Verder met Nagarjuna’s Grondregels…, vers 3 van hoofdstuk 1.
Nagarjuna stelt dat er geen onafhankelijke oorzaken en gevolgen bestaan, en dat ‘de dingen’ hun zelfbestaan niet uit hun oorzaak halen. Ook de rest van het hoofdstuk gaat voornamelijk over wel of niet oorzaak en gevolg. Ik heb daar inmiddels veel over nagedacht en ook wel gediscussieerd, maar blijf er toch wat moeite mee houden. En ook voorzichtig, denk aan de woorden van Padmasambhava: “Hoewel mijn Zicht zo ruim is als de hemel, zijn mijn handelen en mijn eerbied voor oorzaak en gevolg zo fijn als meel”.
Kan het zijn dat deze stijl van uitleg mij niet ligt? Het eindeloos filosofisch geredeneer. Of is het hier juist de bedoeling dat je ‘woordenmoe’ en murw van langdurig overpeinzen een inzicht krijgt? Je vastgeroeste logische denkpatroon doorbroken, op een koan-achtige wijze? Intuïtief kan ik mij best een Nu voorstellen, of Leegte waarbij alles in een constante transitie verkeert, in samenhang met alles. Zodanig in beweging dat er nooit een ‘vast’ etiket opgeplakt kan worden.
Hoe verder? In zijn commentaar bij de tekst noemt vertaler Erik Hoogcarspel zijdelings een boeddhistische stroming waar Nagarjuna zich speciaal tot richt. Waarom doet Nagarjuna dat? Iets meer uitleg daarover zou zijn tekst wellicht wat begrijpelijker en minder abrupt maken. Op internet vind ik meer informatie over deze Sarvastivadins. Heel in het kort: een invloedrijke vroege boeddhistische school die gelooft dat alle dharma's (fenomenen) bestaan in het verleden, heden en de toekomst. De essentie van de werkelijkheid is permanent, zelfs als verschijnselen veranderen.
De Sarvastivadins gaan er van uit dat de dagelijks waarneembare wereld niet werkelijk bestaat, maar is opgebouwd uit ontelbare kleine elementen (dharma’s). Alleen deze dharma’s bestaan echt en dan ook nog maar voor héél even. Het is momentariteit, de voortdurende vergankelijkheid en verandering van alle verschijnselen. Ze ontstaan, veranderen direct en vergaan weer, wat leidt tot de filosofie van 'afhankelijk ontstaan'. De zogenaamde werkelijkheid bestaat uit een aaneenschakeling van losse momenten.
