Posts tonen met het label taalgebruik. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taalgebruik. Alle posts tonen

dinsdag 9 juni 2026

Vier oorzaken

Nagarjuna 11

Sarvastivada, genoemd in de vorige blogpost, is een vroege boeddhistische school met interessante denkbeelden, op zich al genoeg voor een hele reeks blogposts. Misschien later? Als ik het goed begrepen heb zijn ze als verre voorloper ook van invloed geweest op het Tibetaans boeddhisme.

In het commentaar bij vers 3 van Nagarjuna’s Grondregels… brengt vertaler Erik Hoogcarspel naar voren dat de Sarvastivadins een dualistisch wereldbeeld hebben. Geest en materie zijn volledig verschillend en materie kan niet iets geestelijks veroorzaken. Maar omdat het wel duidelijk is dat de dingen om ons heen invloed hebben op onze geest, en dat dus niet met ‘gewone oorzakelijkheid’ verklaard kan worden, moeten er alternatieven bestaan, nieuwe oorzakelijkheid.

Hoogcarspel komt met het voorbeeld van letters in een boek. In feite zijn dat maar inktvlekjes, maar ze betekenen iets en kunnen daarom van veel invloed zijn op de geest van ons als lezers. Denk maar eens aan een belastingaanslag. Opvallend dat de vertaler hier met ‘letters’ komt aanzetten. Die vormen woorden, en daar heeft Sarvastivada iets mee. Fysieke en mentale onderwerpen bestaan niet werkelijk, las ik ergens, maar zijn opgebouwd uit dharma’s. Maar woorden, dat is een ander geval. Die zijn zelf dharma’s en bestaan dus wel. Er zijn drie soorten: (zelfstandig naam)woord, zin en geluid.


Er zijn vier soorten oorzaak, zegt Nagarjuna in vers 3. En géén vijfde, voegt hij daar nog aan toe. Waarom? Misschien speciaal voor de Sarvastivadins waar hij zich speciaal tot richt. Deze vier worden veelal aanvaard door allerlei boeddhistische stromingen:
 
1 de (effectieve) oorzaak
2 de objectoorzaak
3 de precedente oorzaak
4 de dominante oorzaak.

Hoogcarspel licht ze toe. Nummer 1 kennen we uit het dagelijks leven, ‘de gewone oorzaak’ zeg maar. Nummer 2, 3 en 4 zijn typisch boeddhistisch, bedoeld om (de gebeurtenissen binnen) ons bewustzijn te verklaren.

Objectoorzaken zijn de dingen zoals ze ons bij het waarnemen verschijnen, uitwendige oorzaken die ons bewustzijn bepalen en samen met de oorzaken binnen onze geest bepalen wat we denken.

De dominante oorzaak heet letterlijk ‘de hoogste heer’ – een verschijnsel dat overheerst heeft meer invloed op ons bewustzijn dan alle anderen. Twee soorten zijn er, objectief en subjectief. Hoogcarspel’s voorbeelden: 1. het is mooi weer, maar jij hebt griep en 2. het is mooi weer, maar er is een hond (waar jij een hekel aan hebt).

De precedente oorzaak bewaar ik voor de volgende blogpost.

 
 
bron:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

zondag 10 mei 2026

Taal

Nagarjuna 7

Vervolg van de vorige blogpost, waarin de voorzichtige conclusie getrokken werd dat vertaler Hoogcarspel’s substanties (in dit geval) hetzelfde zijn als Spinoza’s modi, waarvan zowel Nagarjuna als Spinoza lijken te beweren dat zij niet uit zichzelf bestaan. Maar bedoelen zij ook hetzelfde? Volgens Spinoza bestaat alleen God (Substantie), die eindeloos veel tijdelijke verschijningsvormen (modi) veroorzaakt, die allemaal van elkaar afhankelijk zijn.

Nagarjuna zegt dat alle dingen ontstaan in wederzijdse afhankelijkheid. En hij gaat nog veel verder, want volgens hem bestaan al die dingen eigenlijk niet eens. Hij toont aan dat die zogenaamde ‘zelfstandigheden’ (Hoogcarspel: ‘substanties’) onhoudbaar zijn. De dingen zijn duidelijk alleen maar wat ze zijn in onze ogen. Het is een kwestie van taal eigenlijk, en taal is geen afbeelding van de werkelijkheid, maar een benoemen ‘bij wijze van spreken’. Conventies, gewoonten, afspraken, de zogenaamde werkelijkheid is het speelveld van de taal, en daarom leeg van substantie/ zelfbestaan. Wat de taal noemt bestaat niet, maar is een inbeelding. Het belangrijkste obstakel voor inzicht is het geloof dat woorden naar op zich bestaande dingen verwijzen. (Zelfs de term ‘leegte’ is in sommige commentaren tot een nieuw soort substantie geworden!)
 

We moeten ons losmaken van de taal. Dat lijkt onmogelijk want er zijn altijd gedachten bijvoorbeeld, maar Nagarjuna verwijst naar momenten van diepe innerlijke vrede, waarin de dingen zijn opgehouden te bestaan. Maak de zaak eens wat transparanter door het lezen van (zijn) geschriften, denk er over na. Hopelijk leidt dat dan tot transcendente wijsheid: een totale omslag van jouw manier van denken, en waarbij je niet langer het spel van de wereld voor absoluut aanneemt. Uiterlijk zal er weinig veranderen, maar je ziet het als een spel en investeert niet meer. De begeerte naar zijn of niet zijn is weg, de illusie van de wereld, het idee dat je iets kunt gewinnen of verliezen is doorbroken. Meer esthetisch plezier, minder bezig zijn met nut en voordeel. Een heel andere manier van leven.

Wordt vervolgd.

 
 
bron:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

woensdag 29 april 2026

Substantie

Nagarjuna 4

Verder met de Grondregels… van Nagarjuna, hoofdstuk 1. De vorige keer eindigde met een opmerking over het woord substanties, dat vertaler Erik Hoogcarspel op een (voor mij) verwarrende wijze gebruikt. Substantie namelijk, heeft in de filosofie meestal, en bij Spinoza (1632-1677) al  helemaal, een geheel andere betekenis. Ik zag hier liever het woord zelfbestaan, dat ik in de nieuwe vertaling van Michiel Leezenberg tegenkwam. Dus: Nagarjuna wijst ons in vers 1 en 14 erop dat oorzaak en gevolg géén zelfbestaan hebben. De vertaling van Leezenberg ken ik verder (nog) niet, maar ik zag dat ‘oorzaak’ bij hem ook wel ‘conditie’ heet (in de betekenis van ‘toestand’ of ‘voorwaarde’), en ‘gevolg’ heet dan ‘actie’ of ‘effect’. Dat past soms inderdaad beter, maar ‘oorzaak en gevolg’ klinken dan weer boeddhistischer.

In vers 2 (de volgorde van 2 en 3 zou ooit omgedraaid zijn) zegt Nagarjuna dat in de oorzaken van dingen geen zelfbestaan zit, en als er geen zelfbestaan is, dan is er ook geen ander bestaan.

Hoogcarspel gebruikt ook hier weer ‘substantie’ en vermeldt dat dit woord een vertaling is van (Sanskriet) svabhava dat ‘uit zichzelf zijn’ betekent, wat dan ook weer de gebruikelijke filosofische definitie van het begrip substantie zou zijn. Een substantie heeft vaste eigenschappen, ‘gekend’ of waargenomen, of niet, dat maakt niet uit. Hij is wat hij is. Hoogcarspel geeft een ‘stoel’ als voorbeeld en noemt als tegenhanger een ‘woord’. Want dat bestaat niet uit zichzelf, maar op grond van een conventie, namelijk de betekenis die wij er aan geven en die zichzelf niet toont maar geleerd moet worden. Volgens Hoogcarspel is dat wat betreft het woord substantie ‘zelfstandigheid’ in de filosofische betekenis en ‘spul’ of ‘goedje’ in een andere.

Vervolgens maakt hij zijn uitleg nodeloos extra ingewikkeld door Spinoza erbij te betrekken en diens definitie te citeren: ‘iets dat uit zichzelf bestaat en uit zichzelf gekend wordt’. Dat klopt, maar Spinoza bedoelt hier wel iets heel anders en zeker geen stoel! Er is maar één substantie, en dat is God. Ik pak het dunne boekje van Jan Knol en het dikke van Margot Brouwer er maar eens bij.

Knol zegt dat Spinoza voor God heel vaak het woord substantie gebruikt, en dat dit van het Latijnse woord substare komt, dat letterlijk ‘eronder staan’ betekent. God is de ene substantie die is. Al wat bestaat, maakt deel uit van deze ene substantie die onveranderlijk, onvergankelijk, allesomvattend en de fundering van alles is.

Wordt vervolgd.

 
 
bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
  
Jan Knol
En je zult spinazie eten
Wereldbibliotheek 2016, tiende druk

zondag 12 april 2026

Oorzakelijkheid

Nagarjuna 3

Na de inleiding HIER en HIER door Erik Hoogcarspel ben ik bij Hoofdstuk 1 (“Oorzakelijkheid”) beland van zijn vertaling van Nagarjuna’s Grondregels… Dit bestaat uit 14 verzen of karika’s.

En ik moet eerlijk bekennen: dat valt niet mee, in de eerste instantie. Nu schijnt Nagarjuna algemeen erkend ‘moeilijk’ te zijn, maar toch. En dan een heel ander moeilijk dan het Tibetaans Dodenboek, met z’n situaties, taferelen en figuren. Dit zijn korte bondige stellingen en vragen, kortom filosofie. Het geheel komt op mij over als een spel met taal (en de lezer). Hoe moet ik dit ooit in blogvorm gaan gieten? Waar ben ik aan begonnen en wat een overmoed. Ik zie dat de onderwerpen van sommige hoofdstukken mij extra aanspreken, maar ik besluit toch maar de gebruikelijke volgorde aan te houden, hopelijk wordt alles dan langzamerhand toch duidelijker. En misschien is het beter om een aantal kortere blogposts achter elkaar te plaatsen in plaats van één enorme lap tekst.

Maar na aandachtig lezen en overpeinzen merk ik dat de tekst eigenlijk best goed te begrijpen is. Bloggen om het voor mijzelf duidelijk te krijgen is dus eigenlijk niet meer nodig. Een ‘samenvatting’ dan? Dat is onmogelijk, Nagarjuna’s tekst is al enorm ingedikt en ter zake, korter kan niet. Toch wil ik graag een aantal blogpost maken over dit belangrijke boek. Ik zal er wat dingen uitlichten die me opvallen of me extra bezig houden.
 
 
Nagarjuna is dus nogal ‘ter zake’, dat wordt al duidelijk bij het eerste vers van dit eerste hoofdstuk. Hij begint hier plompverloren en zonder verdere intro met een kritiek op ‘oorzakelijkheid’, kennelijk belangrijk. Voor ons bestaat iets alleen als het een oorzaak of gevolg heeft. Onze ‘werkelijkheid’ is een structuur van oorzaken en gevolgen. Iedereen gelooft dat en vaak ten onrechte. Nagarjuna is van mening dat we ons hierdoor in het dagelijks leven telkens laten beetnemen. Reclame maakt daar trouwens ook handig misbruik van.

Er is nooit iets ontstaan, zegt Nagarjuna, helemaal niets, wat dan ook en hoe dan ook, niet uit zichzelf of uit iets anders, en ook niet zonder een oorzaak. Hij gaat door met redeneren, schrappen en vragen stellen, en komt bij vers 14 met een soort conclusie tot nu toe. Het ontstaan en dus bestaan van gevolgen is niet houdbaar, omdat iets ofwel een oorzaak is, ofwel niet, en bewezen is dat oorzaken niet kunnen voortkomen uit één van beide soorten dingen. En als er dus geen gevolgen bestaan, zijn er ook geen oorzaken, en dus ook geen dingen die geen oorzaak zijn. Is dit een cirkelredenering? Volgens Hoogcarspel ontkent Nagarjuna niet dat er zoiets bestaat als oorzaak en gevolg , want hij verwijst regelmatig naar dagelijkse dingen waarin ze een rol spelen, maar verwijt Nagarjuna zijn tegenstanders (en ons!!) oorzaak en gevolg te zien als iets met zelfbestaan. Erik Hoogcarspel gebruikt hier het woord substanties. Dat vind ik erg verwarrend. Daarover volgende keer meer.

 
 
bron:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005

donderdag 26 maart 2026

Prajnaparamitasutra

Nagarjuna 2

Grondregels van de filosofie van het midden is het meest bekende werk van Nagarjuna. Ik lees nu (langzaam aan) de vertaling van Erik Hoogcarspel uit 2005. De vorige blogpost en deze gaan over de inleiding van dit boek, en hoe belangrijk het ontdekken van de leegte is. Nagarjuna’s leer is radicaal en lijkt in de eerste instantie ingewikkeld. Alle dingen (en personen) zijn leeg, zij bestaan niet echt. Het zijn illusies, evenals de begrippen waarmee je denkt, dat zijn ook alleen maar hulpmiddelen. Als je je kunt bevrijden van alle dogma’s is er ruimte voor ervaren.

Maar leegte betekent ook weer niet dat er helemaal niets bestaat. De dingen bestaan wel én niet, iets er tussenin eigenlijk. Ze hebben geen onafhankelijk ‘zelfbestaan’, maar ontstaan in wederzijdse afhankelijkheid. Alles is vergankelijk en afhankelijk van andere dingen. Nagarjuna noemt dat “het middenpad”, iets tussen de uitersten van bestaan en niet-bestaan in. Hij laat zien dat dit net zo goed geldt voor “het ik”, dat ook niet bestaat, maar ontstaat in afhankelijkheid, vergankelijk en hecht verbonden met de rest. Die vergankelijkheid willen we liever niet onder ogen zien, we dichten onszelf en de andere dingen een “zelfbestaan” toe.
 
 
De Grondregels van.. heeft een verre oorsprong, die teruggaat naar de 1e eeuw voor onze jaartelling naar een beweging waaruit later het Mahayana boeddhisme is ontstaan. In die kringen werd de Prajnaparamitasutra (’Leerrede van de transcendente wijsheid’) geschreven. Een nieuwe  boodschap, alleen bestemd voor een elite (!). Inmiddels zijn er meerdere versies van. 
 
Maar misschien lijkt het inzicht van deze sutra’s en Nagarjuna alleen maar nieuw. Hoogcarspel suggereert dat de Boeddha al op hetzelfde spoor zat. Die vroeg zich lange tijd af of iemand zijn nieuwe inzichten wel zou begrijpen. Het eerste onderricht (dat later werd opgeschreven) lijkt helemaal niet zo diepzinnig. Luxe of strenge onthouding leiden niet tot verlossing, je kunt beter maat houden met alles (Boeddha noemt dit de middenweg). Niet omdat het ongezond is, of zonde van je tijd, maar omdat het zo irrelevant is. Je moet lichaam en wereldse gehechtheden niet overwinnen, maar begrijpen. Een inzicht van een totaal andere orde dus. Hoogcarspel: “Nagarjuna haalt een leerrede aan, waarin Boeddha spreekt over de middenweg als het verwerpen van het zijn en het niet zijn van de dingen. Mogelijk staat de leer van de transcendente wijsheid dichter bij het onderricht van de Boeddha dan je op het eerste gezicht zou zeggen”.

De centrale boodschap van de ‘nieuwe’ teksten is dat inspiratie, discipline, mededogen en goede werken niet helpen om een boeddha te worden. Het gaat nu om het inzicht dat bevrijding niet in het verlengde van de wereldse idealen ligt, maar daar juist haaks op staat. Monniken (en heiligen) zijn niet dichter bij de verlossing dan gewone mensen. Integendeel, zij denken nog helemaal volgens wereldse patronen en streven naar beloning en veiligheid en waardering.

De echte verlossing is een sprong in een heel andere denkwijze, of ‘taalspel’. Regeltjes en veel mediteren zijn ‘uit’ en de perfecte boeddhist is dan iemand die de transcendente wijsheid begrijpt en alle normen en feiten van de samenleving ziet als het spel van de wereld. De wereld bestaat niet zozeer, maar wordt gedaan. Beloning (bezit, reputatie) is buiten het spel (de wereld) niets waard. Om dat te begrijpen moet je de binding met het spel doorbreken. Loskomen van geloof in begrippen en dogma’s is loskomen van lijden. De bevrijding is in het hier en nu, in het alledaagse leven te vinden en kan door iedereen bereikt worden. Daar hoef je geen monnik voor te zijn, het enige dat je nodig hebt is rust en gelegenheid tot nadenken.

Wordt vervolgd.

  

bronnen:
Nagarjuna
Grondregels van de filosofie van het midden
Vertaling en commentaar: Erik Hoogcarspel
Olive Press, 2005
 
Michiel Leezenberg
interview door Femke van Hout
Filosofie Magazine, 9 sept 2024

zaterdag 18 september 2021

Verlicht of vertrokken

Boeddhistisch leraar Sebo Ebbens (1945) schreef een boek over goed leven en sterven volgens het Tibetaans boeddhisme. In 2019 werd hij daarover geïnterviewd voor Trouw. Ebbens hoopt met zijn boek* angst te verminderen en mensen te helpen zich met de dood te verzoenen. Zowel met hun eigen dood, als die van geliefden. In een vorige blogpost zagen we hoe het Tibetaans Dodenboek (Bardo Thödol) voor Ebbens van grote waarde was bij het rouwproces na het overlijden van zijn zoon. 

Veel mensen ontkennen de dood, zijn erg bang en praten er liever niet over. Ebbens zegt zelf ook bang te zijn voor de dood, hij is er nog niet aan toe, maar benadrukt dat het gewoon een feit is. Je kunt hoog en laag springen, het gebeurt (nu) eenmaal. Erken dit. Loop eens een halve dag door het ziekenhuis, zegt hij, besef dat je ziek kunt worden en dood kunt gaan. De kwaliteit van je leven neemt namelijk toe, naarmate je meer bewust bent van de eindigheid ervan. Als je een goed en intensief leven geleefd hebt, kun je beter omgaan met je sterven. Door aandachtig te leven, zie je dat de cyclus van leven en dood voortdurend plaatsvindt. Als je dit herkent, ben je veel meer in het hier en nu. Je beseft dat echt alles tijdelijk is. Het begrip tijdelijkheid is eigenlijk een vorm van sterven.

Het boeddhisme leert je omgaan met dingen als pijn, verlies en ongemak. Als je lijdt kun je daar wat aan doen. “Overlijden” vindt Ebbens een interessant woord. Het zou suggereren dat je pas over het lijden heen komt als je dood bent. Typisch Nederlands vindt hij dat, en nogal calvinistisch. En vooral onjuist. Je kunt namelijk ook tijdens het leven al stoppen met lijden, over het lijden heen komen. Dat is het doel van het boeddhisme, dan ben je verlicht, dan leef je volledig hier en nu. Dood of niet dood is dan niet meer belangrijk. Dan is de dood er nooit, of altijd. Overlijd dus al tijdens je leven. Accepteer de tijdelijkheid van het bestaan. Heb mededogen en vriendelijkheid voor jezelf. Veel mensen vinden zichzelf onaangenaam. Er is een diepgeworteld idee van fundamenteel tekortschieten. Dat is calvinistisch, weg ermee! Anders kom je nooit van het lijden af.

Een paar dagen later al, in dezelfde krant, wordt Sebo Ebbens interpretatie van het woord overlijden onderuitgehaald. In het taalrubriekje legt Ton den Boon uit “dat overlijden al in de Middeleeuwen is afgeleid van het werkwoord lijden, toen dat nog niet pijn of verdriet hebben betekende, maar vertrekken of simpelweg gaan. Overlijden betekent dan ook niet dat bij iemands dood het leed geleden is, maar dat de gestorvene weg is, of ‘overgegaan’ naar een andere toestand”, kortom: vertrokken.


*Sebo Ebbens 
  Op de golven van geboorte en dood; 
  Goed leven en sterven in boeddhistisch perspectief 
  Asoka, 2019

Er is ook een website HIER.

 

bronnen: 
diverse interviews uit 2019 
belangrijkste bron: 
Interview door Bas Roetman in Trouw  HIER

zaterdag 22 augustus 2020

Hemelrente

Over hemelrente hoor je niet zo veel meer tegenwoordig. Het is een verouderd begrip geworden. Met hemelrente (of loon in het hiernamaals) wordt bedoeld: een beloning in de hemel voor goeddoen op aarde. Het idee is al heel oud. De Rooms-katholieke geloofsleer beloofde een schat in de hemel voor tijdens je leven verrichtte goede werken. Christenen uit de vijfde en zesde eeuw gingen hier met veel fantasie mee om. Zij stelden zich de hemel voor als een plek waar voor elke aardse weldoener een schatkamer wordt ingericht. Via aalmoezen voor de armen bouwden gelovigen aan een huis (voor zichzelf) in de hemel.

G.F. Hooijer, een gereformeerde emeritus predikant, promoveerde in 2019 op een studie naar het begrip hemelrente in de Republiek der 7 Verenigde Nederlanden tussen 1600-1800, getiteld “…geen beter renten”. In de Gouden Eeuw betekende hemelrente een mooie beloning in het hiernamaals voor wie nu liefdadige giften aan de armen schonk. De armenzorg in ‘Nederland’ had een breed draagvlak. Hooijer toont in zijn onderzoek aan dat er hier niet (alleen) eigenbelang in het spel was, maar dat er ook sprake was van algemeen belang. Hemelrente diende als een aansporing tot het continu geven voor armenzorg. Een aanmoediging vanuit de kerk, maar ook vanuit de overheid. Godsdienstige termen waren in de 17e en 18e eeuw gewoon de taal van alledag. Hooijer onderzoekt allerlei soorten geefgedrag, bijvoorbeeld de christenplicht. Er zijn grote verschillen tussen protestanten en Rooms-katholieken.


Het denken over dood en het leven in het hiernamaals is in de loop van de tijd sterk veranderd. In de eerste eeuwen van het christendom is er nauwelijks aandacht voor de individuele ziel. Je sterft niet voor de onsterfelijkheid, maar voor de wederopstanding. God zal dan alles nieuw maken en het is de moeite waard daarop te wachten. Vanaf de derde eeuw wordt de ziel gezien als een onsterfelijke geestelijke substantie, die in de hemel thuishoort. Er is een grote interesse tot in detail voor het lot van de individuele ziel na de dood en in de periode tot de wederopstanding.

De dood is het begin van een reis. Elke ziel gaat in zijn eigen tempo via een onzeker traject naar de hemel of de hel. De reis wordt beïnvloed door alle zonden en verdiensten uit zijn aards bestaan, en er is nog geen sprake van de hemelse zaligheid. Eerst moet er zuivering plaatsvinden van de niet (volledig) voldane schuld door misstappen. Op grond van Bijbelteksten concluderen theologen dat er een vagevuur bestaat. Een plek waar (behalve de heiligen en martelaren) alle zielen terechtkomen. De zondeschuld wordt afbetaald door verblijf in het vagevuur. Goede werken worden beloond met bekorting van het verblijf in het vagevuur.

In de protestante geloofsleer ligt dat heel anders. Leven in het hiernamaals wordt door God uit genade geschonken op basis van geloof van de mens. Zondeschuld wordt uit genade vergeven en niet door het verrichten van goede werken. Maar goede werken worden wel van de gelovige verwacht. Deze voelt zich daartoe verplicht uit dankbaarheid voor de hem geschonken genade.

Het complete proefschrift  (236 blz.) kun je HIER lezen.


Bron:
Academisch proefschrift “…geen beter renten”
George Frans Hooijer, 2019

dinsdag 19 juni 2018

As en rust; Stephen Hawking 1942-2018

 


(bron: http://foksuk.nl/)


Vlak na het overlijden van Stephen Hawking (14 maart 2018), kwam ik deze cartoon tegen. De Britse natuurkundige/kosmoloog was atheïst en geloofde niet in een hiernamaals: “A fairy story for people afraid of the dark”.

Vorige week werd zijn as bijgezet in de Westminster Abbey in Londen. Het ANP-berichtje in de Volkskrant vermeldt: “De natuurkundige kreeg daar zijn laatste rustplaats tussen beroemde wetenschappers als Charles Darwin en Isaac Newton”.

Opmerkelijk vind ik hier de formulering laatste rustplaats in combinatie met as en crematie. Ik associeer dat eerder met de begrafenis van een lichaam. “Rusten” duidt volgens mij op een tussenfase, een tijdelijke situatie tussen twee “acties” in. In de Christelijke traditie bijvoorbeeld in afwachting van de wederkomst van Christus op aarde. Het woord “rusten” heeft zelfs iets actiefs, iets wat je “doet”. In ieder geval niet passend bij Hawking die van mening was dat het na de dood geheel en al afgelopen is.

zaterdag 19 mei 2018

Twee taalslakken

(waar ik zout op leg)

1.
Steeds vaker hoor of lees ik dat mensen “zich irriteren aan” deze of gene zaak.
Daar erger ik mij aan.
Dat irriteert mij.

2.
Nog veel irritanter vind ik mensen die beweren dat zij een "bijna-doodervaring" beleefd hebben, terwijl ze iets anders bedoelen. Ze blijken dan ooit in een heel enge verkeerssituatie of andere levensgevaarlijke toestand te zijn beland, die maar net goed afliep, "anders waren ze nu dood geweest". Dat is dus géén bijna-doodervaring (BDE), al moet ik toegeven dat deze uitdrukking wat ongelukkig gekozen is en misverstanden oproept.

Wikipedia geeft als definitie voor een BDE: Een ervaring in een veranderde bewustzijnsstaat van een persoon die klinisch dood is. Deze mensen zijn even "dood" geweest, zijn "de grens" overgestoken, maar daarna weer terugkomen met verhalen over "zweven boven hun lichaam", ontmoetingen met lichtwezens en/of overledenen en de klassieke tunnel & lichtvisioenen. Zij hebben iets geproefd van een mogelijk hiernamaals. Een BDE wordt meestal gemeld na een hartstilstand, reanimatie of een bijna fatale operatie.

Misschien is het handiger om hier te spreken van een EDE, een "even-doodervaring".