dinsdag 5 mei 2026

Modi

Nagarjuna 6

Vervolg van de vorige blogpost. Via Nagarjuna ben ik dus bij Spinoza terechtgekomen. Erik Hoogcarspel gebruikt in zijn vertaling van Nagarjuna’s Grondregels… regelmatig het woord ‘substantie’, maar op een andere manier dan Spinoza.

In de vorige blogpost zagen we dat er volgens Spinoza maar één (‘super’)substantie is, namelijk God. Die is oneindig, er kan dus geen andere substantie naast bestaan. Enkel God bestaat. En aangezien er maar één Substantie bestaat, is God de uiteindelijke oorzaak van alle bestaanswijzen. Alle dingen die niet zichzelf veroorzaken worden door God verklaard of veroorzaakt. Ze bestaan, zegt Spinoza, ‘in God’. Margot Brouwer geeft in haar boek een mooi rijtje voorbeelden: “planten, dieren, mensen, jijzelf, zon, maan, sterren, de natuurwetten en zelfs het universum”. En Jan Knol doet hetzelfde in zijn boek: “stenen, tijgers, kleuren, gassen, politiek, vakbonden en mensen en eindeloos zo voort”. Zoals we al zagen in de vorige blogpost worden al deze dingen modi genoemd.

De substantie, zegt Jan Knol, drukt zich via de attributen materie en geest uit in eindeloos veel modi (verschijningsvormen). Eindige, tijdelijke openbaringen van het eeuwige universum (God), waarin alles bestaat, verrijst en weer ondergaat. Wij beschouwen al die dingen als opzichzelfstaand, maar dat is dus fout. Zij zijn “in iets anders”, namelijk in de attributen van de ene substantie, en kunnen (en moeten) alleen van daaruit begrepen worden. Alles hangt van iets anders af, niets is zijn eigen oorzaak, of bestaat uit eigen kracht. Alles en iedereen is van elkaar afhankelijk. Modi hebben altijd hun oorzaak in iets wat op zijn beurt zijn oorzaak heeft in iets wat op zijn beurt ook weer zijn oorzaak heeft in iets en eindeloos zo voort. Maar uiteindelijk komt je dan uit bij God, de oorzaak die zonder oorzaak is, de oorzaak van alles. Alleen God is zijn eigen oorzaak en van niets afhankelijk om te kunnen bestaan en begrepen te kunnen worden.
 
 
Terug naar Nagarjuna en zijn Grondregels… en de inleiding door vertaler Erik Hoogcarspel.

Er is dus die nieuwe leer van de transcendente wijsheid, en Nagarjuna wil die filosofisch onderbouwen. Volgens hem breekt het inzicht door zodra iemand ophoudt overal substanties te zien, dat wil zeggen iemand ziet wel substanties maar is er tegelijk van doordrongen dat die er niet zijn. Om de zaken minder ingewikkeld te maken, houd ik hier even het woord substanties aan in de betekenis die Hoogcarspel (en “de filosofie”) er aan geeft, dus “iets dat uit zichzelf bestaat en dat zélf voor z’n kenmerken zorgt”. Ook Hoogcarspel komt met een paar voorbeelden: letters, spoorboekje, windkracht. Wij hebben net gezien dat Spinoza dit modi noemt, en dat ze niet uit zichzelf bestaan! Beweren Nagarjuna en Spinoza nu hetzelfde?

Wordt vervolgd.
 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
  
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk 
 
Margot Brouwer
Sterrenstof zijn wij
Querido Facto, 2025