Posts tonen met het label Carlos Castaneda. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Carlos Castaneda. Alle posts tonen

maandag 5 augustus 2024

Castaneda en Mothman


Soms haal je wel eens dingen door elkaar. Zo heb ik lang gedacht ‘ooit ergens’ bij Castaneda iets gelezen te hebben over een reusachtige mot, de Mothman, die gezien werd door mensen rond hun overlijden. Bij wijze van voorteken, of als begeleider. Maar wat blijkt? Deze Mothman wordt nergens in het werk van Carlos Castaneda genoemd. Dat ik dacht van wel, is ook weer niet zo heel raar, want
in zijn boeken worden regelmatig symbolische ontmoetingen met dieren (waaronder insecten) beschreven, die een diepere betekenis hebben in de context van zijn spirituele reis en de lessen van zijn sjamanistische mentor Don Juan.

Er is wel een Mothman in de moderne Amerikaanse folklore, een fascinerend wezen dat geassocieerd wordt met bovennatuurlijke verschijnselen en onverklaarbare gebeurtenissen. De eerste meldingen van deze Mothman zijn uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Getuigen beschreven ‘hem’ als een humanoïde figuur met grote vleugels en gloeiende rode ogen. Deze mysterieuze entiteit heeft sindsdien de verbeelding van velen gevangen en is het onderwerp geworden van talloze theorieën en speculaties. Sommigen geloven dat de Mothman een bovennatuurlijk wezen is dat waarschuwingen brengt voor naderend onheil, terwijl anderen denken dat het een product is van massahysterie of misidentificatie van bekende dieren.

Er zijn wel interessante parallellen te trekken tussen deze Mothman en de concepten die Castaneda verkent. Die neemt zijn lezers mee op een reis door de wereld van sjamanisme, mystiek en spirituele groei. Hij beschrijft ontmoetingen met entiteiten en wezens die de grenzen van onze alledaagse realiteit overstijgen. De Mothman, met zijn bovennatuurlijke verschijning en vermogen om angst en mysterie op te roepen, kan worden gezien als een archetype dat vergelijkbaar is met de entiteiten die je bij Castaneda tegenkomt. En net zoals Castaneda wordt geconfronteerd met wezens die hem en zijn perceptie van de werkelijkheid uitdagen, roept ook de Mothman  vragen op wat betreft de aard van het bestaan en de grenzen van onze kennis.

Een ander interessant aspect van de Mothman in relatie tot Castaneda's werk is de nadruk op de dualiteit van licht en duisternis. De Mothman wordt vaak geassocieerd met duistere gebeurtenissen en onheilspellende voorspellingen, terwijl Castaneda's werk vaak draait om het vinden van balans tussen licht en duisternis, goed en kwaad. De confrontatie met entiteiten zoals de Mothman kan dienen als een spiegel voor de innerlijke strijd die we allemaal ervaren tussen onze donkere en lichte kanten.

Door de Mothman te bekijken in het licht van Castaneda's werk, kunnen we nieuwe inzichten krijgen in de aard van mysterie en spiritualiteit. Beide nodigen ons uit om voorbij de grenzen van onze rationele geest te kijken en open te staan voor de mogelijkheid van het bovennatuurlijke en het onbekende. Net zoals Castaneda ons aanmoedigt om onze perceptie van de werkelijkheid te verruimen, zo kan de Mothman ons uitdagen om onze angsten onder ogen te zien en te omarmen wat voorbij onze comfortzone ligt. (Schaduwwerken!)
 
 
 
 
bronnen:
diverse artikelen op internet

woensdag 17 april 2024

De bijna-doodervaring als valstrik

Bioloog Arjen Mulder heeft grote achterdocht wat betreft de bijna-doodervaring (BDE). Het zou namelijk “de val kunnen zijn die de dood voor ons opstelt om ons het leven afhandig te maken en onze ziel uit ons lichaam te trekken”, schrijft hij in zijn boek Wat is leven? (2014). Een interessante gedachte, die je niet vaak hoort.
 
 
Mulder (1955) neemt de verzamelde verhalen over BDE’s niet erg serieus: “een hele mythologie op de grens van nog-levend en al-dood”. Hij somt de bekende elementen van die wonderlijke ervaringen nog eens op. Omlaag kijken naar het eigen lichaam, tunnel en licht, gevoelens van diepe rust en vrede, totale aanvaarding en ontmoetingen met gestorven dierbaren of onbekenden. Het prachtig gekleurde licht en een liefdevol lichtwezen met een fundamentele vraag. Het overzien van het eigen leven en een waardeoordeel, ben je al goed genoeg om te sterven? Dan een hinderlijke barrière tussen dit en een volgend bestaan, en terug weer naar het aardse leven, met vergeefs verzet daartegen. De boodschap dat men helaas terug zal moeten, wordt vaak overgebracht door de verloren dierbaren. Zonder uitleg waarom, als een soort bevel. En dan verder moeten leven met tegenzin, voorgoed veranderd door de ervaring van vreugde, liefde en vrede aan gene zijde. Grote woorden als ‘universele liefde’, ‘goddelijk’, ‘alomvattend licht’, ‘eenheid met al het bestaande’.

Er is de wetenschappelijke ‘verklaring’ dat de BDE veroorzaakt wordt door zuurstofgebrek in de hersenen, maar daar hebben de bijna-doodmensen al helemaal niets aan. Als spirituele ervaringen gelijk opgaan met fysieke verschijnselen, zegt dat niets over aard en waarde ervan. Hun inzicht blijft: de dood is goed, het is beter daar. Maar waarom leven wij dan nog? Waarom hier verder ploeteren als de eenheid daar binnen handbereik ligt? De doodservaring van de teruggekeerden was zo indrukwekkend, dat ze er geen vraagtekens bij kunnen plaatsen. En precies dat is wat Mulder nog het meest verontrust. Want die bijna-doodmensen zijn heus geen onnozelaars, die ‘een bijeffect voor de hoofdzaak aanzien’ (zoals de wetenschappers beweren). Op de grens van leven en dood zijn ze bijna verleid en hadden geen verweer daartegen. Naïef gingen ze in op de invitatie om te sterven, maar werden door hun geliefden teruggestuurd.

Er is geen paranoïde BDE-variant bekend, en Mulder vindt dat raar. Die licht en liefde ervaring aan de overkant zou net zo goed een door de dood opgestelde val kunnen zijn, om ons het leven afhandig te maken en onze ziel uit het lichaam te trekken. En die strenge geliefden zijn dan je redders. In de dood en de aftakeling van een lichaam krijgt de natuur ineens weer de overhand. Daar helpt niets tegen, daar ga je dan. De natuur biedt ons eenheid en universele liefde, maar je moet wel eeuwig doodblijven.

Arjen Mulder noemt in dit verband de Engelse schrijver T.F. Powys (1875-1953). In zijn verhalen worden simpele dorpelingen soms aangesproken door ‘de natuur’, die ze tot zelfdoding probeert aan te zetten. Deze T.F. Powys heeft een vreemd, meewarig oeuvre geschreven. De mensen deugen niet, en de natuur deugt nog minder. Als je denkt bevrijding te vinden, verlies je juist alles wat je hebt. De dood is een list van de natuur om je je leven afhandig te maken, maar tegelijk de enige uitweg uit de misère. Mulder weet niet of Powys zijn lezers in de maling neemt of juist het ultieme inzicht deelachtig laat worden. Bij elke uitnodiging om dood te gaan moet je heel goed opletten. Het is verstandig een tijdje te wachten tot het overwaait, zoals Powys zelf soms weken achtereen deed. En Mulder voegt daar aan toe: “De BDE is geen bewijs dat het aan gene zijde pas echt prettig wordt, maar een teken dat je zo lang mogelijk uit die contreien weg moet blijven: ze schuwen er geen middel om je bij de lurven te grijpen. Ze slaan toe waar je het kwetsbaarst bent – de pijn of benauwdheid waarmee je kampt in je benarde situatie van drenkeling of zieke – en ze onderdrukken die ellende chemisch, waardoor je vrede en opluchting deelachtig wordt. Maar als het werkelijk zo schitterend is na de dood, heeft het geen zin dat wij hier nog leven. En wij zijn er nog steeds, en met steeds meer ook. Dat suggereert dat het leven bedoeld is voor iets anders dan doodgaan, dat er een ander einddoel is.”

Zoveel grimmigheid ben ik tot nu toe alleen nog bij Castaneda tegengekomen. Volgens de sjamaan Don Juan heeft de dood twee stadia. Eerst een oppervlakkige bezwijming met een ervaring van lichtheid, en gevoelens van geluk en compleetheid, alsof alles in de wereld tot rust is gekomen. Maar deze vage toestand verdwijnt al snel en je ontdekt dat je toch weer jezelf bent, waarna je nieuwe regionen binnentreedt, regionen van barsheid en macht. Dit tweede stadium is de werkelijke ontmoeting met de dood. Die barst nu op je los, uit volle macht en in kalme razernij, tot hij je leven in het niets oplost.

 
Arjen Mulder
Wat is leven?; Queeste van een bioloog
Arbeiderspers, 2014

woensdag 12 oktober 2022

Hilary Mantel (1952-2022)

Vorige maand overleed Hilary Mantel (70), volgens mij de beste schrijver van dat moment. Een groot verlies, nooit meer een nieuwe bestseller van haar hand om naar uit te kijken. De historische ‘Cromwell trilogie’, was zelfs twee keer goed voor de Booker Prize. Haar gezondheid was al jaren ronduit slecht, maar de gedrevenheid en het enthousiasme waren enorm. Mantels boeken en stukken getuigen van een opmerkelijk inzicht, ze leek alles te weten. Volgens de uitgever overleed Hilary Mantel ‘suddenly yet peacefully, surrounded by close family and friends.’ 
 
In haar laatste (?) interview nog, kort voor haar overlijden, werd gevraagd of ze in een hiernamaals geloofde. Mantel zei dat ze dat deed, maar voegde daaraan toe dat ze geen idee had hoe het in elkaar steekt. ‘Maar het universum is natuurlijk niet beperkt door wat ik mij kan voorstellen’. En hoe het hiernamaals dan ook ‘in elkaar mag steken’, ik ga er vanuit dat juist Hilary Mantel er snel haar draai heeft kunnen vinden. Ongetwijfeld zal zij er prima doorheen navigeren, de zaak observeren en er van genieten. Ik zou dolgraag haar verslag horen. 
 

Het hiernamaals in Mantels boeken is niet persé aangenaam, het Kwaad schuilt overal. In Beyond Black (2005) brengt het rondreizende medium Alison Hart mensen in contact met de overledenen. Alison probeert haar klanten ervan te overtuigen dat het na de dood prettig zal zijn, maar zelf weet ze wel beter. De geesten die zich aan haar opdringen zijn de wanhoop nabij. Dood en geestenwereld hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in leven en werk van Hilary Mantel, ‘de scheiding tussen leven en dood is zo dun dat je je hand erdoor kunt steken’. In haar romans wordt gestorven zonder veel poespas, terloops, vaak in een moment van achteloze onoplettendheid.

In de trilogie over Thomas Cromwell en het hof van Henry VIII zijn geesten een vanzelfsprekendheid. Ze worden vluchtig gesignaleerd. Cromwell wordt (net als Mantel zelf) door geesten achtervolgd. Soms klinken ze als stemmen in zijn hoofd, soms ziet hij ze bij hem in de kamer staan. Mantel was gefascineerd door de raakvlakken tussen psychologie en het bovennatuurlijke. In interviews ontweek ze meestal het woord geest. Misschien vond ze dat te intiem. ‘Want er zijn soms dingen waarover je niet kunt schrijven, omdat je gewoon niet de techniek hebt om uit te drukken wat je wilt zeggen. Te vaag.’
 
Hilary was (zeer ongewenst) kinderloos. In haar memoires schrijft ze ‘dat je niet alleen achtervolgd kunt worden door de geesten van overledenen, maar bijvoorbeeld ook door die van kinderen die nooit geboren zijn.’ Zij heeft een mentale foto van Catriona, de dochter die door haar en haar man werd gefantaseerd, maar die nooit werd geboren. Verder noemt ze nog 'de geest van je eigen potentiële zelf'. Als je op een bepaald moment in je leven keuze B had gemaakt, in plaats van keuze A, en een ander pad ingeslagen, was je nu een andere persoon geweest.

Mantel was als kind intens gelovig, zij werd klassiek rooms-katholiek opgevoed. In haar nogal ongelukkige jeugd, had ze allerlei metafysische ervaringen. Ze zag gaten in de wereld, lichtpatronen, en een 'constant bewegende achtergrond van kleine schedeltjes'. Vaak had ze het gevoel dat er altijd iemand links naast haar stond. Soms, als ze vroeg op moest, leek het alsof iemand haar wakker riep vanuit een andere kamer. Voor een documentaire moest Hilary eens terug naar het huis waarin ze haar jeugdjaren doorbracht. Vanuit de taxi (ze wilde niet uitstappen, het was geen huis met fijne herinneringen) zag ze zichzelf voor het raam van haar meisjeskamer staan. En dan niet bij wijze van spreken, zij stond daar echt, als tiener. ‘Ik keek niet omlaag, zag mezelf niet in de auto zitten. Ik staarde voor mezelf uit door het raam.’ Ze was er nog dagen door van slag. Een deel van haar was daar achtergebleven. Sommige ervaringen schrijft ze toe aan haar migraine, die werd verergerd door de (foute) medicijnen die ze lange tijd heeft geslikt vanwege haar ziekte. Een boek van neuroloog Oliver Sacks, waarin hij laat zien wat migraine met je bewustzijn kan doen, maakte haar duidelijk dat haar ervaringen niet uitzonderlijk waren en dat ze dus niet gek was.

Een heftige ervaring op zevenjarige leeftijd was een breekpunt in haar leven, en een van de redenen dat ze haar geloof verloor. Alles wat ze over religie had geleerd werd irrelevant. 'Iets ongrijpbaars was me komen opzoeken, heeft zijn geluk beproefd; een vormloos Kwaad zonder contouren dat op mij af kwam om me tot wanhoop te drijven'. Ze speelde thuis in de achtertuin en als ze opkijkt ziet ze in de verte niets, behalve 'een trilling, een storing in de lucht. Ik voel een draaiende, traag gonzende vlaag, als een zwerm vliegen, alleen zijn er geen vliegen. Er is niets te zien. Er is niets te ruiken. Er is niets te horen. Maar die beweging, die onbeschaamde verschuiving in de lucht, doet mijn maag omhoogkomen.' Ze kan niet bewegen. Het niets komt op haar af, 'even hoog als een kind van twee', ze smeekt het weg te blijven, en dan opeens zit het in haar en voelt ze het ziekelijk door haar lichaam gaan. Ze proeft het bloed in haar mond.

Wat een akelig verhaal! Een vormloze onzichtbare aanwezigheid, die 'met de snelheid van een gedachte' bezit van haar nam, en ziek weergalmde 'in de binnenkant van mijn botten en mijn lichaamsholten.' Het doet me denken aan de beschrijving van een kwaadaardige entiteit in een horrorverhaal van H.P. Lovecraft, maar meer nog aan een anekdote van Carlos Castaneda. In een van zijn boeken vertelt hij hoe de Mexicaanse sjamaan don Juan hem ooit de dood beschreef ‘als een wolk die eruit ziet als een glanzende spiraal, die uiteindelijk met onweerstaanbare kracht in hem zou binnendringen.’

 

bronnen: 
diverse interviews sinds 2009

zaterdag 21 september 2019

Een dood van Carlos Castaneda

Tijdens een van zijn vele sessies met don Juan* brengt Carlos Castaneda* de dood ter sprake (vorige blogpost). En hoewel Castaneda het niet weten wil, vertelt don Juan hem hoe het “tweede stadium” van zijn dood er eventueel uit zou kunnen zien:

“Jij rijdt veel, dus is het mogelijk dat je je weer, op een gegeven ogenblik, achter het stuur bevindt. Het zal een zeer snelle gewaarwording zijn die je geen tijd zal laten om na te denken. Opeens, laten we zeggen, zou je merken dat je aan het rijden bent, zoals je al duizenden malen hebt gedaan. Maar voordat je je iets over jezelf zou kunnen gaan afvragen, zou je een vreemde formatie opmerken vóór je voorruit. Bij nader toezien zou je beseffen dat het een wolk is die eruit ziet als een glanzende spiraal. Zij zou gelijken op, laten we zeggen, een gezicht, pal in het midden van de hemel vóór je. Terwijl je ernaar keek, zou je het zich zien terugtrekken tot het nog slechts een schitterend punt was in de verte en dan zou je merken dat het zich weer naar je toe begon te bewegen; het zou versnellen en in een oogwenk zou het tegen de voorruit van je auto aanrammen. Jij bent sterk; ik ben er zeker van dat de dood een paar opdonders nodig zou hebben om je in te rekenen.

Tegen die tijd zou je weten waar je was en wat er met je aan het gebeuren was; het gezicht zou zich weer terugtrekken tot een positie boven de horizon, versnellen en tegen je aanrammen. Het gezicht zou in je binnendringen en dan zou je het weten – het was al die tijd het gezicht van de bondgenoot, of ik die aan het praten was, of jijzelf die schreef. De dood was niets, al die tijd. Niets. Het was een stipje verloren in de bladen van je bloknoot. En toch zou hij met onweerstaanbare kracht in je binnendringen en je doen uitzetten; hij zou je platslaan en je over de hemel en de aarde en nog verder uitspreiden. En je zou zijn als een bewegende mist van kleine kristallen die zich verwijdert.” Natuurlijk is Castaneda erg onder de indruk van de beschrijving van zijn (mogelijke) dood. Hij had verwacht iets heel anders te horen te krijgen en kan lange tijd niets zeggen.

Don Juan vervolgt: “De dood treedt binnen door de buik, pal door de bres van de wil. Dat gebied is het belangrijkste en gevoeligste deel van de mens. Het is het gebied van de wil en ook het gebied waardoor wij allen sterven. Ik weet dat omdat mijn bondgenoot mij tot in dat stadium heeft voorgelicht. Een tovenaar stemt zijn wil af door zich door zijn dood te laten achterhalen, en wanneer hij is platgeslagen en begint uit te zetten, komt zijn onberispelijke wil in actie en verenigt de mist weer tot één persoon.”

Don Juan maakt een vreemd gebaar. Hij opent zijn handen als twee waaiers, tilt ze ter hoogte van zijn ellebogen, draait ze tot zijn duimen zijn heupen raken, en brengt ze dan langzaam tezamen halverwege zijn lichaam boven zijn navel. Een ogenblik lang houdt hij ze daar. Zijn armen trillen van de inspanning. Dan brengt hij ze omhoog tot de toppen van zijn middelvingers zijn voorhoofd raken, en trekt ze vervolgens in dezelfde houding omlaag tot halverwege zijn lichaam. Castaneda vindt het gebaar indrukwekkend. Don Juan heeft het met zoveel kracht en schoonheid uitgevoerd dat hij er door gebiologeerd was.

“Het is zijn wil die een tovenaar tezamenhoudt”, zegt hij, “maar naarmate zijn ouderdom hem verzwakt, taant zijn wil, en onvermijdelijk komt er een ogenblik wanneer hij zijn wil niet langer kan commanderen. Dan heeft hij niets meer om de stilzwijgende kracht van zijn dood mee te bestrijden, en dan wordt zijn leven zoals het leven van al zijn medemensen, een uitzettende mist die zijn eigen grenzen te buiten gaat.” Castaneda huivert. Don Juan staart hem aan en staat op.

Naschrift: Op wikipedia lees ik dat Carlos Castaneda in 1998 in Los Angeles is overleden aan leverkanker.


Carlos Castaneda


*Carlos Castaneda (1925-1998) was een (Zuid-)Amerikaanse schrijver en antropoloog die in de jaren 70 in een viertal boeken verslag deed over zijn leerjaren bij de Mexicaanse sjamaan don Juan (Matus), een Yaqui Indiaan. Castaneda werd ingewijd in magische rituelen om de “niet-gewone werkelijkheid” te beheersen. Daarbij werden hallucinogene drugs gebruikt, zoals peyotl en bepaalde paddenstoelen. Het is dus de vraag in hoeverre zijn waarneming van eventuele bovennatuurlijke verschijnselen is verkleurd door drugs. Castaneda’s boeken bereikten een soort cultstatus, maar later waren er ook twijfels over het waarheidsgehalte ervan, en zelfs of don Juan ooit bestaan heeft.




Bron:
Carlos Castaneda
Een aparte werkelijkheid
De Bezige Bij, 1991, zevende druk

zaterdag 14 september 2019

Een mist van kristallen

Don Juan* vindt het Tibetaans Dodenboek onzin. Dood is niet zo iets als leven, en hij vraagt zich af of de Tibetanen wel zien. Maar wat is de dood dan wel, vraagt Castaneda* hem, wat denkt don Juan over de dood?

“De dood is een spiraal. De dood is het gezicht van de bondgenoot; de dood is een glanzende wolk boven de horizon; de dood is het fluisteren van Mescalito (peyotl) in je oren; de dood is de tandeloze mond van de wachter, de dood is de Genaro die op zijn hoofd zit; de dood ben ikzelf terwijl ik praat; de dood ben jij met je bloknoot; de dood is niets. Niets! Hij is er en toch is hij er helemaal niet.”

Opgewekt benadrukt don Juan nog eens dat hij niet kan vertellen wat de dood voor iets is. In plaats daarvan biedt hij Castaneda aan hem iets te vertellen over zijn (Castaneda’s) eígen dood, maar die wil daar absoluut niets van weten. Hij wil liever iets horen over de dood in het algemeen, maar volgens don Juan kun je alleen over de dood spreken in persoonlijke termen.

Bijvoorbeeld over de dood van zijn zoon Eulalio die verpletterd werd onder rotsen terwijl hij werkte aan de aanleg van een autoweg. Don Juan noemt zijn optreden tegenover zijn zoon op het ogenblik van diens dood “gecontroleerde dwaasheid”. Eulalio was bijna dood, maar zijn lichaam was zo sterk dat het bleef bewegen en schoppen. “Ik stond voor hem, maar ik keek niet. Ik stelde mijn ogen anders in zodat ik zijn persoonlijke leven uit elkaar kon zien vallen, onweerstaanbaar buiten zijn oevers treden, als een mist van kristallen, want dat is de wijze waarop leven en dood zich met elkaar vermengen en uitzetten. Het leven van mijn zoon dijde uit op het ogenblik van zijn persoonlijke dood. De dood, wat dat ook mag zijn, deed zijn leven uitdijen. Had ik naar hem gekeken dan zou ik hebben meegemaakt hoe hij onbeweeglijk werd en ik zou een kreet binnen in mij hebben gevoeld, omdat ik nooit meer zijn prachtige gestalte over de aarde zou zien stappen. In plaats daarvan zag ik zijn dood, en er was geen droefheid, geen gevoel. Zijn dood was gelijkwaardig aan de rest.”

Castaneda vertelt hem dan over mensen die verscheidene minuten dood waren geweest en door medische technieken weer tot leven waren gebracht. In alle gevallen waarover hij gelezen had, hadden de betrokken personen na hun beleving verklaringen afgelegd dat zij zich helemaal niets konden herinneren; dat sterven gewoon een sensatie van bezwijmen was.

Don Juan vindt dat volkomen begrijpelijk. De dood heeft namelijk twee stadia. Het eerste is een bezwijming, die veel lijkt op het eerste effect van peyotl, waarbij je een lichtheid ondervindt waarin je je gelukkig voelt en compleet, alsof alles in de wereld tot rust is gekomen. Maar dat is slechts een oppervlakkige toestand die al snel verdwijnt, waarna je nieuwe regionen binnentreedt, regionen van barsheid en macht. Dat tweede stadium is de werkelijke ontmoeting met peyotl. De dood lijkt daar veel op. Het eerste stadium is een oppervlakkig bezwijmen. Het tweede is echter het echte stadium waarin je de dood ontmoet. Het is een kort ogenblik na de eerste bezwijming, waarin je ontdekt dat je toch weer jezelf bent. Het is dan dat de dood op je losbarst, uit volle macht en in kalme razernij, tot hij je leven in het niets oplost.

Eerst lijkt het alsof don Juan met dat “tweede stadium” een bardo-achtige toestand ná de dood bedoelt, maar later zien we dat het hier gaat om het moment van sterven, dat zich kennelijk in twee delen afspeelt. Dat blijkt als don Juan zijn verhaal vervolgt met een beschrijving van Castaneda’s mogelijke dood. Daarover meer in de volgende blogpost.



*Carlos Castaneda (1925-1998) was een (Zuid-)Amerikaanse schrijver en antropoloog die in de jaren 70 in een viertal boeken verslag deed over zijn leerjaren bij de Mexicaanse sjamaan don Juan (Matus), een Yaqui Indiaan. Castaneda werd ingewijd in magische rituelen om de “niet-gewone werkelijkheid” te beheersen. Daarbij werden hallucinogene drugs gebruikt, zoals peyotl en bepaalde paddenstoelen. Het is dus de vraag in hoeverre zijn waarneming van eventuele bovennatuurlijke verschijnselen is verkleurd door drugs. Castaneda’s boeken bereikten een soort cultstatus, maar later waren er ook twijfels over het waarheidsgehalte ervan, en zelfs of don Juan ooit bestaan heeft.



Bron:
Carlos Castaneda
Een aparte werkelijkheid
De Bezige Bij, 1991, zevende druk

zaterdag 10 augustus 2019

Don Juan vindt het Tibetaans Dodenboek onzin

Carlos Castaneda (1925-1998) was een (Zuid-)Amerikaanse schrijver en antropoloog die in de jaren 70 in een viertal boeken verslag deed over zijn leerjaren bij de Mexicaanse sjamaan don Juan (Matus), een Yaqui Indiaan. Castaneda werd ingewijd in magische rituelen om de “niet-gewone werkelijkheid” te beheersen. Daarbij werden hallucinogene drugs gebruikt, zoals peyotl en bepaalde paddenstoelen. Het is dus de vraag in hoeverre zijn waarneming van eventuele bovennatuurlijke verschijnselen is verkleurd door drugs. Castaneda’s boeken bereikten een soort cultstatus, maar later waren er ook twijfels over het waarheidsgehalte ervan, en zelfs of don Juan ooit bestaan heeft.

Castaneda
 
In een van zijn vele gesprekken met de sjamaan probeert Castaneda diens opvattingen over de dood te leren kennen. Hij leest hem delen uit het Tibetaans Dodenboek (Bardo Thödol) voor. Don Juan kent deze teksten niet, maar schijnt zeer geïnteresseerd, ook al vindt hij het onzin en begrijpt hij niet waarom de Tibetanen over de dood spreken alsof dit net zoiets was als het leven. Hij denkt niet dat de Tibetanen zien, want wanneer een man leert zien, is geen enkel ding dat hij kent van overwegend belang. Indien de Tibetanen konden zien zouden ze meteen door hebben dat geen enkel ding nog hetzelfde is. Zodra we zien, is er niets bekend; niets blijft zoals we het steeds gekend hebben toen we nog niet zagen.

Als Castaneda suggereert dat de Tibetanen misschien op een andere manier zien, beaamt don Juan dat zien niet hetzelfde is voor iedereen. Maar dat betekent nog niet dat de betekenissen van het leven van overwegend belang zijn. Wanneer men leert zien, blijft geen enkel ding hetzelfde. En de dood is niet iets als om het even wat. Daarom denkt don Juan dat het iets anders moet zijn waarover de Tibetanen praten, in elk geval niet over de dood. Misschien zien de Tibetanen werkelijk, en in dat geval moeten zij er zich rekenschap van gegeven hebben dat hetgeen zij zien nergens op slaat, en hebben zij al die onzin opgeschreven omdat het voor hen geen verschil uitmaakt. En in dit geval is hetgeen zij schreven helemáál geen onzin.



Bron:
Carlos Castaneda
Een aparte werkelijkheid
De Bezige Bij, 1991, zevende druk