Vervolg van de vorige blogpost. Via Nagarjuna ben ik dus bij Spinoza terechtgekomen. Erik Hoogcarspel gebruikt in zijn vertaling van Nagarjuna’s Grondregels… regelmatig het woord ‘substantie’, maar op een andere manier dan Spinoza.
In de vorige blogpost zagen we dat er volgens Spinoza maar één (‘super’)substantie is, namelijk God. Die is oneindig, er kan dus geen andere substantie naast bestaan. Enkel God bestaat. En aangezien er maar één Substantie bestaat, is God de uiteindelijke oorzaak van alle bestaanswijzen. Alle dingen die niet zichzelf veroorzaken worden door God verklaard of veroorzaakt. Ze bestaan, zegt Spinoza, ‘in God’. Margot Brouwer geeft in haar boek een mooi rijtje voorbeelden: “planten, dieren, mensen, jijzelf, zon, maan, sterren, de natuurwetten en zelfs het universum”. En Jan Knol doet hetzelfde in zijn boek: “stenen, tijgers, kleuren, gassen, politiek, vakbonden en mensen en eindeloos zo voort”. Zoals we al zagen in de vorige blogpost worden al deze dingen modi genoemd.
Er is dus die nieuwe leer van de transcendente wijsheid, en Nagarjuna wil die filosofisch onderbouwen. Volgens hem breekt het inzicht door zodra iemand ophoudt overal substanties te zien, dat wil zeggen iemand ziet wel substanties maar is er tegelijk van doordrongen dat die er niet zijn. Om de zaken minder ingewikkeld te maken, houd ik hier even het woord substanties aan in de betekenis die Hoogcarspel (en “de filosofie”) er aan geeft, dus “iets dat uit zichzelf bestaat en dat zélf voor z’n kenmerken zorgt”. Ook Hoogcarspel komt met een paar voorbeelden: letters, spoorboekje, windkracht. Wij hebben net gezien dat Spinoza dit modi noemt, en dat ze niet uit zichzelf bestaan! Beweren Nagarjuna en Spinoza nu hetzelfde?
