Vervolg van de vorige blogpost. Erik Hoogcarspel maakt zijn vertaling van en commentaar op Nagarjuna’s Grondregels… extra ingewikkeld door het woord substanties te gebruiken en daarbij op een onjuiste manier Spinoza te betrekken.
Substanties, zegt Hoogcarspel, zijn dingen met vaste eigenschappen. Hij noemt een stoel als voorbeeld. Terwijl Jan Knol, zo zagen wij, in zijn boek over Spinoza vermeldt dat er maar één substantie is, namelijk God.
En ook in het boek van Margot Brouwer lees ik dat er maar twee soorten dingen zijn:
Spinoza definieert God als een absoluut oneindig wezen, dat wil zeggen een substantie die uit een oneindig aantal attributen* bestaat, die elk een eeuwige en oneindige essentie uitdrukken.
(*attribuut: een manier om de essentie van een substantie te ervaren of te interpreteren, voorbeelden: de fysieke werkelijkheid, het denken)
toont dit aan en komt dan aanzetten met het eventuele bestaan van een speciale substantie (Brouwer noemt dit even een ‘supersubstantie’) met een oneindig aantal attributen. Zou dat bestaan?, vraagt Spinoza zich af. En ja, al redenerend komt hij uiteindelijk met zijn godsbewijs. Dus “God, oftewel een substantie die uit een oneindig aantal attributen bestaat, die ieder een eeuwige en oneindige essentie uitdrukken, bestaat noodzakelijk.” noteert hij in zijn Ethica.
“Kort gezegd: wanneer je ervan uitgaat dat alles wat er bestaat een oorzaak of reden moet hebben, kom je met consequent doorredeneren uit op het bestaan van Spinoza’s God”, vat Brouwer de zaak samen, maar erkent hierbij de onvermijdelijke cirkelredenering. Spinoza’s verhaal komt eigenlijk hier op neer: “als alles wat bestaat een oorzaak heeft, dan moet er een eeuwig en oneindig ‘iets’ zijn dat zichzelf veroorzaakt, waar alle andere dingen logisch uit kunnen voortvloeien. En dit ‘iets’ noemt hij God.”
