtenissen voorafgaand aan de dharma ‘van nu’ hebben geen invloed meer, en er wordt ook niet vooruitgelopen op hiernavolgende gebeurtenissen.

Deze uitgangspunten leveren wel problemen op. Bijvoorbeeld karma zou niet kunnen bestaan. En je eigen emoties observeren kan ook niet. Observatie en emotie spelen zich beiden in je eigen hoofd af en kunnen niet tegelijkertijd plaatsvinden. Daar werd het volgende op gevonden. Naast de dharma ‘van nu’ (het heden) bestaan er ook dharma’s uit het niet-heden, dus verleden en toekomst (andere scholen namelijk verwierpen dat). En dat maakt dan weer oorzakelijke samenhang en karmische verantwoording mogelijk. Een handeling in het verleden (een dharma) blijft “aanwezig” als opgeslagen karmisch potentieel. En een toekomstig potentieel kan al een bepaalde stemming of opvatting veroorzaken (zijn schaduw vooruit werpen!).

Een interessant, maar ook merkwaardig en ingewikkeld verhaal. Er wordt wel een soort tijdlijn geïntroduceerd, maar verleden – heden – toekomst beïnvloeden elkaar niet. Geen oorzaak en gevolg hier. Toch zijn er eventuele karmische gevolgen. En de toekomst, ligt die vast?


Helaas besteedt Eric Hoogcarspel in zijn inleiding niet veel aandacht aan de Sarvastivadins. Misschien komt dat later nog? Bij vers 3 vermeldt hij dat ze een dualistisch wereldbeeld hebben, waarin geest en materie absoluut verschillend zijn. En daarom kan materie niet iets geestelijks veroorzaken. Dat vind ik interessant, want zegt Spinoza dat ook niet? De ‘attributen’ materie en geest, waarmee de enige substantie (God) zich uitdrukt in eindeloos veel ‘modi’, gaan parallel aan elkaar, maar kunnen elkaar niet beïnvloeden. Het zijn twee kanten van dezelfde zaak (God), één en dezelfde substantie, maar dan vanuit verschillende standpunten gezien (dus hier géén dualiteit!). Gods denken is gelijk aan zijn handelen, alles wat op gebied van de materie gebeurt heeft z’n parallel op het gebied van de geest (en omgekeerd).
 
Wordt vervolgd. 
 
 
 
 
Bronnen:
diversen op internet
 
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk
 
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

vrijdag 5 juni 2026

Prijs


Aan de 1½ lezer van dit blog,

Ben je toevallig op IN-TUSSEN verzeild geraakt, en heb je twijfels over de inhoud en kwaliteit van dit blog? Weet dan dat het een weergave is van mijn persoonlijke zoektocht, geschreven voor mijzelf, ik benadruk het nog maar eens: het is mijn blog. Ik weet niets en doe ook niet alsof. Ik zou mijn gedachten ook in een dik cahier kunnen noteren bijvoorbeeld, maar internet werkt (in dit geval) nu eenmaal veel beter. Er is dan wel kans op enig misprijzen en dergelijke, de vorige blogpost leverde een ‘mild vrolijke’ reactie op van een mij overigens welgezinde lezer. Aanleiding was mijn opmerking dat ik mij “intuïtief best een Nu of Leegte kan voorstellen”. Inderdaad, dit verdient geen schoonheidsprijs, of in dit geval scherpzinnigheidsprijs, maar denk dan aan de woorden van Suzuki Roshi:

De geest van een beginner biedt vele mogelijkheden, die van een deskundige maar weinig.

Morgen weer Nagarjuna.

dinsdag 2 juni 2026

Sarvastivada

Nagarjuna 9

Verder met Nagarjuna’s Grondregels…, vers 3 van hoofdstuk 1.

Nagarjuna stelt dat er geen onafhankelijke oorzaken en gevolgen bestaan, en dat ‘de dingen’ hun zelfbestaan niet uit hun oorzaak halen. Ook de rest van het hoofdstuk gaat voornamelijk over wel of niet oorzaak en gevolg. Ik heb daar inmiddels veel over nagedacht en ook wel gediscussieerd, maar blijf er toch wat moeite mee houden. En ook voorzichtig, denk aan de woorden van Padmasambhava: “Hoewel mijn Zicht zo ruim is als de hemel, zijn mijn handelen en mijn eerbied voor oorzaak en gevolg zo fijn als meel”.

Kan het zijn dat deze stijl van uitleg mij niet ligt? Het eindeloos filosofisch geredeneer. Of is het hier juist de bedoeling dat je ‘woordenmoe’ en murw van langdurig overpeinzen een inzicht krijgt? Je vastgeroeste logische denkpatroon doorbroken, op een koan-achtige wijze? Intuïtief kan ik mij best een Nu voorstellen, of Leegte waarbij alles in een constante transitie verkeert, in samenhang met alles. Zodanig in beweging dat er nooit een ‘vast’ etiket opgeplakt kan worden.


Hoe verder? In zijn commentaar bij de tekst noemt vertaler Erik Hoogcarspel zijdelings een boeddhistische stroming waar Nagarjuna zich speciaal tot richt. Waarom doet Nagarjuna dat? Iets meer uitleg daarover zou zijn tekst wellicht wat begrijpelijker en minder abrupt maken. Op internet vind ik meer informatie over deze Sarvastivadins. Heel in het kort: een invloedrijke vroege boeddhistische school die gelooft dat alle dharma's (fenomenen) bestaan in het verleden, heden en de toekomst. De essentie van de werkelijkheid is permanent, zelfs als verschijnselen veranderen.

De Sarvastivadins gaan er van uit dat de dagelijks waarneembare wereld niet werkelijk bestaat, maar is opgebouwd uit ontelbare kleine elementen (dharma’s). Alleen deze dharma’s bestaan echt en dan ook nog maar voor héél even. Het is momentariteit, de voortdurende vergankelijkheid en verandering van alle verschijnselen. Ze ontstaan, veranderen direct en vergaan weer, wat leidt tot de filosofie van 'afhankelijk ontstaan'. De zogenaamde werkelijkheid bestaat uit een aaneenschakeling van losse momenten.

 
 
Bronnen:
diversen op internet 
 
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

vrijdag 29 mei 2026

Shaping chairs

bron afbn: bbc news

Op BBC news las ik een artikel over Alice en Gavin Munro, een stel uit Derbyshire. Zij laten bomen groeien in de vorm van een stoel, een proces dat meestal zes tot negen jaar duurt. Daarna moet het hout nog een jaar drogen. De Munro’s zijn inmiddels 20 jaar aan het experimenteren.
 

Grappig dit! Vooral omdat “een stoel” in de toelichting door de vertaler van Nagarjuna’s Grondregels… genoemd wordt als het voorbeeld van een substantie met vaste eigenschappen. “Een stoel is wat hij is”. Substanties worden geacht zelfstandig, onveranderlijk en onafhankelijk te zijn, maar Nagarjuna toont telkens aan dat dit onhoudbaar is. De dingen zijn alleen maar wat ze zijn in onze ogen! Een stoel is voor ons een stoel, maar niet voor een vogel.

En nog leuker, uitgerekend een boom wordt in het boeddhisme vaak gebruikt als voorbeeld om ‘afhankelijk ontstaan’ te illustreren, de onderlinge samenhang en interconnectie. Niets bestaat op zichzelf, alles is verbonden.

 
 
bronnen:
BBC.com, 18 mei 2026 
 
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

maandag 25 mei 2026

Ich freue mich

Maarten ’t Hart en de dood (2-2)

In het eerste deel van deze blogpost beschreef Maarten ’t Hart (1944) hoe hij ooit een zelfmoord overwoog. De doorgaans monter ogende schrijver brengt in zijn boeken ook wel eens ‘mini-depressies’ ter sprake, die dan gelenigd worden door een troostend bezoek aan de boekhandel en de aanschaf van (afgeprijsde) boeken (meestal over componisten). Ik weet niet of Maarten in een eventueel hiernamaals gelooft, daar laat hij zich nooit over uit. Wel over de dood. Zijn vader was grafdelver en bij hem op het kerkhof zag hij ooit dit versje:

Eens was ik net als u,
die dit nu staat te lezen,
en zoals ik nu ben,
zo zult gij eenmaal wezen.
 
Een olijke variant op ‘heden ik, morgen gij’, maar voor de achtjarige Maarten een schokkende eye opener. In een van zijn autobiografieën (Dienstreizen van een thuisblijver) vertelt hij over een reportage op de begraafplaats van Warmond met een Duitse fotograaf, genaamd Tobias Todt. Het hele verhaal lijkt mij uit de duim gezogen, maar maakt wel duidelijk hoe Maarten over de dood denkt. Hij lijkt daar niet bevreesd voor, maar wel ‘doodsbang voor een ernstige ziekte’. Want dan kom je in een ziekenhuis terecht en daar kun je niet slapen, weet hij uit ervaring, en daardoor zink je steeds verder weg in een depressie. Je wilt dan dolgraag slapen en wegzinken in de diepst mogelijke slaap. ‘En wat is de diepst mogelijke slaap anders dan de dood?  En als je zo smartelijk naar slaap kan verlangen, naar vergetelheid, naar wegzinken in een zoete sluimer, waarom je dan nog druk maken over de dood? ‘Doodzijn was toch het ultieme slapen, was toch een slaap van eeuwige jaren?’, citeert hij een boek van lang geleden.
 
 
Maarten wil vooral niet gecremeerd worden, ‘want dan worden al die hoogwaardige eiwitten die je je leven lang stuk voor stuk hebt opgebouwd in één klap vernietigd’. Hij laat de fotograaf alvast het plekje zien waar hij ooit wenst te liggen. De muziek bij de uitvaart moet in ieder geval het mooiste stukje Prokofjev bevatten, anderhalve minuut filmmuziek getiteld ‘de Tataarse steppe’. Hij lijkt zich te verheugen, want dood zijn heeft zo zijn voordelen. Als hij langs dit kerkhof fietst denkt hij altijd: als je dood bent, hoef je nooit meer op reis. Hij neuriet cantate 82 van Bach: Ich freue mich auf meinen Tod
 
 
 
bronnen:
Maarten ’t Hart
Een deerne in lokkend postuur
Persoonlijke kroniek 1999
De Arbeiderspers, 2000
 
Maarten ’t Hart
Dienstreizen van een thuisblijver
De Arbeiderspers, 2011

dinsdag 19 mei 2026

Geen verplichtingen meer

Maarten ’t Hart en de dood (1-2)

Ik droomde een keer dat ik bij de wastafel in mijn badkamer stond. Er lag water onder vanwege een lekkende sifon. Dat was flink balen (ik heb een lange geschiedenis met lekkages), maar ineens besefte ik dat dit misschien een droom was. Om dat te testen bukte ik om even mijn handen door het water te halen, want dat kun je in een droom niet voelen, dacht ik. Maar helaas, kletsnat natuurlijk. Wat een opluchting toen ik wakker werd!

Toch schijnen er wel dingen te zijn die je in een droom niet kunt doen. Klokkijken bijvoorbeeld, of lezen. Maarten ’t Hart (1944) beweert iets anders. In zijn ‘persoonlijke kroniek 1999’ (Een deerne in lokkend postuur) herinnert hij zich een ‘ongewoon heldere droom’ uit 1971 waarin hij de krant las, en daarbij zijn eigen overlijdensadvertentie tegenkwam. Hij prentte zich de datum scherp in: 14 april 1987. Lange tijd heeft hij gedacht dat de droom zou uitkomen, maar die angst (?) is inmiddels (1999) door de tijd ingehaald. Toch betwijfelt Maarten nog steeds of hij het jaar 2000 wel zal halen, want gelet op zijn enorme roekeloosheid in het verkeer is het ‘een groot wonder dat hij nog steeds leeft’.

Is hier (onbewust) sprake van een doodswens? In hetzelfde boek lees ik bij 17 september een indringende passage, getiteld Thanatos (de god van de zachte dood). Hier beschrijft Maarten hoe hij vanuit de woonkamer van zijn zus het balkon oploopt. Ze woont hoog in een flat met een schitterend uitzicht. Het is zonnig warm met een goudkleurig en betoverend septemberlicht. Hij staat daar en kijkt naar beneden en voelt zich sprakeloos gelukkig. Diep onder hem ligt een zonovergoten groen grasveld. Hij herinnert zich psalmteksten en denkt aan het heelal, mysterieus maar doelloos.

Terwijl hij zich dicht tegen de balkonrand aandrukt lijkt het haast alsof het grasveld zich aanbiedt. Zwevend op de vleugels van de wind zou hij er vredig op kunnen neerdalen. Hij moet alleen even op die rand klauteren. De wind suist, achter hem de stemmen uit de kamer, en naarmate de seconden verstrijken lijkt het steeds aanlokkelijker om te springen. Aan al zijn problemen zou in één klap een einde komen. Hij somt ze voor ons op. Geen ondraaglijk lijden zo te zien, maar irritante ongemakken en werkdruk en allerlei verplichtingen. Dan ziet hij op het grasveld een meisje met een hondje en denkt dan aan zijn eigen hondje Roef. Het kost hem nog wel de grootste moeite om zich weer los te maken van die balkonrand, want ‘wat kan het opeens geweldig aantrekkelijk lijken om dood te zijn!’ 

Is dit verhaal geïnspireerd door het werk van T.F. Powys (1875-1953)? Maarten ’t Hart zou een bewonderaar zijn van deze merkwaardige Engelse schrijver, maar dat heb ik nergens concreet kunnen vinden. Bij Powys is de dood een list van de natuur om je je leven afhandig te maken, maar tegelijk de enige uitweg uit de misère.

 
bron afb: knipsel Parool

 
bron:
Maarten ’t Hart
Een deerne in lokkend postuur
Persoonlijke kroniek 1999
De Arbeiderspers, 2000

woensdag 13 mei 2026

Nagarjuna en Spinoza

Nagarjuna 8

Vervolg van de vorige blogpost. Via hoofdstuk 1 van Nagarjuna’s Grondregels… en de inleiding van vertaler Erik Hoogcarspel ben ik op een zijpad met Spinoza beland. Dat was niet direct de bedoeling, maar ik heb er wel veel aan gehad. Tegelijkertijd bezig zijn met Nagarjuna en Spinoza bleek prettig en leerzaam, maar nu wil ik wil me weer hoofdzakelijk op Nagarjuna en ‘leegte’ concentreren. Voor de volledigheid kijk ik nog één keer kort naar de overeenkomsten en verschillen tussen beide filosofen (althans voor zover ik denk het begrepen te hebben).


Overeenkomsten.
Nagarjuna en Spinoza hebben allebei radicale standpunten. Beiden weerleggen een onafhankelijke bestaan van dingen, maar benadrukken een onderling verbonden werkelijkheid. Geen dualiteit hier en geen ‘ego’.
 
Tegenstellingen.
Nagarjuna ontkent elke zelfstandige ‘substantie’, terwijl Spinoza stelt dat er één substantie (God) is, die in alles zit. Bij Nagarjuna geen onafhankelijke oorzaken en gevolgen. En volgens Spinoza komt alles voor uit enorme reeksen oorzaken, in gang gezet door God, de allesomvattende substantie, en alle dingen (modi) zijn daarvan afkomstig. Bij Nagarjuna leegte (van zelfbestaan), geen substantie bij wat dan ook.

En eigenlijk hebben beide heren een ander doel (of lijkt dat maar zo?). Nagarjuna wil verlossing uit lijden bereiken (voor ons allemaal), en Spinoza wil begrip van de werkelijkheid. Nagarjuna ziet kans op bevrijding door wijsheid (prajna), want die kan leiden tot het inzien van leegte. Spinoza vindt vrijheid in het besef dat de wereld (de natuur) noodzakelijk is.


Tja, de eventuele ‘waarheid’ zal wel ergens in het ‘midden’ liggen. Of niet natuurlijk. Iedere vorm van logisch of conceptueel denken is uiteindelijk onhoudbaar, zegt Nagarjuna toch zelf. Het zijn slechts hulpmiddelen om je gehechtheid los te laten. Volgens Sogyal Rinpoche lijkt de logische geest wel interessant, maar is het de kiem van verwarring en versluiering. Je kan zomaar geobsedeerd raken door je eigen theorieën, en volledig missen waar het om gaat. En bij een Tony Parsons moet je volstrekt niet proberen ‘het’ te begrijpen, want dan wordt het helemaal niks.

Desalniettemin, wordt vervolgd.

zondag 10 mei 2026

Taal

Nagarjuna 7

Vervolg van de vorige blogpost, waarin de voorzichtige conclusie getrokken werd dat vertaler Hoogcarspel’s substanties (in dit geval) hetzelfde zijn als Spinoza’s modi, waarvan zowel Nagarjuna als Spinoza lijken te beweren dat zij niet uit zichzelf bestaan. Maar bedoelen zij ook hetzelfde? Volgens Spinoza bestaat alleen God (Substantie), die eindeloos veel tijdelijke verschijningsvormen (modi) veroorzaakt, die allemaal van elkaar afhankelijk zijn.

Nagarjuna zegt dat alle dingen ontstaan in wederzijdse afhankelijkheid. En hij gaat nog veel verder, want volgens hem bestaan al die dingen eigenlijk niet eens. Hij toont aan dat die zogenaamde ‘zelfstandigheden’ (Hoogcarspel: ‘substanties’) onhoudbaar zijn. De dingen zijn duidelijk alleen maar wat ze zijn in onze ogen. Het is een kwestie van taal eigenlijk, en taal is geen afbeelding van de werkelijkheid, maar een benoemen ‘bij wijze van spreken’. Conventies, gewoonten, afspraken, de zogenaamde werkelijkheid is het speelveld van de taal, en daarom leeg van substantie/ zelfbestaan. Wat de taal noemt bestaat niet, maar is een inbeelding. Het belangrijkste obstakel voor inzicht is het geloof dat woorden naar op zich bestaande dingen verwijzen. (Zelfs de term ‘leegte’ is in sommige commentaren tot een nieuw soort substantie geworden!)
 

We moeten ons losmaken van de taal. Dat lijkt onmogelijk want er zijn altijd gedachten bijvoorbeeld, maar Nagarjuna verwijst naar momenten van diepe innerlijke vrede, waarin de dingen zijn opgehouden te bestaan. Maak de zaak eens wat transparanter door het lezen van (zijn) geschriften, denk er over na. Hopelijk leidt dat dan tot transcendente wijsheid: een totale omslag van jouw manier van denken, en waarbij je niet langer het spel van de wereld voor absoluut aanneemt. Uiterlijk zal er weinig veranderen, maar je ziet het als een spel en investeert niet meer. De begeerte naar zijn of niet zijn is weg, de illusie van de wereld, het idee dat je iets kunt gewinnen of verliezen is doorbroken. Meer esthetisch plezier, minder bezig zijn met nut en voordeel. Een heel andere manier van leven.

Wordt vervolgd.

 
 
bron:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

dinsdag 5 mei 2026

Modi

Nagarjuna 6

Vervolg van de vorige blogpost. Via Nagarjuna ben ik dus bij Spinoza terechtgekomen. Erik Hoogcarspel gebruikt in zijn vertaling van Nagarjuna’s Grondregels… regelmatig het woord ‘substantie’, maar op een andere manier dan Spinoza.

In de vorige blogpost zagen we dat er volgens Spinoza maar één (‘super’)substantie is, namelijk God. Die is oneindig, er kan dus geen andere substantie naast bestaan. Enkel God bestaat. En aangezien er maar één Substantie bestaat, is God de uiteindelijke oorzaak van alle bestaanswijzen. Alle dingen die niet zichzelf veroorzaken worden door God verklaard of veroorzaakt. Ze bestaan, zegt Spinoza, ‘in God’. Margot Brouwer geeft in haar boek een mooi rijtje voorbeelden: “planten, dieren, mensen, jijzelf, zon, maan, sterren, de natuurwetten en zelfs het universum”. En Jan Knol doet hetzelfde in zijn boek: “stenen, tijgers, kleuren, gassen, politiek, vakbonden en mensen en eindeloos zo voort”. Zoals we al zagen in de vorige blogpost worden al deze dingen modi genoemd.

De substantie, zegt Jan Knol, drukt zich via de attributen materie en geest uit in eindeloos veel modi (verschijningsvormen). Eindige, tijdelijke openbaringen van het eeuwige universum (God), waarin alles bestaat, verrijst en weer ondergaat. Wij beschouwen al die dingen als opzichzelfstaand, maar dat is dus fout. Zij zijn “in iets anders”, namelijk in de attributen van de ene substantie, en kunnen (en moeten) alleen van daaruit begrepen worden. Alles hangt van iets anders af, niets is zijn eigen oorzaak, of bestaat uit eigen kracht. Alles en iedereen is van elkaar afhankelijk. Modi hebben altijd hun oorzaak in iets wat op zijn beurt zijn oorzaak heeft in iets wat op zijn beurt ook weer zijn oorzaak heeft in iets en eindeloos zo voort. Maar uiteindelijk komt je dan uit bij God, de oorzaak die zonder oorzaak is, de oorzaak van alles. Alleen God is zijn eigen oorzaak en van niets afhankelijk om te kunnen bestaan en begrepen te kunnen worden.
 
 
Terug naar Nagarjuna en zijn Grondregels… en de inleiding door vertaler Erik Hoogcarspel.

Er is dus die nieuwe leer van de transcendente wijsheid, en Nagarjuna wil die filosofisch onderbouwen. Volgens hem breekt het inzicht door zodra iemand ophoudt overal substanties te zien, dat wil zeggen iemand ziet wel substanties maar is er tegelijk van doordrongen dat die er niet zijn. Om de zaken minder ingewikkeld te maken, houd ik hier even het woord substanties aan in de betekenis die Hoogcarspel (en “de filosofie”) er aan geeft, dus “iets dat uit zichzelf bestaat en dat zélf voor z’n kenmerken zorgt”. Ook Hoogcarspel komt met een paar voorbeelden: letters, spoorboekje, windkracht. Wij hebben net gezien dat Spinoza dit modi noemt, en dat ze niet uit zichzelf bestaan! Beweren Nagarjuna en Spinoza nu hetzelfde?

 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
  
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk 
 
Margot Brouwer
Sterrenstof zijn wij
Querido Facto, 2025

zaterdag 2 mei 2026

Supersubstantie

Nagarjuna 5

Vervolg van de vorige blogpost. Erik Hoogcarspel maakt zijn vertaling van en commentaar op Nagarjuna’s Grondregels… extra ingewikkeld door het woord substanties te gebruiken en daarbij op een onjuiste manier Spinoza te betrekken.

Substanties, zegt Hoogcarspel, zijn dingen met vaste eigenschappen. Hij noemt een stoel als voorbeeld. Terwijl Jan Knol, zo zagen wij, in zijn boek over Spinoza vermeldt dat er maar één substantie is, namelijk God.

En ook in het boek van Margot Brouwer lees ik dat er maar twee soorten dingen zijn:

1. substantie: iets wat door zichzelf wordt verklaard of veroorzaakt (alleen God).
2. modus (meervoud modi): iets wat door iets anders wordt verklaard of veroorzaakt. Alles en iedereen (inclusief wijzelf) heeft een oorzaak buiten zichzelf.

Spinoza definieert God als een absoluut oneindig wezen, dat wil zeggen een substantie die uit een oneindig aantal attributen* bestaat, die elk een eeuwige en oneindige essentie uitdrukken.

(*attribuut: een manier om de essentie van een substantie te ervaren of te interpreteren, voorbeelden: de fysieke werkelijkheid, het denken)

Hij stelt dat ‘elke substantie’
1.  eeuwig is
2.  oneindig is,

toont dit aan en komt dan aanzetten met het eventuele bestaan van een speciale substantie (Brouwer noemt dit even een ‘supersubstantie’) met een oneindig aantal attributen. Zou dat bestaan?, vraagt Spinoza zich af. En ja, al redenerend komt hij uiteindelijk met zijn godsbewijs. Dus “God, oftewel een substantie die uit een oneindig aantal attributen bestaat, die ieder een eeuwige en oneindige essentie uitdrukken, bestaat noodzakelijk.” noteert hij in zijn Ethica.

“Kort gezegd: wanneer je ervan uitgaat dat alles wat er bestaat een oorzaak of reden moet hebben, kom je met consequent doorredeneren uit op het bestaan van Spinoza’s God”, vat Brouwer de zaak samen, maar erkent hierbij de onvermijdelijke cirkelredenering. Spinoza’s verhaal komt eigenlijk hier op neer: “als alles wat bestaat een oorzaak heeft, dan moet er een eeuwig en oneindig ‘iets’ zijn dat zichzelf veroorzaakt, waar alle andere dingen logisch uit kunnen voortvloeien. En dit ‘iets’ noemt hij God.”


bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005 
 
Margot Brouwer
Sterrenstof zijn wij
Querido Facto, 2025

woensdag 29 april 2026

Substantie

Nagarjuna 4

Verder met de Grondregels… van Nagarjuna, hoofdstuk 1. De vorige keer eindigde met een opmerking over het woord substanties, dat vertaler Erik Hoogcarspel op een (voor mij) verwarrende wijze gebruikt. Substantie namelijk, heeft in de filosofie meestal, en bij Spinoza (1632-1677) al  helemaal, een geheel andere betekenis. Ik zag hier liever het woord zelfbestaan, dat ik in de nieuwe vertaling van Michiel Leezenberg tegenkwam. Dus: Nagarjuna wijst ons in vers 1 en 14 erop dat oorzaak en gevolg géén zelfbestaan hebben. De vertaling van Leezenberg ken ik verder (nog) niet, maar ik zag dat ‘oorzaak’ bij hem ook wel ‘conditie’ heet (in de betekenis van ‘toestand’ of ‘voorwaarde’), en ‘gevolg’ heet dan ‘actie’ of ‘effect’. Dat past soms inderdaad beter, maar ‘oorzaak en gevolg’ klinken dan weer boeddhistischer.

In vers 2 (de volgorde van 2 en 3 zou ooit omgedraaid zijn) zegt Nagarjuna dat in de oorzaken van dingen geen zelfbestaan zit, en als er geen zelfbestaan is, dan is er ook geen ander bestaan.

Hoogcarspel gebruikt ook hier weer ‘substantie’ en vermeldt dat dit woord een vertaling is van (Sanskriet) svabhava dat ‘uit zichzelf zijn’ betekent, wat dan ook weer de gebruikelijke filosofische definitie van het begrip substantie zou zijn. Een substantie heeft vaste eigenschappen, ‘gekend’ of waargenomen, of niet, dat maakt niet uit. Hij is wat hij is. Hoogcarspel geeft een ‘stoel’ als voorbeeld en noemt als tegenhanger een ‘woord’. Want dat bestaat niet uit zichzelf, maar op grond van een conventie, namelijk de betekenis die wij er aan geven en die zichzelf niet toont maar geleerd moet worden. Volgens Hoogcarspel is dat wat betreft het woord substantie ‘zelfstandigheid’ in de filosofische betekenis en ‘spul’ of ‘goedje’ in een andere.

Vervolgens maakt hij zijn uitleg nodeloos extra ingewikkeld door Spinoza erbij te betrekken en diens definitie te citeren: ‘iets dat uit zichzelf bestaat en uit zichzelf gekend wordt’. Dat klopt, maar Spinoza bedoelt hier wel iets heel anders en zeker geen stoel! Er is maar één substantie, en dat is God. Ik pak het dunne boekje van Jan Knol en het dikke van Margot Brouwer er maar eens bij.

Knol zegt dat Spinoza voor God heel vaak het woord substantie gebruikt, en dat dit van het Latijnse woord substare komt, dat letterlijk ‘eronder staan’ betekent. God is de ene substantie die is. Al wat bestaat, maakt deel uit van deze ene substantie die onveranderlijk, onvergankelijk, allesomvattend en de fundering van alles is.

Wordt vervolgd.

 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
  
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk

donderdag 23 april 2026

vrijdag 17 april 2026

De uitvinding van onsterfelijkheid

Het hiernamaals is verzonnen door de Victorianen. In The Green Man (1969) lees ik een passage, waarin een lokale geestelijke afrekent met het idee van onsterfelijkheid.


The Green Man
, geschreven door Kingsley Amis, is een ghost story en comedy tegelijk. Hoofdpersoon Maurice Allington (alcoholist en womanizer) heeft een eeuwenoude pub waar het spookt. Als zijn vader overleden is, drinkt Maurice na de begrafenis nog een borrel met Tom Rodney Sonnenschein, de verwijfde en eigenwijze Reverend van St. James, Fareham. De verveelde dominee is duidelijk toe aan een uitdagender parochie ergens in Londen.

Maurice is tamelijk geschokt een geestelijke te ontmoeten die in feite goddelozer is dan hijzelf, toch een behoorlijk geharde ongelovige. Hij vindt dit niet prettig. Zoals verwacht komt het gesprek op de dood, die we volgens de predikant veel te serieus nemen. Het is tenslotte al van de geboorte af een integraal onderdeel van het leven. En zeker geen toegang tot een andere wijze van bestaan of iets dergelijks, of een deel van ‘Gods plan’ (want dat is er niet).

Het hele onsterfelijkheidsgedoe is trouwens al behoorlijk uitgemolken, vindt dominee Sonnenschein. Je moet het historisch bekijken, als een voorbijgaande fase en eigenlijk bedacht door de (vroege) Victorianen vanuit een soort schuldgevoel. Zij hadden de kwaadaardigheden van de Industriële Revolutie gecreëerd, en zij konden al aanvoelen wat een afschuwelijk monster het kapitalisme zou gaan worden. Een hel op aarde. En het enige toevluchtsoord wat ze konden verzinnen om hier tegenover te zetten, was een nieuw leven. Weg van de rook en de stank en het gejammer van verhongerende kinderen. Maar nu inmiddels begint door te dringen dat kapitalisme gewoon niet voldoet en niet deugt, en dat we de maatschappij kunnen veranderen, zodat iedereen hier op aarde een zinvol en organisch bestaan krijgt, kan de onsterfelijkheid opgeruimd naar zolder.

Maar, werpt Maurice nog tegen, als die Victorianen dan zo dol waren op het idee van een hiernamaals en tegelijk verteerd werden door schuldgevoelens, zou je toch denken dat ze juist veel meer geneigd waren in de hel te belanden? Precies! De dominee is het helemaal met hem eens. Ze waren compleet weg van de hel, en die zou precies worden als hun kostschool, met de enige echt intens emotionele ervaringen die ze aankonden. Slaan, geseling, afbeulen, koude baden, roeien en een angstaanjagende almachtige oude man die je voortdurend vertelde hoe nietig en waardeloos je was. Ze waren er gek op. Niet toevallig was dit het grote tijdperk van masochisme, vooral in Engeland. Het hele gebeuren is absoluut fundamenteel voor de kapitalistische psyche: liefde voor pijn en straf en ellende in het algemeen, allemaal protestantse eigenschappen. Je zou kunnen zeggen dat de onsterfelijkheid van de ziel is uitgevonden door Thomas Arnold.

 
bron:
Kingsley Amis
The Green Man
Penguin, 1988

zondag 12 april 2026

Oorzakelijkheid

Nagarjuna 3

Na de inleiding HIER en HIER door Erik Hoogcarspel ben ik bij Hoofdstuk 1 (“Oorzakelijkheid”) beland van zijn vertaling van Nagarjuna’s Grondregels… Dit bestaat uit 14 verzen of karika’s.

En ik moet eerlijk bekennen: dat valt niet mee, in de eerste instantie. Nu schijnt Nagarjuna algemeen erkend ‘moeilijk’ te zijn, maar toch. En dan een heel ander moeilijk dan het Tibetaans Dodenboek, met z’n situaties, taferelen en figuren. Dit zijn korte bondige stellingen en vragen, kortom filosofie. Het geheel komt op mij over als een spel met taal (en de lezer). Hoe moet ik dit ooit in blogvorm gaan gieten? Waar ben ik aan begonnen en wat een overmoed. Ik zie dat de onderwerpen van sommige hoofdstukken mij extra aanspreken, maar ik besluit toch maar de gebruikelijke volgorde aan te houden, hopelijk wordt alles dan langzamerhand toch duidelijker. En misschien is het beter om een aantal kortere blogposts achter elkaar te plaatsen in plaats van één enorme lap tekst.

Maar na aandachtig lezen en overpeinzen merk ik dat de tekst eigenlijk best goed te begrijpen is. Bloggen om het voor mijzelf duidelijk te krijgen is dus eigenlijk niet meer nodig. Een ‘samenvatting’ dan? Dat is onmogelijk, Nagarjuna’s tekst is al enorm ingedikt en ter zake, korter kan niet. Toch wil ik graag een aantal blogpost maken over dit belangrijke boek. Ik zal er wat dingen uitlichten die me opvallen of me extra bezig houden.
 
 
Nagarjuna is dus nogal ‘ter zake’, dat wordt al duidelijk bij het eerste vers van dit eerste hoofdstuk. Hij begint hier plompverloren en zonder verdere intro met een kritiek op ‘oorzakelijkheid’, kennelijk belangrijk. Voor ons bestaat iets alleen als het een oorzaak of gevolg heeft. Onze ‘werkelijkheid’ is een structuur van oorzaken en gevolgen. Iedereen gelooft dat en vaak ten onrechte. Nagarjuna is van mening dat we ons hierdoor in het dagelijks leven telkens laten beetnemen. Reclame maakt daar trouwens ook handig misbruik van.

Er is nooit iets ontstaan, zegt Nagarjuna, helemaal niets, wat dan ook en hoe dan ook, niet uit zichzelf of uit iets anders, en ook niet zonder een oorzaak. Hij gaat door met redeneren, schrappen en vragen stellen, en komt bij vers 14 met een soort conclusie tot nu toe. Het ontstaan en dus bestaan van gevolgen is niet houdbaar, omdat iets ofwel een oorzaak is, ofwel niet, en bewezen is dat oorzaken niet kunnen voortkomen uit één van beide soorten dingen. En als er dus geen gevolgen bestaan, zijn er ook geen oorzaken, en dus ook geen dingen die geen oorzaak zijn. Is dit een cirkelredenering? Volgens Hoogcarspel ontkent Nagarjuna niet dat er zoiets bestaat als oorzaak en gevolg , want hij verwijst regelmatig naar dagelijkse dingen waarin ze een rol spelen, maar verwijt Nagarjuna zijn tegenstanders (en ons!!) oorzaak en gevolg te zien als iets met zelfbestaan. Erik Hoogcarspel gebruikt hier het woord substanties. Dat vind ik erg verwarrend. Daarover volgende keer meer.

 
 
bron:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

dinsdag 31 maart 2026

Satan op de Knardijk


Het bijzondere kunstwerk “De Tong” komt niet meer op zijn oude plek terug, dat werd deze maand bekend gemaakt. Met dank aan koperdieven en christelijke partijen.

Het beeld in de vorm van een ovaal, eerst "De Tong van Lucifer" geheten, werd gemaakt door kunstenaar Ruud van de Wint (1942-2006) en stond sinds 1993 op de Knardijk in Flevoland. Negen meter hoog, vier meter breed en anderhalve meter dik, gemaakt van staal en koperdraad. Het geheel ziet er uit als een tong, en de kunstenaar hoopte dat de bliksem in het werk zou slaan, waardoor het licht naar de aarde zou brengen. Volgens Van de Wint kon het beeld symbool staan voor Lucifer, de gevallen engel, die spottend zijn tong uitsteekt naar God. Maar misschien was dit slechts provocerend bedoeld, gezien de situatie die ontstaan was rond dit ‘duivelse’ werk. Er werden namelijk sterke bezwaren geuit door christelijke partijen en boeren uit de buurt, en in 2021 werd de naam veranderd in “De Tong”.

Het beeld is in de loop der jaren meerdere keren vernield door koperdieven. Vervolgens werd er dan geprotesteerd en gingen er petities rond tegen reparatie en terugplaatsen van het kunstwerk. Onbekenden hebben er ooit nog een groot houten kruis neergezet. In 2024 is het beeld na beschadiging door koperdieven weer weggehaald en opgeslagen, en maart 2026 kreeg de christelijke lobby uiteindelijk haar zin, De Tong blijft weg.

Exit een bijzonder kunstwerk op een bijzondere plek in het landschap.
 

donderdag 26 maart 2026

Prajnaparamitasutra

Nagarjuna 2

Grondregels van de filosofie van het midden is het meest bekende werk van Nagarjuna. Ik lees nu (langzaam aan) de vertaling van Erik Hoogcarspel uit 2005. De vorige blogpost en deze gaan over de inleiding van dit boek, en hoe belangrijk het ontdekken van de leegte is. Nagarjuna’s leer is radicaal en lijkt in de eerste instantie ingewikkeld. Alle dingen (en personen) zijn leeg, zij bestaan niet echt. Het zijn illusies, evenals de begrippen waarmee je denkt, dat zijn ook alleen maar hulpmiddelen. Als je je kunt bevrijden van alle dogma’s is er ruimte voor ervaren.

Maar leegte betekent ook weer niet dat er helemaal niets bestaat. De dingen bestaan wel én niet, iets er tussenin eigenlijk. Ze hebben geen onafhankelijk ‘zelfbestaan’, maar ontstaan in wederzijdse afhankelijkheid. Alles is vergankelijk en afhankelijk van andere dingen. Nagarjuna noemt dat “het middenpad”, iets tussen de uitersten van bestaan en niet-bestaan in. Hij laat zien dat dit net zo goed geldt voor “het ik”, dat ook niet bestaat, maar ontstaat in afhankelijkheid, vergankelijk en hecht verbonden met de rest. Die vergankelijkheid willen we liever niet onder ogen zien, we dichten onszelf en de andere dingen een “zelfbestaan” toe.
 
 
De Grondregels van.. heeft een verre oorsprong, die teruggaat naar de 1e eeuw voor onze jaartelling naar een beweging waaruit later het Mahayana boeddhisme is ontstaan. In die kringen werd de Prajnaparamitasutra (’Leerrede van de transcendente wijsheid’) geschreven. Een nieuwe  boodschap, alleen bestemd voor een elite (!). Inmiddels zijn er meerdere versies van. 
 
Maar misschien lijkt het inzicht van deze sutra’s en Nagarjuna alleen maar nieuw. Hoogcarspel suggereert dat de Boeddha al op hetzelfde spoor zat. Die vroeg zich lange tijd af of iemand zijn nieuwe inzichten wel zou begrijpen. Het eerste onderricht (dat later werd opgeschreven) lijkt helemaal niet zo diepzinnig. Luxe of strenge onthouding leiden niet tot verlossing, je kunt beter maat houden met alles (Boeddha noemt dit de middenweg). Niet omdat het ongezond is, of zonde van je tijd, maar omdat het zo irrelevant is. Je moet lichaam en wereldse gehechtheden niet overwinnen, maar begrijpen. Een inzicht van een totaal andere orde dus. Hoogcarspel: “Nagarjuna haalt een leerrede aan, waarin Boeddha spreekt over de middenweg als het verwerpen van het zijn en het niet zijn van de dingen. Mogelijk staat de leer van de transcendente wijsheid dichter bij het onderricht van de Boeddha dan je op het eerste gezicht zou zeggen”.

De centrale boodschap van de ‘nieuwe’ teksten is dat inspiratie, discipline, mededogen en goede werken niet helpen om een boeddha te worden. Het gaat nu om het inzicht dat bevrijding niet in het verlengde van de wereldse idealen ligt, maar daar juist haaks op staat. Monniken (en heiligen) zijn niet dichter bij de verlossing dan gewone mensen. Integendeel, zij denken nog helemaal volgens wereldse patronen en streven naar beloning en veiligheid en waardering.

De echte verlossing is een sprong in een heel andere denkwijze, of ‘taalspel’. Regeltjes en veel mediteren zijn ‘uit’ en de perfecte boeddhist is dan iemand die de transcendente wijsheid begrijpt en alle normen en feiten van de samenleving ziet als het spel van de wereld. De wereld bestaat niet zozeer, maar wordt gedaan. Beloning (bezit, reputatie) is buiten het spel (de wereld) niets waard. Om dat te begrijpen moet je de binding met het spel doorbreken. Loskomen van geloof in begrippen en dogma’s is loskomen van lijden. De bevrijding is in het hier en nu, in het alledaagse leven te vinden en kan door iedereen bereikt worden. Daar hoef je geen monnik voor te zijn, het enige dat je nodig hebt is rust en gelegenheid tot nadenken.

Wordt vervolgd.

  

bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
 
Michiel Leezenberg
interview door Femke van Hout
Filosofie Magazine, 9 sept 2024