donderdag 26 maart 2026

Prajnaparamitasutra

Nagarjuna 2

Grondregels van de filosofie van het midden is het meest bekende werk van Nagarjuna. Ik lees nu (langzaam aan) de vertaling van Erik Hoogcarspel uit 2005. De vorige blogpost en deze gaan over de inleiding van dit boek, en hoe belangrijk het ontdekken van de leegte is. Nagarjuna’s leer is radicaal en lijkt in de eerste instantie ingewikkeld. Alle dingen (en personen) zijn leeg, zij bestaan niet echt. Het zijn illusies, evenals de begrippen waarmee je denkt, dat zijn ook alleen maar hulpmiddelen. Als je je kunt bevrijden van alle dogma’s is er ruimte voor ervaren.

Maar leegte betekent ook weer niet dat er helemaal niets bestaat. De dingen bestaan wel én niet, iets er tussenin eigenlijk. Ze hebben geen onafhankelijk ‘zelfbestaan’, maar ontstaan in wederzijdse afhankelijkheid. Alles is vergankelijk en afhankelijk van andere dingen. Nagarjuna noemt dat “het middenpad”, iets tussen de uitersten van bestaan en niet-bestaan in. Hij laat zien dat dit net zo goed geldt voor “het ik”, dat ook niet bestaat, maar ontstaat in afhankelijkheid, vergankelijk en hecht verbonden met de rest. Die vergankelijkheid willen we liever niet onder ogen zien, we dichten onszelf en de andere dingen een “zelfbestaan” toe.
 
 
De Grondregels van.. heeft een verre oorsprong, die teruggaat naar de 1e eeuw voor onze jaartelling naar een beweging waaruit later het Mahayana boeddhisme is ontstaan. In die kringen werd de Prajnaparamitasutra (’Leerrede van de transcendente wijsheid’) geschreven. Een nieuwe  boodschap, alleen bestemd voor een elite (!). Inmiddels zijn er meerdere versies van. 
 
Maar misschien lijkt het inzicht van deze sutra’s en Nagarjuna alleen maar nieuw. Hoogcarspel suggereert dat de Boeddha al op hetzelfde spoor zat. Die vroeg zich lange tijd af of iemand zijn nieuwe inzichten wel zou begrijpen. Het eerste onderricht (dat later werd opgeschreven) lijkt helemaal niet zo diepzinnig. Luxe of strenge onthouding leiden niet tot verlossing, je kunt beter maat houden met alles (Boeddha noemt dit de middenweg). Niet omdat het ongezond is, of zonde van je tijd, maar omdat het zo irrelevant is. Je moet lichaam en wereldse gehechtheden niet overwinnen, maar begrijpen. Een inzicht van een totaal andere orde dus. Hoogcarspel: “Nagarjuna haalt een leerrede aan, waarin Boeddha spreekt over de middenweg als het verwerpen van het zijn en het niet zijn van de dingen. Mogelijk staat de leer van de transcendente wijsheid dichter bij het onderricht van de Boeddha dan je op het eerste gezicht zou zeggen”.

De centrale boodschap van de ‘nieuwe’ teksten is dat inspiratie, discipline, mededogen en goede werken niet helpen om een boeddha te worden. Het gaat nu om het inzicht dat bevrijding niet in het verlengde van de wereldse idealen ligt, maar daar juist haaks op staat. Monniken (en heiligen) zijn niet dichter bij de verlossing dan gewone mensen. Integendeel, zij denken nog helemaal volgens wereldse patronen en streven naar beloning en veiligheid en waardering.

De echte verlossing is een sprong in een heel andere denkwijze, of ‘taalspel’. Regeltjes en veel mediteren zijn ‘uit’ en de perfecte boeddhist is dan iemand die de transcendente wijsheid begrijpt en alle normen en feiten van de samenleving ziet als het spel van de wereld. De wereld bestaat niet zozeer, maar wordt gedaan. Beloning (bezit, reputatie) is buiten het spel (de wereld) niets waard. Om dat te begrijpen moet je de binding met het spel doorbreken. Loskomen van geloof in begrippen en dogma’s is loskomen van lijden. De bevrijding is in het hier en nu, in het alledaagse leven te vinden en kan door iedereen bereikt worden. Daar hoef je geen monnik voor te zijn, het enige dat je nodig hebt is rust en gelegenheid tot nadenken.

Wordt vervolgd.

  

bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
 
Michiel Leezenberg
interview door Femke van Hout
Filosofie Magazine, 9 sept 2024