Maarten ’t Hart en de dood (1-2)
Ik droomde een keer dat ik bij de wastafel in mijn badkamer stond. Er lag water onder vanwege een lekkende sifon. Dat was flink balen (ik heb een lange geschiedenis met lekkages), maar ineens besefte ik dat dit misschien een droom was. Om dat te testen bukte ik om even mijn handen door het water te halen, want dat kun je in een droom niet voelen, dacht ik. Maar helaas, kletsnat natuurlijk. Wat een opluchting toen ik wakker werd!
Toch schijnen er wel dingen te zijn die je in een droom niet kunt doen. Klokkijken bijvoorbeeld, of lezen. Maarten ’t Hart (1944) beweert iets anders. In zijn ‘persoonlijke kroniek 1999’ (Een deerne in lokkend postuur) herinnert hij zich een ‘ongewoon heldere droom’ uit 1971 waarin hij de krant las, en daarbij zijn eigen overlijdensadvertentie tegenkwam. Hij prentte zich de datum scherp in: 14 april 1987. Lange tijd heeft hij gedacht dat de droom zou uitkomen, maar die angst (?) is inmiddels (1999) door de tijd ingehaald. Toch betwijfelt Maarten nog steeds of hij het jaar 2000 wel zal halen, want gelet op zijn enorme roekeloosheid in het verkeer is het ‘een groot wonder dat hij nog steeds leeft’.
Is hier (onbewust) sprake van een doodswens? In hetzelfde boek lees ik bij 17 september een indringende passage, getiteld Thanatos (de god van de zachte dood). Hier beschrijft Maarten hoe hij vanuit de woonkamer van zijn zus het balkon oploopt. Ze woont hoog in een flat met een schitterend uitzicht. Het is zonnig warm met een goudkleurig en betoverend septemberlicht. Hij staat daar en kijkt naar beneden en voelt zich sprakeloos gelukkig. Diep onder hem ligt een zonovergoten groen grasveld. Hij herinnert zich psalmteksten en denkt aan het heelal, mysterieus maar doelloos.
Terwijl hij zich dicht tegen de balkonrand aandrukt lijkt het haast alsof het grasveld zich aanbiedt. Zwevend op de vleugels van de wind zou hij er vredig op kunnen neerdalen. Hij moet alleen even op die rand klauteren. De wind suist, achter hem de stemmen uit de kamer, en naarmate de seconden verstrijken lijkt het steeds aanlokkelijker om te springen. Aan al zijn problemen zou in één klap een einde komen. Hij somt ze voor ons op. Geen ondraaglijk lijden zo te zien, maar irritante ongemakken en werkdruk en allerlei verplichtingen. Dan ziet hij op het grasveld een meisje met een hondje en denkt dan aan zijn eigen hondje Roef. Het kost hem nog wel de grootste moeite om zich weer los te maken van die balkonrand, want ‘wat kan het opeens geweldig aantrekkelijk lijken om dood te zijn!’
Is dit verhaal geïnspireerd door het werk van T.F. Powys (1875-1953)? Maarten ’t Hart zou een bewonderaar zijn van deze merkwaardige Engelse schrijver, maar dat heb ik nergens concreet kunnen vinden. Bij Powys is de dood een list van de natuur om je je leven afhandig te maken, maar tegelijk de enige uitweg uit de misère.
